verlaten

image_pdfimage_print

Black Gold

Aan het begin van de twintigste eeuw werden in dit gebied op verschillende plaatsen proefboringen uitgevoerd. Al snel bleek een rijkelijke aanwezigheid van steenkool in de bodem. Enkele jaren later werd er een concessie verleend voor de ontginning van een gebied van ruim 5000 hectare. Mede door de Eerste Wereldoorlog duurde het nog tot begin jaren 1920 vooraleer er effectief steenkool werd gedolven. Tijdens het piekjaar, halverwege de jaren 1950, haalden 6.800 mijnwerkers bijna 800.000 ton steenkool naar boven. In de loop van de uitbating werd er in totaal bijna 80 miljoen ton steenkool gedolven. Hoewel slechts een klein deel van de steenkoollagen werd ontgonnen, staakte de mijn haar activiteiten einde jaren 1980.

In dit gebouw, de kolenzeverij en -wasserij werd de belangrijkste bovengrondse mijnactiviteit uitgevoerd: het triëren van de kolen van het steenpuin en het wassen van de kolen voor de verkoop. Het gebouw werd opgericht begin jaren 1920 en werd meermaals uitgebreid, tot het een dagcapaciteit had van 7.500 ton. De tien verdiepingen tellende, monolitische kolenwasserij is één van de weinige bewaarde exemplaren in West-Europa. Ze werd om die reden beschermd als monument. Dit wordt echter betwist door de eigenaar, die al meerdere pogingen ondernam om een vergunning te krijgen om het gebouw te slopen, hetgeen hem tot nu toe gelukkig nog niet gelukt is…

 

 

Old & Rusty

Ergens een oude auto aantreffen, maakt de dag altijd goed. Vooral wanneer het zo’n mooie oldtimer is. Dit oude karretje, staat ergens eenzaam achtergelaten op een bospaadje weg te roesten… Hoe, wat, wanneer, waarom? Geen idee…

 

 

Robots Factory

Deze fabriek was een Duitse vestiging van een belangrijke producent voor de productie van niet-vervangbare vuurvaste materialen voor alle industriële bak- en smeltprocessen. De hoofdzetel van het bedrijf was gevestigd in Wenen en had wereldwijd 7.900 mensen in dienst op ongeveer 30 productielocaties en meer dan 70 verkooplocaties. In deze vestiging produceerden de Oostenrijkers voornamelijk magnesia-koolstofstenen voor de staalindustrie. Vanwege de crisis in de Europese staalindustrie werd in 2013 de Duitse locatie met 122 medewerkers gesloten. Momenteel zijn de sloopwerkzaamheden er volop aan de gang.

De fabriek is behoorlijk uitgebreid en beslaat verschillende productiehallen. Meestal zie je van deze locatie enkel de hal met de “robots”. Aangezien het onze enige locatie was die dag, namen we uitgebreid de tijd om ook de andere gebouwen te verkennen. We troffen ook in die andere gebouwen enkele mooie en fotowaardige hoekjes aan.

 

 

Laundry Baskets

Een voormalige industriële wasserij, waar ik verder geen informatie over vond. Veel decay, maar jammer genoeg ook erg veel vandalisme. Toch nog enkele leuke shots kunnen maken.

 

 

Industrial Wanderer

Een van de belangrijkste industriële monumenten van deze Saksische metropool is deze in 1885 opgerichte fabriek. Honderd jaar geleden huisde hier een van de grootste autofabrikanten in Duitsland. De fabriek produceerde niet alleen auto’s, maar ook fietsen en motorfietsen. Na de Tweede Wereldoorlog ging de autoproductie verder onder de naam AUDI in een nabijgelegen stadje. In deze fabriek werden vanaf dan de machines gedemonteerd als onderdeel van het herstelwerk en naar de Sovjet-Unie gebracht. Vanaf de jaren 1950 werden hier onder andere kantoormachines, vliegtuigmotoren en hydraulische pompen geproduceerd. Vandaag blijven alleen de mooie, lege industriehallen staan, zoals deze industriële balzaal, ooit de krachtcentrale van de fabriek. Het ziet er jammer genoeg naar uit dat het gebouw wacht op de definitieve sloop…

 

 

 

Puppen Fabrik

Deze verlaten fabriek kreeg de naam “Puppen Fabrik”, omwille van de grote hoeveelheid plastic poppetjes die er te vinden waren. Nochtans was dat niet wat er in deze als sinds halverwege de jaren 1990 leegstaande fabriek geproduceerd werd. Hoewel informatie zeer schaars te vinden is, kon ik achterhalen dat de fabriek werd opgericht in 1969 en dat het in feite om een inktfabriek gaat… Einde 2019 werd de stad slachtoffer van een pyromaan, die het blijkbaar op leegstaande panden gemunt had. Ook deze fabriek ontsnapte niet aan de waanzin van deze pyromaan. Hoewel de berichtgeving naar aanleiding van de brand vermeldde dat de fabriek nagenoeg volledig afgebrand was, blijk dat de schade eerder tot het voorste deel van het gebouw beperkt is gebleven. Er waren nog enkele zeer mooie stukken te zien en te fotograferen…

 

 

Villa Guano

Over de achtergond van deze statige villa valt jammer genoeg niets te achterhalen. Er werd ooit aanstalten gemaakt om ze te renoveren, maar om een of andere reden werd die renovatie stilgelegd nadat het gebouw gestript werd tot op de ruwbouw. Het enige onderdeel van de villa dat nog klaar en duidelijk herinnert aan de vergane glorie die achter de imposante gevels schuilgaat, is de inkompartij en de trappenhal.

 

 

Kulturhaus am Kristalsee

De warmwaterbron waarrond dit kuuroord gebouwd werd, werd al ontdekt in de middeleeuwen, vermoedelijk tijdens mijnbouwwerkzaamheden. Ze is nu de oudste en warmste thermale bron in de streek en wordt nog steeds gebruikt voor balneologische doeleinden.

Dit gebouw, het zogenaamde “Kulturhaus” maakte deel uit van een groter geheel. In dit gedeelte van het kuuroord werden onder meer een grote evenementenhal, een wintertuin en ruim 100 gastenkamers ondergebracht. De bouwwerkzaamheden voor de oprichting van dit gebouw startten in 1951 en werden pas volledig voltooid in 1954, hoewel het gebouw officieel geopend werd in 1953. Inmiddels staat het gebouw al van kort na de eeuwwisseling leeg. De ruim 15 jaren van leegstand hebben al duidelijke sporen nagelaten. Een renovatie dringt zich op om het inmiddels geklasseerde gebouw te beschermen van verdere verloedering. De enige potentiële koper tot nu toe, een investeerder, die van het gebouw een revalidatiecentrum voor sportgeneeskunde wou maken, haakte af nadat bleek dat hij het plaatje niet financieel rond kreeg. Het gebouw staat te koop voor € 680.000 en de stad legt strenge normen op met de bedoeling de bouwstructuur en het interieur grotendeels te behouden. Dit schrikt mogelijke investeerders uiteraard af.

 

 

Rittergut V

Dit verlaten herenhuis werd gebouwd omstreeks 1895 in opdracht van de eigenaar van een nabij gelegen weverij. Het oorspronkelijk als zomerresidentie opgerichte landhuis diende in de loop van de geschiedenis verschillende doeleinden. Ten tijde van het Derde Rijk was het bijvoorbeeld een Reichsarbeidskamp. Na de oorlog werd het kasteel omgevormd tot een school voor de opleiding van rechters en nog later werd er een “pioniersschool voor leiderschap” in ondergebracht. In 2018 viel het prachtige gebouw ten prooi aan de vlammen nadat er brand gesticht werd. Het volledige dak werd verwoest. De traphal met het blauwe stucwerk plafond, waar het gebouw om bekend staat, bleef gelukkig gespaard. Inmiddels werd ook het glas-in-loodraam in dezelfde traphal door onverlaten gestolen.

 

 

Last Ride

In het garagegedeelte van een verlaten industriële site staat deze prachtige oude lijkkoets. Terwijl de rest van het gebouw compleet gevandaliseerd werd, bleef deze lijkkoets als bij wonder gespaard… Waarom en hoe lang ze hier al staat, is een raadsel. Maar wàt een leuke vondst, toch?

 

 

Lost Frequencies

Al van eind jaren 1930 was het toenmalige Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR) zich er van bewust dat de voorloper van dit zendstation niet langer voldeed aan de noden. Plannen voor een nieuw station moesten echter uitgesteld worden tot na de Tweede Wereldoorlog. In 1946 werden de plannen getekend en vijf jaar later werd de eerste steen gelegd van het nieuwe gebouw. Koning Boudewijn huldigde in 1952 het nieuwe project plechtig in. Het nieuwe zendstation werd specifiek ontworpen voor de nationale en internationale radio-uitzendingen van de openbare omroep. In die periode waren er nog veel Belgen in Afrika en andere delen van de wereld. Om hun band met het vaderland te onderhouden werd van hieruit uitgezonden in korte golf. De zenders hadden een vermogen van 100 kW. Het zendsysteem toen was amplitudemodulatie (AM). Frequentiemodulatie (FM) was in die tijd nog heel experimenteel en er waren nagenoeg geen FM-ontvangers. Op het omliggende terrein werden drie zendmasten opgericht: een mast van 225 meter, een van 165 meter en een reservemast van 90 meter. De antennes in korte golf worden gericht naar een bepaald gebied. De beste en meeste antennes werden in de richting van Centraal-Afrika geplaatst. Het waren gordijnantennes (een ingewikkeld dradenweb opgespannen aan zelfdragende masten. Voor de andere gebieden (Noord- en Zuid-Amerika en Azië) werden goedkopere ruitantennes gebouwd die minder efficiënt waren. In de loop van de jaren werd er herhaaldelijk gesleuteld en aangepast aan de zendapparatuur, maar technologie staat niet stil. Wat in 1952 high-tech was, is nu (amper 60 jaar later) industriële archeologie geworden. Voor het bereiken van Belgen in het buitenland biedt het internet vandaag een veel efficiëntere oplossing. De verouderde zenders werden niet meer vervangen. In 2001 werden de kortegolfuitzendingen stopgezet en 10 jaar later stopte de VRT met ook met uitzenden op de middengolf. Het eens zo imposante gebouw zal weldra plaats maken voor een nieuw ziekenhuiscomplex.

 

 

Mint Factory

Over deze voormalige betoncentrale, waar alles in een frisse, mintgroene kleur geschilderd was (vandaar de naam Mint Factory), valt weinig informatie te vergaren, anders dan dat ze in 2017 failliet verklaard werd. Het bedrijf was vooral gespecialiseerd in het vervaardigen van betonnen bloembakken, terras- en traptegels en palissades.

 

 

Biomass Power Plant

Biomass Power Plant was een thermische elektriciteitscentrale, gebouwd in 1974 en in dienst genomen in 1976. De centrale had een totaal vermogen van 556 MWe, dat voornamelijk door twee stoomturbines gegenereerd werd. Deze turbines werden aangedreven door steenkool en biomassa. In 2012 krijgt de uitbater nog een milieuvergunning om 100% biomassa te verstoken. De centrale zou hierdoor aanspraak kunnen maken op “groenestroomcertificaten”. De uitbater zou hierdoor over een periode van 10 jaar een subsidie van 2,2 miljard euro kunnen binnenhalen, maar de nodige investeringen voor de reconversie raken nooit rond door problemen met de warmtewisselaar. Het Vlaams Energie Agentschap wijst de vraag om uitstel af, waardoor de centrale het uitzicht op de miljardensubsidie verliest en gedwongen de boeken neerlegt. Sinds april 2017 is Biomass Power Plant failliet en werd de oven stilgelegd. Daarmee verdween de laatste kolencentrale van België. De reeds vergunde sloop werd in 2018 nog uitgesteld en de centrale wordt nog een laatste keer opgestart om de winterse energieschaarste op te vangen. Ondertussen is de sloop op volle toeren…

 

 

Zeche N1

Het verhaal van deze Zeche begint al in 1855, maar het graafwerk startte pas in 1912. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liep het delven van steenkool echter aanzienlijke vertraging op. Pas vanaf 1915, volop in de oorlogsjaren, werd er steenkool naar boven gehaald vanaf een diepte van bijna 400 meter. Vlak na de oorlog werd de tweede schacht in gebruik genomen. Samen met de andere schachten van de mijn, werd er in de topjaren (jaren 1980) tot bijna 3 miljoen ton steenkool aan de aarde onttrokken door meer dan 4000 mijnwerkers… Vanaf die periode begon het succes van de mijn echter te tanen. Begin jaren 2000 werden de dagfaciliteiten van schacht 3 volledig afgebroken. Van 2003 tot 2005 werden de dagfaciliteiten van Zeche N1 volledig gesloopt, met uitzondering van de hoofdframes 1 en 2 evenals het machinepark (energiecentrale) en het gebouw van de voormalige mijnstuw, waaraan het gaswinningssysteem is bevestigd. Deze moeten als industriële monumenten worden bewaard. De Zeche N4 even verderop is nog steeds volledig bewaard.

Bekijk ook de reeks over de 4de schacht van dit mijnbedrijf: Zeche N4

 

 

Chapel & Morgue

De bouw van dit ziekenhuis begon in het voorjaar van 1905. Een jaar later was de officiële opening. Vanwege een bijzonder groot aantal gevallen van meningitis in de omgeving, begonnen de operaties al enkele maanden eerder, begin januari 1906. Op dit moment was het ziekenhuis nog niet voltooid. Het ziekenhuis specialiseerde zich later in dermatologie, plastische chirurgie, reumatologie en coloproctologie (rectale aandoeningen). Er werden tevens ergotherapie, natuurgeneeskunde, fysiotherapie, pijnbestrijding, sociale diensten en wondbehandeling aangeboden. In 2011 werd de meerderheid van de aandelen overgenomen door een investeringsgroep. Als onderdeel van de economische renovatie werd het ziekenhuis gesloten en werden de meest recentelijk gespecialiseerde afdelingen in juli 2013 overgedragen aan een nabijgelegen ziekenhuis van dezelfde groep. Het lege gebouw viel deels terug op de stad en deels op het bisdom. In de zomer van 2014 werd het gebouw als noodaccommodatie voor asielzoekers in gebruik genomen, maar slechts anderhalf jaar later werden de asielzoekers uit het ziekenhuis verbannen. Vervolgens was het de bedoeling om een ​​deel van het ziekenhuis te slopen en er kantoren of flatgebouwen op te bouwen en de rest van het gebouw om te vormen tot een kleuterschool. In november 2018 werd aangekondigd dat het voormalige ziekenhuis het bouwterrein van een nieuwe woonwijk zou worden. Op het terrein van 45.000 vierkante meter zullen ongeveer 350 nieuwe appartementen worden gebouwd.

 

 

 

Multicolor School

Grote delen van dit voormalig klooster van de zusters van Liefde van Jezus en Maria, gesticht in 1815, werden inmiddels reeds gesloopt om plaats te ruimen voor nieuwe gebouwen. Het kloostercomplex omvatte oorspronkelijk het klooster zelf, een semi-publieke kapel, een rustoord, een kleuterschool, een lagere school, een middelbare school en een openbare bibliotheek. De middelbare school werd overgebracht naar een ander gebouw en het klooster en rustoord zijn inmiddels verhuisd naar de in in het begin van de jaren 1980 gebouwde rust- en verzorgingsinstelling. Aan dat nieuwe rustoord werd eind jaren 1980 een nieuw klooster gebouwd voor de overgebleven zusters. In deze reeks zie je het aan de straat gelegen schoolgebouwencomplex, waarvan het oudste deel gevormd wordt door de lagere school, opgericht halverwege de jaren 1860. Het links aansluitend vroeger schoolgebouw, later openbare bibliotheek, is van latere datum (vermoedelijk circa 1880). Begin jaren 1920 werd ten slotte de voormalige landelijke huishoudschool aangebouwd, die later de lagere jongensschool zou worden. Te oordelen naar het behoorlijk gevorderde verval van de gebouwen is het nauwelijks te geloven dat de school hier minder dan twee jaar geleden verhuisde…

 

 

Water School

Een sinds lange tijd verlaten schooltje in de Westhoek, dat jammer genoeg al vaak slachtoffer werd van vandalen. Waakzame buren houden de boel in de gaten en bellen de politie bij iedere verdachte beweging. We werden er dan ook vrij snel uitgeplukt door de lange arm van de wet. Gelukkig pas na het nemen van enkele shots van de mooie vervallen gymzaal. Zowat de enige ruimte in het schooltje dat het fotograferen waard was…

 

 

Old Blue

Wie mijn urbexavonturen zo’n beetje volgt, weet inmiddels wel dat ik geen fan ben van het bezoeken van verlaten huisjes. Maar zo heel af en toe kom je in de schuur bij zo’n huisje wel eens op een aangename verrassing uit. Zoals hier bijvoorbeeld. Het huisje stelde helemaal niks voor, maar in het achterliggende schuurtje vonden we deze prachtige Citroën C3 Trefle van halverwege de jaren 1920. Van de Citroën Type C werden tussen 1922 en 1926 zo’n 81.000 exemplaren, in diverse varianten vervaardigd. Het ontwerp van Edmond Moyet kenmerkte zich door een bijzonder gevormde achterzijde, dat de auto de bijnaam “kippekont” opleverde. Vreemd genoeg hadden de eerste Type C’s slechts één deur, aan de passagierskant, want aan de chauffeurszijde bevond zich het reservewiel. De Type C werd in 1923 opgevolgd door de twee-zits C2. Deze werd gebouwd op het zelfde 2,25 m lange chassis als de Type C. In 1924 werd deze C3 geïntroduceerd op een 10 cm langer chassis. De C3 werd ook “Trefle” (klaverblad) genoemd en had plaats voor een derde persoon achterin. Hoewel een groot succes, bleek de Type C serie niet erg winstgevend. Citroën staakte de productie van deze auto’s dan ook in 1926.

Geen informatie te vinden over het hoe, wat en waarom deze magnifieke klassieker hier aan haar lot werd overgelaten. Laten we hopen dat de rechtmatige eigenaar snel opdaagt om haar tot haar volle glorie te restaureren, vooraleer dieven, vandalen en ander uitschot haar weten te vinden…

 

 

Frida’s Factory

In dit chemiebedrijf, dat in 1912 ontstond als vestiging van een cokesfabriek, werd vanaf 1917 zwavelzuur en fosforzuur geproduceerd. Het fosfaaterts dat hiervoor als grondstof gebruikt werd, werd ingevoerd uit Marokko. Als bijproduct kwam daar vervuild gips bij vrij. In 1925 werd de fosforzuurproductie overgenomen door het bedrijf dat zijn naam schonk aan de site; een naam waaronder deze site zelfs na meerdere overnames nog steeds bekend staat. Er ontstond geleidelijk aan een gipsberg van aanzienlijke afmetingen, die uiteindelijk zelfs een oppervlakte van 80 hectare besloeg. In 1989 werd een installatie voor de terugwinning van zwavelzuur in bedrijf genomen. Er volgend nog enkele overnames, tot het bedrijf uiteindelijk in 2009 failliet ging. Wat overbleef na het faillissement was het terrein, waarvan de bodem werd gesaneerd en de gebouwen vanaf 2013 werden afgebroken. De gipsopslag werd na sanerings- en stabiliseringswerkzaamheden afgedicht. Het terrein werd inmiddels bebost en er werd ruimte voorzien voor een nieuw bedrijventerrein en een park met zonnepanelen.

Op één van de silo’s werd een graffiti kunstwerk aangebracht met de beeltenis van de Mexicaanse surrealistische kunstschilderes Frida Kahlo. Vandaar Frida’s Factory… Hoewel er inmiddels al een groot deel van de gebouwen verdwenen is, is er nog voldoende overgebleven om te ontdekken en fotograferen.

 

Diesel Farm

De elektriciteitscentrale ‘Diesel Farm’ opende de deuren in 1976. Gedurende bijna 40 jaar zou ze de belangrijkste producent van elektriciteit in de streek zijn. De centrale werd aangedreven door de verbranding van diesel en had een nominaal vermogen van 83 MegaWatt. De centrale kwam de laatste jaren meermaals in opspraak. In 2007 werden er door verscheidene milieuorganisaties actie gevoerd omdat de centrale op dat moment aangedreven werd door de verbranding van palmolie uit Maleisië, hetgeen bijzonder belastend is voor het milieu. In 2010 zorgde een stukgesprongen olieleiding bij het overtanken van zware olie van een olietanker nog voor een zware vervuiling van de rivier. Wegens veroudering van de installaties was de centrale al een tijdje niet meer rendabel en werd ze enkel nog ingezet in geval van hoge nood. Eind maart 2012 viel het doek definitief over Diesel Farm.

 

 

Army Trucks

Een terrein waar massa’s oude legervoertuigen staan te verkommeren… Waarom? Geen idee… Met deze reeks heb ik eens een andere bewerking uitgeprobeerd. Een zwart-witbewerking zorgt meestal voor meer “dramatiek”. Ik vond het wel passen bij deze locatie.

 

Hospital K2

Aan de staat van dit ziekenhuis te zien, is het maar moeilijk te geloven dat het nog geen anderhalf jaar leeg staat. Op sommige plaatsen lijkt het wel of er een bom ontploft is… Misschien is dat ook wel zo, want de gebouwen worden duidelijk gebruikt voor politie- en/of brandweeroefeningen. Het ziekenhuis dateert van het einde van de jaren 1930. Gedurende de volgende zeventig jaar was het een privaat ziekenhuis. Onder druk van de concurrentie van andere ziekenhuizen in de stad ging het kort na de eeuwwisseling een fusie aan met drie andere ziekenhuizen. In 2010 werden alle specialisaties samengebracht in de nieuwe gebouwen van het gefusioneerde ziekenhuis en in het voorjaar van 2017 verhuisden ook de laatste afdelingen en verpleegeenheden, waarna het oude ziekenhuis de deuren sloot. Door de vele schade is er niet veel interessants meer te zien…

 

 

Wasserwerke

Deze voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie is een geklasseerd industrieel gebouw in het Duitse industriestadje Krefeld. Het gebouw werd ontworpen door architect George “Jörg” Bruggaier en wordt beschouwd als een architectonisch belangrijk voorbeeld van de Jugendstil. De fabriek, gebouwd tussen 1908 en 1910 werd gebruikt om het rioolwater van de hele stad Krefeld te zuiveren. Het is een van de laatst overgebleven zuiveringsinstallaties uit de begindagen van de stedelijke zuiveringssystemen in Duitsland. Tot 1962 werd de zuiveringsinstallatie gebruikt in de oorspronkelijke staat afvalwater. Vanaf dan tot 1996 werd ze – door de installatie van vijzels – nog uitsluitend voortgezet als pompstation. In 1996 werd het geheel vervangen door een aangrenzend nieuw gemaal. Naast de grote hal (hoofdgebouw), met onder meer twee rioolkanalen, een overloopkanaal en de halkraan, vind men er tevens het kalkgemaal (machinekamer) en het woonhuis van de bedrijfsleider (woonoppervlakte ca. 74 m² – gebouwd in 1921/1922 volgens de plannen van de architect Anton Rumpen). Het oorspronkelijke sluizenhuis, is vanwege riooltechnische redenen nog steeds in het bezit van het gemeentebedrijf Krefeld en dient vandaag als toegang tot de regenwateroverstroming.

Het oude zuiveringsstation werd gekocht door 4 vrienden, die er een nieuwe bestemming aan willen geven, met respect voor het historische en architecturale karakter van het pand. Om vandalen buiten te houden, werd het pand recentelijk beveiligd met camera’s en bewegingsmelders en kan het alleen nog legaal bezocht worden…

 

 

Zeche N4

In het steenkoolbekken in het Duitse Ruhrgebied zijn tal van Zeches te vinden. Veel van deze Zeches werden inmiddels afgebroken, maar deze is vrijwel volledig intact gebleven. Hij staat dan ook op de lijst van te bewaren industrieel erfgoed. Dit was de 4de schacht van een groter mijnbedrijf. De graafwerken begonnen er in 1959, maar het duurde nog 4 jaar voor de eerste steenkool werd gedolven. Eind 2001 werd de ontginning er stilgelegd. De mijn is nagenoeg volledig bewaard gebleven en is vooral een bezoek waard vanwege de uit 1962 daterende schachtbok, die aanzienlijk is in termen van ontwikkelingsgeschiedenis. De schachthal en het hijshuis vormen een functionele eenheid met het hijsframe en zijn het bewaren waard. Het schachtsysteem van deze Zeche is een van de meest opvallende schachtsystemen in het Rijnland vanwege het historische belang van de bewaarde steigers en de typische architectuur van de schachtgebouwen.

Bekijk ook de reeks over de schachten 1 en 2 van hetzelfde mijnbedrijf: Zeche N1

 

Chaudronnerie

Deze locatie kreeg de naam “Chaudronnerie” mee, omdat het bedrijf ketels maakte voor de nabijgelegen staalindustrie. Dit gebouw is echter slechts het administratieve gedeelte van de voormalige fabriek. Naar de aanwezigheid van de vele tekentafels te oordelen het gedeelte waar de ketels ontworpen werden. De werkplaats zelf is nog (of terug?) in gebruik. Hoewel het administratieve gebouw veel te lijden heeft gehad onder allerlei vormen van vandalisme tot zelfs brandstichting, konden we er toch nog enkele leuke shots maken…

 

Factory G

In een eerdere reportage liet ik je al kennis maken met het mooie Factory H, het jongere broertje van deze Factory G. Van de vier silogebouwen die hier te vinden zijn, is deze ongetwijfeld de mooiste en ook de meest interessante. Het is het oudste van de cluster en werd in 1895 gebouwd als een van de vroegste realisaties van Frans van Dijk, een Antwerpse architect, die later zijn stempel zou drukken op de architectuur in de stad.

Factory G is een graanmagazijn met een dubbele functie: stockage en beluchting. Het gebouw werd voorzien van twee kopgevels met twee torens, waarin via ‘jakobsladders’ (een verticaal transportsysteem met een omlopende band waarop een aaneengesloten reeks bakjes is gemonteerd) het graan omhoog getransporteerd werd. Eenmaal boven werd het graan via lopende banden naar de 144 verticale silo’s (karen) in het middengedeelte van het gebouw geleid. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog liep het gebouw aanzienlijke schade op. De herstelling ervan was een goede gelegenheid om een nieuwe en grotere distributieverdieping op te trekken. In deze open ruimte kwamen drie dubbele portaalbruggen van gewapend beton in functie van het horizontale transport. De silogebouwen werden in heel Europa bewonderd en geroemd omwille van de revolutionaire wijze waarop ze graan konden sorteren, behandelen en stockeren.

 

 

Trafilatura

Deze draadtrekkerij werd in 1951 opgericht als dochteronderneming van het staalbedrijf van Gustave Boël, dat zowel plaatstaal als walsdraad produceerde. Voor de oprichting van dit dochterbedrijf werd de walsdraad verkocht aan onafhankelijke draadtrekkerijen in binnen- en buitenland. De nieuwe onderneming stelde zich tot doel de traditionele draadproducten zoals blanke draad, verzinkte draad, draadnagels, prikkeldraad en afsluitingen te fabriceren en te ontwikkelen. De Europese draadmarkt kende een sterke groei en dit creëerde bijkomende exportmogelijkheden. In de daarop volgende jaren werd bouwstaal het grootste afzetproduct van de fabriek.

Geleidelijk aan veranderde de productie van geribde draad en bouwstaalmatten tot blinkende draad voor verchromen en vernikkelen. Er werd tevens geïnvesteerd in gloeiovens voor de productie van koudstuikdraad. Een overname in 1999 door een Zwitsers-Italiaanse groep, die eerder in aan- en verkoop gespecialiseerd was dan in productie, was het begin van het einde voor deze fabriek. Er volgen nog overnames en samenwerkingsverbanden, maar deze fabriek blijft functioneren als een afdeling van de staalfabriek waaruit ze ontstaan is. Na de sluiting van de staalfabriek begin 2013 gaan de zaken snel achteruit. In het najaar van 2018 valt na 67 jaar het doek over de draadtrekkerij.

 

 

Bleu Power Plant

Deze indrukwekkende energiecentrale maakt deel uit van een groter geheel, geconcentreerd rond een hoogovenbedrijf. Uit de staalproductie van de hoogoven ontstaat hoogovengas als nevenproduct. Dit gas kan in een ketel onder hoge druk/temperatuur (125 bar/560 °C) in combinatie met nafta en aardgas verbrand worden. De hierbij geproduceerde stoom wordt gebruikt om elektrische stroom op te wekken met behulp van condenserende stoomturbines. De centrale bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde gebouwen. In het achterliggende gebouw bevinden zich de boilers, waarin de stoom wordt opgewekt. Die stoom wordt vervolgens via een complex systeem van buizen getransporteerd naar het aanpalende gebouw waarin zich de turbines bevinden. In het boilerhuis, dat duidelijk verouderd is, is het verval zeer duidelijk zichtbaar. De turbinezaal is beter bewaard gebleven, wellicht omdat het gebouw nog steeds sterk beveiligd wordt. In de turbinezaal bevinden zich verschillende types turbines, met een vermogen variërend van 6,5 MW tot 75 MW. De oudste turbines zijn klassieke Ingersoll Rand turbines en een oude Oerlikon turbine; de nieuwere zijn vooral ACEC turbines en de grootste en nieuwste turbine is de blauwe turbine waar de locatie naar vernoemd werd. Dat is een Escher Wyss turbine. Om deze turbine aan te drijven, werd er een annex aan het boilerhuis gebouwd, met een eigen stoomketel die deze turbine kon aandrijven. Het geheel wordt aangestuurd vanuit de spectaculaire controlekamer.

 

 

Cooling Tower ‘Petite Maison’

Bij een elektriciteitscentrale hoort bijna traditioneel ook een koeltoren. Deze koeltoren hoort bij de Blue Power Plant, die zich aan de overzijde van de straat bevindt. Het is een kleiner model dan Cooling Tower IM, het exemplaar dat bij Power Plant IM behoort, maar de werking ervan is precies dezelfde. Alleen heeft deze een mysterieus klein huisje (petite maison) in het midden, waarvan niemand lijkt te weten wat de bedoeling ervan is. Het huisje is helemaal leeg en bevat dus geen enkele indicatie over de reden van zijn aanwezigheid op die plaats. Dat mysterie draagt ongetwijfeld bij aan de charme van de constructie. Een constructie die overigens niet zo makkelijk te betreden is. De buitentrap naar de toegangsdeur werd al enkele jaren geleden weggehaald. Wie de binnenzijde van de koeltoren en het mysterieuze kleine huisje wil bewonderen, heeft geen andere keuze dan te klimmen…

 

 

Chapelle de la Rose

Eind 13de eeuw werd in opdracht van een adellijke dame die hier woonde een “hospice” opgetrokken, die tegelijkertijd dienst deed als ziekenhuis en als klooster voor de zusters Augustinessen, die voor de verzorging van de zieken instonden. Behoudens een korte onderbreking ten tijde van de Franse Revolutie bleven ze dit doen tot het begin van de jaren 1980. Het ziekenhuis was inmiddels omgevormd tot een rust- en verzorgingstehuis. Na het vertrek van de zusters werd het rusthuis overgenomen door de plaatselijke overheid.

Pronkstuk van het klooster was deze laatgotische kapel, opgericht in het begin van de 17de eeuw, die lange tijd een bedevaartsoord vormde voor de genezing van intestinale aandoeningen. Bij een brand begin jaren 2000 werd een deel van het klooster vernield, maar de kapel bleef gelukkig gespaard. De kapel bestaat in zijn huidige toestand uit twee delen: de originele kapel, opgetrokken in laatgotische stijl uit baksteen en blauwe hardsteen. Een aanbouw in neoklassieke stijl, die dateert van halverwege de 19de eeuw, vormde een fysieke verbinding tussen de bestaande kapel en het ziekenhuis, om de patiënten de kans te geven de erediensten vanaf het balkon bij te wonen. Aan de achterkant van de kapel, aan de linkerkant, ziet men nog steeds de oude refter, eveneens opgetrokken in baksteen en blauwe steen met een prachtige vintage gevel uit het begin van de 17de eeuw. 

 

De gehele site werd in 2006 opgenomen op de beschermlijst van het Waals erfgoed en wordt momenteel omgevormd tot een nieuw gemeenschapscentrum. De kapel, die in 2011 gedesacraliseerd werd, zal omgevormd worden tot een bibliotheek, met aandacht en respect voor het historische en architecturale karakter.

 

 

Usine S

Schapenwol bevat veel onzuiverheden, zoals lanoline (wolvet) en suint (zweetwol). Van oudsher werd het wolwassen direct in de rivier gedaan door middel van alkalische en hete baden in kuipen en speciale machines. De lanoline, die onoplosbaar is in water, kon hiermee echter niet afgescheiden worden. In deze aan het begin van de 20ste eeuw opgerichte fabriek werd een nieuw, uit de Verenigde Stated overgewaaid procédé toegepast, dat bestond uit de behandeling van de vetwol met nafta of petroleumbenzine. Dit absoluut neutrale product tast de vezel van de wol immers niet aan en laat hem alleen het percentage vet achter dat nodig is om zijn natuurlijke soepelheid en elasticiteit te behouden. De nafta wordt naderhand door middel van verdamping uit de overgebleven wol verwijderd. Een ander interessant resultaat van de “solventage” was recuperatie van het uit de wol onttrokken vet: pure, volledig zuivere lanoline. Een van de verschillende toepassingen van uit wol onttrokken lanoline, was de vervaardiging van farmaceutische zeep en lanoline voor het onderhoud van huiden en vellen, maar het kan ook worden gebruikt bij de bereiding van oliën. vet, was, zalven, consistente vetten, enzovoort.

 

 

Mission to Mars

In een uithoek van een bijna 14 hectare groot kloosterpark bevinden zich deze bijzondere “koepelkassen”. Het kloosterpark zelf werd voor de eerste keer genoemd rond 1805. Het werd in die tijd aangelegd in de vorm van een Engelse tuin. Tot 2005 was het park in privébezit, waarna het werd gekocht door de stad, dat het als een openbare voorziening ter beschikking stelde van het publiek. Deze prachtige voormalige kloostertuin was jarenlang verloederd, omdat de nonnen alleen de meest noodzakelijke taken konden uitvoeren. Met de overname door de stad werd het park uit zijn slaap gewekt en werd de meer dan 200 jaar oude privétuin omgetoverd tot een park voor de bevolking. De vijvers werden ontgift, het kreupelhout werd uit het park verwijderd en alles werd schoongemaakt. Inmiddels werd het geheel opgenomen op de lijst van te beschermen erfgoed.

In 1987 werden deze spectaculaire koepelkassen opgericht. De koepels dienden daar als kassen om langdurig werklozen in de periode 1988-2004 in een opleidingskwekerij opnieuw perspectief op integratie op de arbeidsmarkt te bieden. Het ontwerp is terug te voeren naar de Amerikaanse ingenieur en filosoof Richard Buckminster Fuller. Hij experimenteerde voor NASA om de meest energetisch-synergetische vorm te vinden. Zijn paviljoen “Biosphère”, ontworpen voor de EXPO 1967 in Montreal, een enorme 62 meter hoge geodetische koepel werd wereldwijd bewonderd. Deze kassen zijn in feite verfijnde geometrische vormen, zogenaamde geodetische koepels. Het oppervlak bestaat uit een reeks alternerende hexagonale en vijfhoekige oppervlakken. Goed samengesteld, resulteren ze in bolvormige, zelfdragende gebouwen. Ze kunnen eindeloos met elkaar worden verbonden. Er werden 24 van dergelijke kassen gebouwd en gegroepeerd in verschillende “kogelfamilies”. De koepels zijn niet alleen zeer intelligente gebouwen, omdat ze zonder ondersteuning kunnen, ze trotseren ook optimaal weer en wind. De stad, als nieuwe eigenaar van het omliggende park, werkt momenteel in overleg met de particuliere eigenaar van de koepelkassen om het project opnieuw te openen als leerlocatie.

 

 

Bureau Central

Dit enorme pand behoorde toe aan het hoogovenbedrijf, dat meerdere vestigingen had in de streek. Over de geschiedenis van het gebouw zelf valt weinig informatie te rapen. Het oorspronkelijke gebouw werd opgericht in het laatste kwart van de 18de eeuw en kende enkele substantieve wijzigingen en uitbreidingen in de loop van de 19de en 20steeeuw. Het gebouw huisvestte het centrale bestuur en de administratie van het hoogovenbedrijf. Begin jaren 1980 werd het inmiddels verouderde gebouw verlaten en sedertdien is het verval er met rasse schreden vooruitgegaan, niettegenstaande de klassering ervan als erfgoed in 1987. Vooral de centrale hall met overwelfde lichtkoepel heeft sterk te lijden gehad van de elementen, die er vrij spel hebben. Het imposante gebouw, met lange, eindeloos lijkende gangen en diffuse lichtinval is een gedroomde locatie voor fotografen met een voorkeur voor verlaten en vervallen gebouwen. Op het domein bevond zich oorspronkelijk ook het kasteel van de adellijke familie die eigenaar was van het bedrijf, maar dat werd enkele jaren geleden al gesloopt. Het ziet er naar uit dat dit mooie kantoorgebouw hetzelfde lot zal ondergaan, als er niet snel werk gemaakt wordt van de renovatie ervan…

 

 

Mine des Grimpeurs

Dit mijnbedrijf, zoals vele in deze regio, maakte deel uit van het imperium van een adellijke familie, die vooral actief was in de staalindustrie. Die zelfde familie ontmoetten we al in een eerdere reeks over het administratief gebouw dat het centrale bestuur van het bedrijf huisvestte: Bureau Central.

Het eerste stuk steenkool in deze vestiging werd in juni 1856 gedolven, in een schacht op twee kilometer afstand van wat later het familie-hoofdkwartier zou worden wat de ontginning van steenkool betreft. Na deze ontdekking, stelde de raadgevend ingenieur van het bedrijf voor nieuwe onderzoeken in het gebied naar het zuiden uit te voeren om operaties uit te breiden, die tot dan omwille van de landsgrens beperkt waren tot het noorden. Verschillende schachten werden vervolgens gegraven tussen 1862 en 1889. De geproduceerde kolen werden voornamelijk gebruikt om de staalfabrieken van de familie af ​​te stoken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie in minder dan tien jaar verdrievoudigd. In 1946 was het bedrijf verbonden aan een openbaar bedrijf, als onderdeel van het nationalisatieproces van alle Franse kolenmijnen. Na 1960 werd de steenkoolindustrie echter hard getroffen. Het bedrijf moderniseerde noodgedwongen en investeringen gingen door tot 1986. De hoofdzetel stopte met activiteiten in 1986, maar een deel van de infrastructuur van de site bleef tot 1989 worden gebruikt voor andere schachten in dezelfde concessie die nog in bedrijf waren. De laatste put werd gesloten in 2001.

 

Pottery

De reputatie van het aardewerk dat hier geproduceerd werd is haast legendarisch. In de loop van de twee eeuwen dat dit familiebedrijf bestond, heeft het wereldwijd een schare trouwe bewonderaars gegenereerd. Het aanbod bestond uit allerlei stukken aardewerk, zoals serviesgoed, vazen en bloempotten, maar ook kunstobjecten, fresco’s en zelfs kachels. De fabriek werd opgericht in 1790, maar kampte aanvankelijk met grote problemen, waaronder moeilijkheden met de aanvoer van grondstoffen, maar ook vijandigheid en wantrouwen van de bevolking. Bovendien was de concurrentie van vooral Engelse producenten groot. Rond de eeuwwisseling werd de fabriek overgenomen door een inventieve jonge Duitser, die door het introduceren van nieuwe decoratietechnieken en het gebruik van de fijnste grondstoffen het tij al snel wist te keren. Napoleon werd een van de beste klanten, waardoor de orders al snel binnen stroomden en uitbreiding van het bedrijf zich opdrong. De huidige fabriek, waaronder ook deze opslagplaats voor mallen, dateert van deze periode van expansie tussen 1850 en 1860. Tijdens de glorieperiode bood het bedrijf werk aan ruim 3200 werknemers. Einde jaren 1970 markeerde een keerpunt. Het bedrijf was inmiddels overgenomen door een andere familie, die de productie van serviesgoed staakte om zich toe te spitsen op de productie van tegels voor wanden en vloeren. Begin jaren 2000 is het zakencijfer sterk gedaald en zijn er nog een 100-tal werknemers over die het bedrijf in leven proberen te houden. Nauwelijks 5 jaar later gaat het bedrijf alsnog in liquidatie. Kort erna spreekt de rechter het faillissement uit en valt het doek definitief over twee eeuwen industriële geschiedenis…

 

 

Ciné Théatre Varia

Ciné Théatre Varia (in de volksmond Ciné Varia) is een atypisch gebouw in de Belgische betongeschiedenis, een overblijfsel uit de gouden eeuw van de stille cinema. De Luikse architect Eugène Claes (1886-1947) ontwierp het gebouw in 1911, geïnspireerd door industriële tentoonstellingen en internationale evenementen, die tegelijkertijd plaatsvinden in de grote Belgische steden. Hij kiest resoluut voor de Art Nouveau, die op dat moment floreert in heel Europa. Hij gebruikt beton als decoratieve elementen voor de gevel, bestaande uit balken en kolommen met baksteenvulling en versierd met cementdecoraties. Echter, het auditorium, met een capaciteit van 1.100 toeschouwers is ontworpen in staal, Art Nouveau-stijl met een metalen frame om het geheel te bekronen. Uit brandveiligheidsoverwegingen bij het vertonen van films, wat toen gebeurde door middel van een procédé met brandbare hars (vandaar de naam “film flamme”), moest het ontwerp te elfder ure worden aangepast en werd het beton doorgetrokken naar het volledige ontwerp van het theater. De bouw werd voltooid in 1913, maar pas ingehuldigd in 1917. De Varia kan met trots terugblikken op beroemdheden zoals Bourvil, Adamo, Fernandel en Johny Halliday, die tijdens de gouden jaren 1950 en ’60 het podium bevolkten. In de jaren 1980 ging het echter zienderogen achteruit voor het eens zo populaire theater. Mede omwille van bezorgdheid omtrent de stabiliteit van het gebouw, valt het doek voor de Varia definitief in 1986. De gevel van het gebouw werd in 1992 geklasseerd als monument en staat momenteel ook nog steeds in de steigers voor renovatie. Voor de rest van het gebouw ziet de toekomst er minder rooskleurig uit. Dat deel is immers niet geklasseerd en schattingen voor de renovatie ervan lopen op tot maar liefst 5 miljoen euro… 

 

 

Prison H7

Prison H7 was het ‘cachot’ van een militair complex in een Belgische grootstad. De gebouwen werden opgericht in eclectische stijl tussen 1890 en 1905, op basis van een ontwerp door de architecten de Noyette en Geerling. De kazerne neemt alles bij elkaar een oppervlakte van ruim 2 hectaren in beslag en kon zo’n 1300 militairen kazerneren. Op 1 oktober 1907 nam het 2 Linie Regiment zijn intrek in de kazerne. Tijdens de beide wereldoorlogen werd de kazerne bezet door Duitse troepen. Na de bevrijding keerde het 2de Linie Regiment niet terug naar zijn kazerne. Vanaf 1955 werd de kazerne bemand door het Centrum van de Gezondheidsdienst. Het Opleidingscentrum verzorgde de opleiding van de officieren en de brancardiers van de Gezondheidsdienst. Naar aanleiding van herstructureringen van de krijgsmacht werden enkele gebouwen verkocht aan de stad, die er sinds 2007 het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in onderbracht. Andere delen van de kazerne zijn nog steeds eigendom van het Belgisch leger. Half maart 2019 begonnen de reconversiewerken die van de kazerne een duurzame stadsbuurt moeten maken, waar wonen, werken en recreatie elkaar ontmoeten.

 

 

Bernina’s Brother

Na een grote brand, die aan het einde van de 17de eeuw bijna 600 houten huizen verwoestte in het centrum van de stad, was dit prachtige herenhuis een van de zeldzame eerste stenen burgerlijke gebouwen van de stad. Het gebouw werd opgetrokken in Lodewijk XVI-stijl, een eerder sobere en symmetrische stijl, gekenmerkt door classicistische versieringen, zoals hier de houten dakkapellen en het driehoekige fronton. In de 19e eeuw vestigden de toenmalige eigenaars een katoenfabriek op de site, die dankzij een verstandig beheer en tijdige modernisering tijdens de Industriële revolutie uitgroeide tot een succesvol bedrijf. In het begin van de 20ste eeuw worden de gebouwen verkocht en herbestemd tot een vak- en ambachtschool die al snel van groot belang bleek te zijn voor de ontwikkeling van de textielindustrie van de stad. In 2008 trekken de laatste leerlingen weg uit deze historische gebouwen. Inmiddels werd het gehele complex verkocht aan een projectontwikkelaar, die er met respect voor de historische gebouwen een nieuw woonproject zal realiseren. Deze werken zijn momenteel volop aan de gang.

 

 

Brauerei Ibing

Friedrich en Richard Ibing werden geboren als de jongste zonen van een befaamd lakenmakersgeslacht, dat al ruim 200 in de textielindustrie actief was. De achteruitgang van deze industrie was echter al duidelijk in de 19e eeuw. De ambachtelijke bedrijven konden de concurrentie met de industrieel vervaardigde Engelse stoffen niet langer aan. Het is dus niet verwonderlijk dat men naar andere vormen van werkgelegenheid begon uit te kijken. In mei 1863 verwierven de broers Friedrich en Richard Ibing twee percelen van een voormalige steengroeve, waar ze hun activiteiten ontplooiden. Na zeven jaar moest het bedrijf worden uitgebreid, maar op deze locatie was dit niet mogelijk. In april 1870 werd een gebied van bijna 10.000 vierkante meter verworven, waarop een ruim nieuw gebouw werd opgericht. De brouwerij Ibing behoorde vanaf het begin tot de leidende Mülheim-brouwerijen. Ook buiten de grenzen van genoot de brouwerij bekendheid. Op de Wereldtentoonstelling in 1889 in Parijs kreeg het bier van de Ibing-brouwerij zelfs een gouden medaille. In 1892 overleed Friedrich Ibing op 58-jarige leeftijd aan een beroerte. Hugo Ibing, de oudste van de twee zonen van Friedrich Ibing, trad op 23-jarige leeftijd aan als gevolmachtigde in het beheer van de brouwerij en leidde bij zijn oom de business met veel succes. De brouwerij had aan het begin van de 20e eeuw een jaarlijkse brouwcapaciteit van 60.000 tot 65.000 hectoliter. Het aantal werknemers steeg van 30 in 1900 tot 62 in 1908. Erich Ibing, de laatste nazaat van de stichters, leidde de brouwerij slechts een korte tijd. In 1955 verkocht de familie Ibing het bedrijf. Ondanks alle garanties dat het niet de bedoeling was om de brouwerij te sluiten, werden in februari 1968, vijf jaar na het 100-jarig jubileum van de brouwerij, de fabriekspoorten voor altijd gesloten. Al meer dan 50 jaar werd het complex overgelaten aan het verval en zijn nu alleen nog de ruïnes zichtbaar.

 

 

Dead End Church

Over deze parochiekerk is weinig informatie te vinden. Het ontwerp van de kerk is van de hand van architect Hermann Wielers. De eerste steen werd gelegd in 1901 en de kerk werd ingewijd in 1904. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep ze aanzienlijke schade op en waren grondige herstelwerken noodzakelijk. Dit gebeurde onder de auspiciën van architekt Günter Settnik. Het is niet duidelijk wanneer de kerk in onbruik raakte. Op een bepaald moment werden er herstelwerken aangevat, maar het is duidelijk dat deze werken reeds geruime tijd zijn stilgevallen.

 

 

Zeche W

Aan het begin van de 20ste eeuw verwierf de Pruisische Staat een aantal grote velden in het noordelijke Ruhrgebied. AG Recklinghausen, waarvan het meerderheidsbelang in handen was van de staat, begon vanaf 1902 met het boren van de eerste putten. In 1910 ging de mijn in bedrijf. In 1912 werd bovendien een cokesfabriek in gebruik genomen. De mijn ontwikkelde zich economisch veelbelovend. Al in 1920 werd de limiet van 1 miljoen ton jaarproductie overschreden. Aan het einde van de jaren 1920 werd de mijn een eerste maal overgenomen en kwam zo in volle eigendom van Hibernia AG. Er volgden tal van uitbreidingen en moderniseringen aan het mijnbedrijf. 

De voortdurende oorlogsvoering zorgde ervoor dat het werk halverwege WOII tot stilstand kwam. Na de Tweede Wereldoorlog begon Hibernia AG met een uitgebreid moderniseringsprogramma, hetgeen in 1956 leidde tot de bouw van deze nieuwe centrale transportschacht, uitgerust met 2 volautomatische transporteurs. De betonnen hijstoren, gebouwd in 1960, werd in gebruik genomen in 1961. De uitgebreide rationaliseringsmaatregelen leidden tot een jaarlijkse productie ​​van meer dan 3 miljoen ton. Vanaf het einde van de jaren 1960 volgden er opnieuw enkele overnames en fusioneringen. Eind 2008 werd de kolenmijn gesloten met het ophalen van de laatste steenkool. De mijn is tot op de dag van vandaag volledig bewaard gebleven en werd door zelfs tot monument uitgeroepen.

 

 

Charlie’s Chapel

Deze eenbeukige, bakstenen kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën werd gebouwd in 1883 in neogotische stijl. Ze bevindt zich op het kasteeldomein van Chateau Jumanji en fungeerde als buurtkapel en vertrekpunt van de wijkprocessie. Het kapelletje bevat een driezijdig koor met beschilderd houten altaar met polychroom beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Achter het ijzeren afsluithek bevindt zich een schip met zitbankjes. Aan de wanden; witgeschilderde heiligenbeelden op barokke consoles met engelenfiguurtjes onder meer van de Heilige Jozef, Heilige Antonius en Heilige Margaretha. Hoewel het geklasseerd erfgoed is, verkeert het kapelletje in bijzonder lamentabele staat en zijn er ernstige scheuren in de muren en meerdere verzakkingen waarneembaar. Sinds de kapel werd opengebroken, is de toestand er alleen maar zienderogen op achteruit gegaan. Verscheidene beelden sneuvelden door vandalisme. In het kader van de renovatiewerken aan het kasteeltje, werd ook de kapel kort na dit bezoek weer grondig dichtgemaakt.

 

 

Pete’s Academy

De in 1982 in Ronse geboren graffiti-kunstenaar Pete One is al lang geen onbekende meer in de Belgische urbex-scene. In de westhoek waren in het verleden al tal van werken van zijn hand te bewonderen in verscheidene verlaten panden. “Pete’s School”, de oude, en inmiddels gesloopte verpleegsterschool in Ronse is wellicht één van de bekendste. Ook het inmiddels gerenoveerde “Petite Echelle”, een voormalige weverij en “Pete’s Hotel”, een eens luxueuze horecazaak zijn bekende “Pete One” ateliers.

In deze “Pete’s Academy”, een voormalig lager schooltje, treffen we ook weer enkele pareltjes aan in de herkenbare stijl van Pete One. Zoals steeds haalde hij ook voor deze werken zijn inspiratie in de Amerikaans popcultuur, met onder meer beelden van Kurt Cobain (Nirvana) en Chris Cornell (Soundgarden).

 

 

Usine Gonzo

Usine Gonzo maakt deel uit van een traditionele vlasroterij. De roterij werd opgericht aan het einde van de 19de eeuw en werd stelselmatig uitgebreid tot  de huidige site. De hele site wordt beschouwd als waardevol erfgoed, niet alleen vanwege de strategische ligging, maar ook omdat ze een van de best bewaarde roterijen van haar soort is. Er zijn typische rootputten, de stoommachines met bijhorende schoorsteen, een paar vlasschuren en een zwingelarij. De machinekamer bevat onder meer stoomketels en een uitzonderlijke stoommachine, de enige in zijn soort die nog in België te vinden is. De ketels werden aangestookt met ‘lermen’, de houtachtige kernen van de vlasstengels die tijdens het productieproces van de vlasvezels afgescheiden werden. De stookkosten konden hierdoor bijna tot nul herleid worden. Ook in deze roterij werd deze brandstof tot in de late jaren 1970 gebruikt. Eind jaren 1970 raakte het bedrijf in onbruik, maar het zou nog ruim 25 jaar duren vooraleer het geheel als industrieel erfgoed beschermd werd.

 

 

Filature Panier

Over deze verlaten fabriekssite kon ik niets meer achterhalen dan dat het een voormalige weverij is en dat ze later nog gebruikt werd door een bedrijf dat zich specialiseerde in het produceren van medisch verband. Sinds 2007 werden de fabrieksgebouwen verlaten en wacht het terrein op een herbestemming. Aangezien het hier niet gaat om waardevol industrieel erfgoed, is de kans groot dat het geheel gesloopt wordt om plaats te ruimen voor nieuwbouw woonprojecten…

 

 

Holy Nurse

Omstreeks 1850 kreeg de stad te kampen met miserabele hygiënische omstandigheden, ten gevolge van ondervoeding, slechte huisvesting en een gebrek aan zuiver drinkwater. Deze omstandigheden veroorzaakten allerlei ziektes, niet in het minst de cholera-epidemie die er in de helft van de 19de eeuw uitbrak. De stad koos voor een systematische aanpak van de problematiek om de stad te saneren. De bouw van dit ziekenhuis was daar een onderdeel van. Holy Nurse is het restant van dit stedelijk hospitaal. Het terrein waarop het gasthuis werd gebouwd, maakt in de 15de eeuw deel uit van het toenmalige paleis van Marghareta van York en werd in de 17de eeuw overgelaten aan de Jezuïeten. Architect Charles Drossaert kreeg de opdracht om het nieuwe ziekenhuis te bouwen. Hij koos voor een sober bakstenen gebouw met neoclassicistische inslag. De hoofdtoegang wordt geaccentueerd door een ruim voorplein dat oorspronkelijk via een ijzeren hekwerk van de straat afgesloten was. Centraal in de hoofdvleugel bevindt zich de gasthuiskapel. De kapel is een eclectisch bouwwerk met een zenitaal bovenlicht. Het bevat onder meer een barokaltaar met marmerschilderingen en een 17de-eeuwse kopie van de kruisafneming van A. Van Dyck. Op het doksaal staat een fraai orgel uit de 17de eeuw. Ten slotte beschikt de gasthuiskapel ook over een 17de-eeuwse biechtstoel.

 

Limestone Factory

De kalkovens markeren een keerpunt in de industriële geschiedenis van deze gemeente. Halverwege de 16de eeuw was er volgens de parochieregisters al sprake van een zekere industriële uitbating van de steengroeven. Midden jaren 1850 bouwde de gemeente een eerste oven. Bijna 25 jaar later werd een tweede oven gebouwd in opdracht van de exploitant van de eerste oven. Sinds 1890 wordt het bedrijf door dezelfde familie geëxploiteerd.  In samenwerking met een andere familie wordt een derde kalkoven gebouwd. Tegen de jaren 1920 werken deze drie ovens op volle capaciteit. Ze worden pas vijftig jaar later stopgezet. Een deel van de oude gebouwen is verlaten. Deze gebouwen behoren bij de oude smederij, waarin tegenwoordig een museum is ondergebracht.

 

 

Four de C.

Deze staalfabriek werd in 1853 gesticht. Toen de eigenaar omwille van de hoge financiële eisen voor de aanleg van een spoorlijn aan de rand van het faillissement stond, werd hij gered met de financiële hulp van een accountant binnen zijn bedrijf. Na de dood van de stichter in 1880 heeft hij het bedrijf nagelaten aan die accountant, die onder zijn naam het bedrijf groot maakte. Tegen 1897 had het bedrijf 1200 werknemers in dienst. Tegen 1913 beschikte het bedrijf over twee hoogovens, twee batterijen van 41 cokesovens; twee staalfabrieken, walserijen, smederijen, werkplaatsen enz. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek ontmanteld en gesloopt, maar vanaf 1919 werd ze heropgebouwd met nieuwe hoogovens en cokesovens met een productiecapaciteit van 200,00 ton ijzer per jaar. Tijdens het interbellum zouden er nog meer uitbreidingen aan de fabriek plaatsvinden. Het bedrijf bloeide tot in de jaren 1970, maar werd vanaf dan, net zoals andere staalindustrieën getroffen door de staalcrisis. Het aantal werknemers werd herleid tot één derde. Het bedrijf kende vanaf dan een opeenvolging van overnames en fusies. De huidige eigenaar, een Russische partner van de laatste overnemer, produceert er sinds 2016 warm en koudgewalst staal.

 

 

Institut de Pathologie

Door de toenemende studentenbevolking in de late jaren 1870 en de bij wet opgelegde verplichting om over voldoende ruimten voor practica en laboratoria te beschikken, voldeden de her en der verspreide gebouwen waar geneeskunde onderricht werd niet langer en diende zich de noodzaak aan om nieuwe, aangepaste gebouwen op te richten. Achter het reeds bestaande gasthuis werd door de universiteit een domein met tuin aangekocht van een adellijke familie. Dank zij een schenking van de ultramontaanse bisschop van Luik kon nog datzelfde jaar worden gestart met de opmaak van de plannen. Voor het ontwerp werd beroep gedaan op een jonge hoogleraar verbonden aan de Faculteit Toegepaste Wetenschappen. Kort daarop werd de bouwaanvraag door de stad goedgekeurd en nog geen jaar later, in 1877, werd het instituut met veel luister ingehuldigd. Het instituut werd opgetrokken in neogotische stijl en omvatte een auditorium voor 200 studenten met aanleunend een dissectiezaal en was via het binnengebied rechtstreeks verbonden met het meer noordoostelijk gelegen gasthuis. In de loop der jaren werd het complex nog uitgebreid met auditoria, laboratoria en dissectiezalen. Sinds enkele jaren staat het gebouw grotendeels leeg. Het pathologisch instituut is tot op heden nog deels in gebruik.

 

 

Blue Christ Church

Deze neogotische parochiekerk werd gebouwd in het begin van de jaren 1880. De bakstenen constructie werd opgericht onder de vorm van een kruisbasiliek (een kruiskerk die is opgezet als basiliek, hetgeen betekent dat het kerkgebouw zijbeuken heeft die lager zijn dan de middenbeuk en dat de middenbeuk boven de zijbeuken is voorzien van een rij vensters). Ook het interieur van de kerk was neogotisch en bevatte onder meer een 16de eeuws hardstenen doopvont in gotische stijl. Van de oorspronkelijke pracht en praal is vandaag nog maar weinig overgebleven. Pogingen om de kerk te restaureren draaiden op niets uit. In 2015 werden nog de orgelpijpen van het kostbare 16de eeuwse orgel afgezaagd om de verkopen als oud ijzer…

 

 

Courthouse

Nadat aan het einde van de Eerste Wereldoorlog het oude gerechtshof volledig afbrandde, diende zich de noodzaak aan om een nieuw gerechtshof te bouwen. Het duurde nog tot halverwege de jaren 1920 voor er concrete plannen kwamen voor de nieuwbouw. Het stadsbestuur schreef een wedstrijd uit, waarbij de Brusselse architect Jerôme Vermeersch als winnaar uit de bus kwam. In 1934 mag Vermeersch starten met de bouw van het gerechtshof, maar omwille van financiële overwegingen moet hij het ontwerp wel “soberder” uitvoeren dan oorspronkelijk voorzien was. De geplande hoektoren wordt kleiner uitgevoerd en voorzien van een peervormige spits. Voor het interieur koos Vermeersch resoluut voor de art decostijl. Het gebouw wordt voltooid en in gebruik genomen in 1936. Het gerechtshof werd na verloop van tijd te klein en nadat het in 2008 geklasseerd werd als monument, werd er begonnen aan de bouw van een nieuw gerechtshof op een andere locatie. In 2011 werd het oude gerechtshof verlaten. Inmiddels werd het verkocht aan een projectontwikkelaar, die er – rekening houdend met de erfgoedwaarde – een nieuw woonproject in zal realiseren.

 

 

Chateau Lumière

Chateau Lumière werd tussen 1900 en 1903 gebouwd door de familie Burrus, die haar fortuin had gemaakt in de tabaksindustrie. De familie Burrus onderscheidde zich op tal van vlakken, waaronder niet in het minst de liefdadige werken ten voordele van de gemeenschap waarin zij leefden, zoals de bouw van een voetbalstadion, een zwembad en tehuizen voor ouderen. De werknemers van de tabaksfabriek kregen veel meer “voordelen” dan de wet in die tijd oplegde, zoals verzekering en pensioen.

Het chateau werd ontworpen door de Straatsburgse architecten Gottfried Julius Berninger and Gustave Henri Krafft in de neobarokke stijl, die aan het einde van de 19de en begin 20ste eeuw populair is in Frankrijk. De neobarok, net zoals de barok, typeert zich door het rijke en weelderige materiaalgebruik, de symmetrie en het veelvuldig gebruik van versieringen en complexe patronen, die onder meer zichtbaar zijn in de smeedijzeren hekwerken rond het domein en de smeedijzeren trapleuningen.

Kort na het voltooien van het chateau overlijdt de bouwheer en neemt diens zoon Maurice Burrus zijn intrek in het gebouw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog weigerde Maurice Burrus de Duitse troepen te voorzien van tabak en moest hij op de vlucht naar Zwitserland.  Het chateau werd in beslag genomen om onderdak te bieden aan Duitse officieren. Na de oorlog neemt de inmiddels als oorlogsheld gedecoreerde Maurice de leiding over van de tabaksfabriek en groeit in toenemende mate uit tot een invloedrijke figuur op industrieel, financieel en politiek vlak. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog moest hij vluchten, dit keer naar zijn eigendom in de Pyreneeën. Ook dit keer werd zijn chateau opgevorderd door het Duitse leger en werd het omgevormd tot een trainingscentrum voor gewonde Duitse officieren. Na WO II trok hij zich terug in Genève. Chateau Lumière werd in eerste instantie verkocht aan een religieuze orde, maar werd later verkocht aan een private eigenaar. In 1993 werd het chateau beschermd als monument, maar aangezien het onbewoond was, werd het al snel het voorwerp van vernielingen door vandalen. Tegenwoordig blijft er nog maar bitter weinig over van het ooit zo luisterrijke chateau…

 

 

Chateau Vignes Vertes

Het kasteel, waarvan de architect niet bekend is, werd gebouwd omstreeks 1830 op de plaats waar zich voordien een versterkte vesting bevond. Die vesting werd afgebroken, maar de slotgrachten bleven in eerste instantie bewaard. Later werden ook de slotgrachten gedempt om er tuinen aan te leggen. Het in neo-klassieke stijl opgetrokken kasteel, met tal van verwijzingen naar de Italiaanse architectuur, heeft een H-vormige plattegrond: een centraal gedeelte, met aan weerszijden een dwarsvleugel die er op aansluit. Het opmerkelijke interieur weerspiegelt de overgang van de neoklassieke geest naar eclecticisme onder de juli-monarchie. Verscheidene kamers werden ingericht met Parijse meubels en gordijnen uit 1830, met een nep-hout en faux-marmer decor, beschilderde plafonds van het Pompeius of antieke type. Muren bedekt met behang uit het huis Dufour. Het geheel werd beschermd als erfgoed in 2000.

 

 

Therme Bleu

Al in de Gallo-Romeinse tijd was hier een spa. Dankzij een roman waarin de schoonheid van een herderin wordt toegeschreven aan de kwaliteit van de wateren van dit dorp, komt het stadje plots in het middelpunt van de belangstelling. In 1845 wordt dit prachtige kuuroord geopend. Het heeft een uitstekende reputatie tot het einde van de 19de eeuw, maar stort rond de eeuwwisseling zonder duidelijke reden in. Bijna 100 jaar later wordt op dezelfde plek geprobeerd om het eens beroemde bronwater te bottelen en te verkopen als een topproduct, gericht op de rijke klantenkring van luxe hotels en restaurants van het Arabische schiereiland. Het project blijkt echter een commercieel falen te zijn en het bedrijf sluit uiteindelijk in 2014…

 

 

Chateau des Fantômes

Aan de poorten van de Bourgogne, midden in het Pays de Bresse, op de top van deze beboste heuvel, torent het statige Chateau des Fantômes boven de vallei uit. De grondvesten van het kasteel gaan al terug tot de tweede helft van de 13de eeuw, maar het is pas bij de overgang naar de 15de eeuw dat van het geheel een versterkte vesting wordt gemaakt. In de 19de eeuw worden er nog verbouwingen en uitbreidingen uitgevoerd aan het kasteel, maar sinds de jaren 1990 werd het kasteel verlaten en raakte het snel in verval. De familie die vandaag eigenaar is van het goed, lijkt niet geneigd te zijn om het gebouw tegen verder verval te beschermen. Dit prachtige sprookjesachtige kasteel zou wel eens hetzelfde lot kunnen ondergaan als het inmiddels verdwenen Chateau Miranda…

 

 

 

Val Benoit

De universiteitssite van Val Benoit is een architecturaal geheel in modernistische stijl, dat zijn naam dankt aan het feit dat op deze plaats ooit een abdij van de orde der cisterciënzers gevestigd was, die er gesticht werd in de 13de eeuw. Ingevolge de Luikse Revolutie werd ze gedeeltelijk gesloopt. Gedurende te Tweede Wereldoorlog werd wat er nog van overbleef verwoest door bombardementen. Tussen 1930 en 1965 ontwikkelde de universiteit van Luik, op zoek naar uitbreidingsmogelijkheden voor de toename aan studenten, er een aantal faculteiten, waaronder dit instituut voor toegepaste chemie en metallurgie. Het gebouw werd in 1937 in aanwezigheid van Leopold III ingehuldigd. Vanaf 1967 week de universiteit stelselmatig uit naar de nieuwe, centrale site in Sart-Tilman. Vanaf 2006 werd de campus Val Benoit volledig verlaten. Sinds 2013 zijn er werken aan de gang om de volledige campus te rehabiliteren. Een deel zal door bedrijven worden ingenomen en een ander deel zal omgevormd worden tot studentenkamers.

 

 

Police Academy

Police Academy, zo genoemd omwille van de ligging ervan achter de kantoren van de lokale politiezone, is een afdeling van het Heilig-Hartcollege van Heist-op-den-Berg. De 1,44 ha grote site bevindt zich op het hoogste punt van de gemeente, achter het klooster van de Zusters Annonciaden, die de school in 1919 stichtten. Het schoolcomplex werd er opgericht in de jaren 1940. Het complex werd verkocht aan een projectontwikkelaar, die er 4,7 miljoen euro voor neertelde, om er plaats re ruimen voor de bouw van 85 nieuwbouwappartementen. De sloopwerken werden aangevat eind 2018…

 

 

Crypte L

Al in 1870 ontstond het plan voor de aanleg van dit netwerk van ondergrondse grafgalerijen. Voor de bedenker van het plan was het niet alleen een prestigeproject, maar bood het meteen ook een hygiënische oplossing voor het plaatsgebrek op de begraafplaatsen in en rond de grote stad. Grafgalerijen waren op dat moment nog een nieuwigheid in Noord-Europa. Zes jaar later werd begonnen met de bouw van de galerijen. De eerste galerij was 31 meter lang en werd in 1878 in gebruik genomen. Dat jaar werden meteen nog zes nieuwe galerijen gebouwd en pas rond 1890 werd het eerste gangenstelsel afgesloten. Het meest recente deel werd beëindigd in 1935. Het oudste deel is in neoklassieke stijl opgetrokken, de laatste galerijen in art-decostijl. De ondergrondse gangen, waarvan de langste zich uitstrekt over een lengte van driehonderd meter, zijn alles bij elkaar meer dan een kilometer lang en bieden ruimte aan meer dan vierduizend grafnissen. De meest in het oog springende ondergrondse grafnissen, hebben een bovengronds gekoppeld grafmonument. De pracht en praal tonen aan dat deze ondergrondse grafkelders vooral bestemd waren voor de rijke en machtige families in de stad. Vele bekende figuren vonden er een laatste rustplaats… Het geheel werd de afgelopen gerestaureerd, na jarenlange verwaarlozing.

 


 

Slaughterhouse

Dit voormalige stedelijke slachthuis werd in de jaren 1960 opgericht, maar werd einde jaren 1990 verkocht aan een private ondernemer. De aanvoer van varkens in vrachtwagens, zowel overdag als ’s nachts, en de vaak niet te harden geurhinder veroorzaakten een hoop wrevel bij de buurtbewoners. Uiteindelijk werd met de stad overeengekomen dat de activiteiten er eind 2015 zouden worden stopgezet. Omwille van protesten omtrent de nieuwe locatie, liep de stopzetting van de activiteiten vertraging op en werden er nog varkens geslacht tot eind 2016. Sinds begin 2017 werd de site verlaten in afwachting van de sloop en de komst van een nieuwbouwproject.

Een groot deel van de charme van urban exploring bestaat erin dat je op verlaten plekken komt en je fantasie de vrije loop kan laten over hoe er daar vroeger geleefd en gewerkt werd. Bij deze locatie was dat een behoorlijk confronterende ervaring… De confrontatie met het feit dat wij als mens niet meer waarde hechten aan een levend wezen dan het zonder veel plichtplegingen reduceren ervan tot een louter consumptieartikel. Een kille, donkere en troosteloze plek, die om die reden een diepe indruk op me gemaakt heeft…

 

 

ECVB

De industriële ontwikkeling van Gent is in belangrijke mate schatplichtig aan de uit Everberg afkomstige baron Floris van Loo, die vanaf het einde van de 19de eeuw pogingen ondernam om de regio te elektrificeren. Die pogingen resulteerden in 1911 in de oprichting van de “Centrales Electrique des Flandres et du Brabant” (Elektrische Centralen van Vlaanderen en Brabant). Nauwelijks twee jaar later werd van start gegaan met de bouw van de thermische centrale Langerbrugge, op de westelijke oever van het kanaal Gent-Terneuzen. Deze energiecentrale vormde de grondslag voor de industriële ontwikkeling van de zone. Architect Eugène Dhuicque ontwierp het gebouw in een decoratieve baksteenstijl. De centrale werd aan het begin van WOI in gebruik genomen, maar liep aan het einde van de oorlog zware schade op. Niet zozeer aan de gebouwen, dan wel aan de installaties. De centrale zou zich in de loop van de 20ste eeuw verder ontwikkelen en uitbreiden. Vanaf het einde van de jaren ’80 werd de productie stelselmatig afgebouwd, tot ze in 2010 volledig werd stilgelegd. Er werd nog een tijd lang een “Museum Energeia” uitgebaat in de oudste gebouwen, maar in 2000 besliste Electrabel (de opvolger van ECVB) om niet langer in het museum te investeren. Het complex werd beschermd als industrieel erfgoed in 1999. Het oorspronkelijke beschermingsbesluit werd door de Raad van State tenietgedaan in 2009, maar werd hernomen in 2013. die bescherming weerhield koperdieven er niet van om met grote hoeveelheden koper aan de haal te gaan en een enorme ravage achter te laten. Ondertussen zijn de oudste delen van het complex gereduceerd tot een leeg omhulsel, waarin alleen nog een oude stoomturbine van de ‘Société Rateau’ en de ‘Ateliers de Construction la Meuse’ achterbleef…

 

 

Town Mansion

Het imposante Town Mansion werd gebouwd in 1912 in opdracht van de zoon van een Duitse ondernemer, die sinds het midden van de 19de eeuw in Antwerpen gevestigd was en er een van de oprichters was van wat later de transatlantische rederij Red Star Line zou worden. De oorspronkelijke bouwheer bewoonde het herenhuis, met zijn vrouw en twee zonen, tot zijn overlijden in 1937. Het herenhuis in eclectische stijl met neo-Lodewijk XVI-inslag behoort tot het latere oeuvre van de architect, die tijdens de eerste decennia van zijn loopbaan een groot aantal voorname burgerhuizen in eclectische en neo-Vlaamse Renaissance-stijl bouwde in Antwerpen, maar zich later toespitste op industriële architectuur. Na de dood van de oorspronkelijke bewoner, werd het goed verkocht aan een groot gezin, verwant aan een belangrijke reder in de binnenschipvaart. Uit zijn periode stammen tal van aanpassingen en verfraaiingen aan het huis, zoals de de figuratieve glas-in-loodramen , de lambrisering en het goudleer in de achterste salon en in de grote salon de kamerbrede figuratieve fries met klassieke thema’s en taferelen die verwijzen naar zijn handelsactiviteiten in de scheepvaart. Na de dood van de heer des huizes in 1961 bleef zijn weduwe nog tot 1963 wonen in het herenhuis, waarna het pand in handen kwam van de Belgische Staat. Het waardevolle meubilair van dit gebouw, dat vaak onlosmakelijk verbonden is met de muurvaste decoratie (wandtapijten, ingewerkt in de lambriseringen, schilderingen op de schoorsteenmantels, en zo meer) is eigendom van het provinciebestuur en wordt al jarenlang bewaard in depot. Het was de bedoeling er de officiële residentie van de gouverneur in onder te brengen, doch gezien grote renovatiekosten die de herbestemming zou meebrengen is dit nooit gebeurd. Sinds het begin van de jaren 1990 staat het gebouw leeg, met verscheidene kraken tot gevolg. In het voorjaar van 2018 werd het goed verkocht aan een private eigenaar, die zelf anoniem wenst te blijven. 

 

 

Fondatel

Deze ijzergieterij stond voor de sloop van de site bekend als “Usine H”. Fondatel vestigde zich aan het einde van de negentiende eeuw vlakbij het station van Herne. Het bedrijf was vooral actief was in de wegenissector en produceerde onder meer straatkolken en riooldeksels. Op haar hoogtepunt stelde het bedrijf meer dan honderd mensen uit de regio te werk. Na aanhoudende klachten van buurtbewoners over geur- en lawaaihinder besloot het bedrijf haar activiteiten te verhuizen naar Andenne, waar zusterbedrijf Fonderies Lecompte gevestigd is. De site in Herne kwam daardoor leeg te staan.

De gemeente Herne liet een ruimtelijk uitvoeringsplan opmaken om de terreinen te kunnen herbestemmen. Vanaf einde 2019 werden de bedrijfsgebouwen gesloopt. De vrijgekomen ruimte zal gebruikt worden om er een nieuwe woonwijk met 98 woningen te vestigen… Alweer een stukje Vlaams industrieel erfgoed wordt hiermee definitief van de kaart geveegd.

Ten tijde van mijn bezoek in het najaar van 2018 waren de gebouwen al grotendeels ontruimd. De halvelings lege loodsen konden toch nog model staan voor enkele leuke shots.