verlaten

image_pdfimage_print

Jungle Ambulance

Ik blijf nog even in de categorie “transport” met deze oude, vervallen ziekenwagen. Veel kan ik er niet over vertellen, vrees ik. Mijn eerste indruk is dat het gaat om een legervoertuig van de jaren 1950. Merk en model kon ik niet achterhalen. Het gevaarte staat opgesteld in een stuk bos, dat aansluit op de achtertuinen van de omliggende villa’s. Het ziet er niet naar uit dat hij nog te redden is. De kans is dus reëel dat dit prachtige stukje militaire geschiedenis mettertijd bij het schroot belandt…

Ik hoorde vooraf verhalen van mensen die een lange tijd hadden moeten zoeken, vooraleer ze de ziekenwagen konden vinden in het bos. Ik had waarschijnlijk geluk, want ik liep er meteen op af.

 

 

Volvo Paradise

Ik blijf nog even in de Volvo’s. Na de reeks over de Volvo Workshop van een maand geleden, kwam ik in dit stukje Ardennen opnieuw een collectie Volvo’s tegen. Deze klassiekers staan in een stukje bos achter een autohandel. De zaak is gespecialiseerd in de restauratie van oldtimers. In de toonzaal staat een volledig gerestaureerd exemplaar van de Volvo PV540 van 1963. In het bosje staan er twee naast elkaar. Deze twee exemplaren dienden wellicht voor het recupereren van onderdelen.

Verder staat er ook nog een mooie Volvo P1800S. Nu ja, mooi geweest… Die dateert wellicht ook van ergens halverwege de jaren 1960. De rest van de auto’s die er nog staan, zijn van latere datum. Uiteraard mag in de collectie geen exemplaar van de DAF ontbreken. Volvo nam de tak personenwagens van dit merk over in 1974 en integreerde het in de eigen collectie.

Voor de liefhebbers van klassieke auto’s is dit een erg leuke ontdekking.

 

 

Atelier Central

We treffen ze graag aan, de kunstwerken van Klaas Van der Linden. Deze keer deed hij zijn ding in een verlaten werkplaats van de Belgische spoorwegmaatschappij. Het oudste deel van dit reparatie-atelier werd opgericht in de jaren 1880. Aanvankelijk stond het in voor de herstelling van stoomlocomotieven en goederenwagens. Later evolueerde die opdracht naar nazicht en herstellingswerk van verscheidene types van goederenwagens. Soms bouwde men er zelfs volledige nieuwe wagens. Een bijkomende functie bestond uit de fabricage, opslag en verdeling van allerlei wisselstukken.

In de loop van 2019 werden de werkplaatsen volledig verlaten. De stad onderhandelt momenteel met de spoorwegmaatschappij over de aankoop van de gronden. De bedoeling is om op het 12 hectare grote terrein een nieuw stadsontwikkelingsproject te realiseren.

Ondertussen zijn de gebouwen grotendeels leeggemaakt, op enkele machines na. Een blank canvas dus voor vele knoeiers, gewapend met verfbussen. Maar gelukkig ook voor de sporadische graffitikunstenaar, zoals Klaas Van der Linden. Hij liet er enkele van zijn inmiddels gekende skeletten achter. Enkele nonchalant achtergelaten locomotieven zou leuk geweest zijn. Maar zelfs leeg blijven de gigantische loodsen erg indrukwekkend.

Meer werken van Klaas Van der Linden vind je in de reeksen ‘Filature Nouvelle Orleans‘ en ‘Skeleton Factory‘.

 

Volvo Workshop

In deze loods staan acht vintage Volvo’s stof te verzamelen. De twee meest opmerkelijke modellen in de collectie, zijn twee Volvo’s P1200/P120 Amazon. De Zweedse autobouwer produceerde dit model van 1957 tot 1967. Even later bracht Volvo eenzelfde model in tweedeurs versie uit, dat een aanzienlijke grotere populariteit genoot omwille van de “sportievere” look en feel. De Amazon was het eerste model dat Volvo op de markt bracht met een ponton-carrosserie.

De andere auto’s in de loods zijn jongere exemplaren. Het zijn veelal stationwagens van de jaren 1980.

De loods is niet ingericht als een professionele garage, hetgeen laat vermoeden dat de eigenaar een amateur garagist is met een voorliefde voor klassieke Volvo’s.

 

 

 

Black Gold

Aan het begin van de twintigste eeuw werden in dit gebied op verschillende plaatsen proefboringen uitgevoerd. Al snel bleek een rijkelijke aanwezigheid van steenkool in de bodem. Enkele jaren later werd er een concessie verleend voor de ontginning van een gebied van ruim 5000 hectare. Mede door de Eerste Wereldoorlog duurde het nog tot begin jaren 1920 vooraleer er effectief steenkool werd gedolven. Tijdens het piekjaar, halverwege de jaren 1950, haalden 6.800 mijnwerkers bijna 800.000 ton steenkool naar boven. In de loop van de uitbating werd er in totaal bijna 80 miljoen ton steenkool gedolven. Hoewel slechts een klein deel van de steenkoollagen werd ontgonnen, staakte de mijn haar activiteiten einde jaren 1980.

In dit gebouw, de kolenzeverij en -wasserij werd de belangrijkste bovengrondse mijnactiviteit uitgevoerd: het triëren van de kolen van het steenpuin en het wassen van de kolen voor de verkoop. Het gebouw werd opgericht begin jaren 1920 en werd meermaals uitgebreid, tot het een dagcapaciteit had van 7.500 ton. De tien verdiepingen tellende, monolitische kolenwasserij is één van de weinige bewaarde exemplaren in West-Europa. Ze werd om die reden beschermd als monument. Dit wordt echter betwist door de eigenaar, die al meerdere pogingen ondernam om een vergunning te krijgen om het gebouw te slopen, hetgeen hem tot nu toe gelukkig nog niet gelukt is…

 

 

Old & Rusty

Ergens een oude auto aantreffen, maakt de dag altijd goed. Vooral wanneer het zo’n mooie oldtimer is. Dit oude karretje, staat ergens eenzaam achtergelaten op een bospaadje weg te roesten… Hoe, wat, wanneer, waarom? Geen idee… Dit valt niet sensu stricto onder urbex. Het domein waar het wagentje staat, is immers niet verlaten. Gelukkig ben ik geen aanhanger van de “enge” definitie van urbex.

De auto in kwestie is een Peugeot 201 Torpédo Commercial van 1930. De Peugeot 201, het eerste model van Peugeot met 3 cijfers met 0 in het midden, werd gelanceerd op het autosalon van 1929. Het publiek was meteen gewonnen. De receptie overtrof alle verwachtingen van Peugeot. Op 1 maart 1930 waren er al 5.000 bestellingen geregistreerd en de productiesnelheid bleef stijgen. Dankzij de Peugeot 201 heeft Peugeot de status van kleine industrieel achter zich kunnen laten en is dankzij deze auto uitgegroeid tot een van de belangrijkste spelers in de autowereld.

 

 

Robots Factory

Dit Oostenrijks bedrijf produceert niet-vervangbare vuurvaste materialen voor alle industriële bak- en smeltprocessen. De hoofdzetel van het bedrijf was gevestigd in Wenen. De firma had wereldwijd 7.900 mensen in dienst op ongeveer 30 productielocaties en meer dan 70 verkooplocaties. Wij bezochten echter deze Duitse vestiging, waar voornamelijk magnesia-koolstofstenen voor de staalindustrie gemaakt werden. Vanwege de crisis in de Europese staalindustrie werd in 2013 de Duitse locatie gesloten. 122 medewerkers kwamen op straat te staan. Momenteel zijn de sloopwerkzaamheden er volop aan de gang.

De fabriek is behoorlijk uitgebreid en beslaat verschillende productiehallen. Meestal zie je van deze locatie enkel de hal met de “robots”. Aangezien het onze enige locatie was die dag, namen we uitgebreid de tijd om ook de andere gebouwen te verkennen. We troffen ook in die andere gebouwen enkele mooie en fotowaardige hoekjes aan.

 

 

Laundry Baskets

de laatste reeks van een korte roadtrip door het zuidoosten van Duitsland, de voormalige DDR. Een voormalige industriële wasserij, waar ik verder geen informatie over vond. De naam “laundry baskets” verwijst naar de achtergelaten wasmandjes (eerste foto). Eén van de bitter weinige items in de fabriek die nog verwijst naar de bedrijvigheid die er ooit plaats vond. Ook de oude, verroeste strijkrol herinnert nog aan de wasserij.

Voor de rest waren de gebouwen hetzij leeg, hetzij volgepakt met achtergelaten rommel. Veel decay, maar jammer genoeg ook erg veel vandalisme. Niet verwonderlijk, aangezien het terrein niet eens afgesloten is. Toch nog enkele leuke shots kunnen maken.

 

 

Industrial Wanderer

Een van de belangrijkste industriële monumenten van deze Saksische metropool is deze in 1885 opgerichte fabriek. Honderd jaar geleden huisde hier een van de grootste autofabrikanten in Duitsland. De fabriek produceerde niet alleen auto’s, maar ook fietsen en motorfietsen. Na de Tweede Wereldoorlog ging de autoproductie verder onder de naam AUDI in een nabijgelegen stadje.

In deze fabriek werden vanaf dan de machines gedemonteerd als onderdeel van het herstelwerk en naar de Sovjet-Unie gebracht. Vanaf de jaren 1950 werden hier onder andere kantoormachines, vliegtuigmotoren en hydraulische pompen geproduceerd.

Vandaag blijven alleen de mooie, lege industriehallen staan, zoals deze industriële balzaal, ooit de krachtcentrale van de fabriek. Het ziet er jammer genoeg naar uit dat het gebouw wacht op de definitieve sloop…

 

 

 

Puppen Fabrik

Deze verlaten fabriek kreeg de naam “Puppen Fabrik”, omwille van de grote hoeveelheid plastic poppetjes die er te vinden waren. Nochtans was dat niet wat er in deze als sinds halverwege de jaren 1990 leegstaande fabriek geproduceerd werd. Hoewel informatie zeer schaars te vinden is, kon ik achterhalen dat de fabriek werd opgericht in 1969 en dat het in feite om een inktfabriek gaat…

Einde 2019 werd de stad slachtoffer van een pyromaan, die het blijkbaar op leegstaande panden gemunt had. Ook deze fabriek ontsnapte niet aan de waanzin van de pyromaan. De berichtgeving naar aanleiding van de brand vermeldde dat de fabriek nagenoeg volledig afgebrand was. De schade bleek echter tot het voorste deel van het gebouw beperkt te zijn gebleven. Er waren nog enkele zeer mooie stukken te zien en te fotograferen…

 

 

Villa Guano

Over de achtergond van deze statige villa valt jammer genoeg niets te achterhalen. Er werd ooit aanstalten gemaakt om ze te renoveren, maar om een of andere reden werd die renovatie stilgelegd. Het gebouw was inmiddels gestript tot op de ruwbouw. Vrijwel alle kamers van de villa zijn leeg. Hier en daar slingeren nog wat nonchalant achtergelaten werktuigen rond, die herinneren aan de renovatie. Zelfs de kelders waren helemaal leeg. Weinig interessants om te fotograferen dus…

Het enige onderdeel van de villa dat nog klaar en duidelijk herinnert aan de vergane glorie die achter de imposante gevels schuilgaat, is de inkompartij en de trappenhal. Maar wàt een trappenhal! Die maakten het bezoekje dan toch weer goed.

 

 

Kulturhaus am Kristalsee

De warmwaterbron waarrond dit kuuroord gebouwd werd, werd al ontdekt in de middeleeuwen, vermoedelijk tijdens mijnbouwwerkzaamheden. Ze is nu de oudste en warmste thermale bron in de streek en wordt nog steeds gebruikt voor balneologische doeleinden.

Dit gebouw, het zogenaamde “Kulturhaus” maakte deel uit van een groter geheel. In dit gedeelte van het kuuroord werden onder meer een grote evenementenhal, een wintertuin en ruim 100 gastenkamers ondergebracht. De bouwwerkzaamheden voor de oprichting van dit gebouw startten in 1951 en werden pas volledig voltooid in 1954. Het gebouw werd echter al officieel geopend in 1953.

Inmiddels staat het gebouw al van kort na de eeuwwisseling leeg. De ruim 15 jaren van leegstand hebben al duidelijke sporen nagelaten. Een renovatie dringt zich op om het inmiddels geklasseerde gebouw te beschermen van verdere verloedering. De enige potentiële koper tot nu toe, een investeerder, haakte af . Hij wou van het gebouw een revalidatiecentrum voor sportgeneeskunde maken, maar kreeg het plaatje niet financieel rond. Het gebouw staat te koop voor € 680.000. De stad legt echter strenge normen op met de bedoeling de bouwstructuur en het interieur grotendeels te behouden. Dit schrikt mogelijke investeerders uiteraard af.

 

 

Rittergut V

Dit verlaten herenhuis werd gebouwd omstreeks 1895 in opdracht van de eigenaar van een nabij gelegen weverij. Het oorspronkelijk als zomerresidentie opgerichte landhuis diende in de loop van de geschiedenis verschillende doeleinden. Ten tijde van het Derde Rijk was het bijvoorbeeld een Reichsarbeitskamp. Na de oorlog werd het kasteel omgevormd tot een school voor de opleiding van rechters en nog later werd er een “pioniersschool voor leiderschap” in ondergebracht.

In 2018 viel het prachtige gebouw ten prooi aan de vlammen nadat er brand gesticht werd. Het volledige dak werd verwoest. De traphal met het blauwe stucwerk plafond, waar het gebouw om bekend staat, bleef gelukkig gespaard. Inmiddels werd ook het glas-in-loodraam in dezelfde traphal door onverlaten gestolen.

 

 

Last Ride

Tijdens een roadtrip door het oosten van Duitsland kwamen we langs een veelbelovend uitziende industriële site. De loodsen op deze site bleken overwegend leeg te zijn. Eentje ervan leek zelfs nog halvelings in gebruik. Men was er alleszins bezig de terreinen op te ruimen.

In het garagegedeelte van een van die loodsen staat deze prachtige oude lijkkoets. Terwijl de rest van het gebouw compleet gevandaliseerd werd, bleef deze lijkkoets als bij wonder gespaard… Gespaard van vandalisme alleszins. De tand des tijds had duidelijk al een impact gehad op deze schoonheid. Waarom en hoe lang ze hier al staat, is een raadsel. Maar wàt een leuke vondst, toch?

 

 

Lost Frequencies

Al van eind jaren 1930 was het toenmalige Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR) zich er van bewust dat de voorloper van dit zendstation niet langer voldeed aan de noden. Plannen voor een nieuw station moesten echter uitgesteld worden tot na de Tweede Wereldoorlog. In 1946 werden de plannen getekend en vijf jaar later werd de eerste steen gelegd van het nieuwe gebouw. Koning Boudewijn huldigde in 1952 het nieuwe project plechtig in.

Het nieuwe zendstation werd specifiek ontworpen voor de nationale en internationale radio-uitzendingen van de openbare omroep. In die periode waren er nog veel Belgen in Afrika en andere delen van de wereld. Om hun band met het vaderland te onderhouden, werd van hieruit uitgezonden in korte golf. De zenders hadden een vermogen van 100 kW. Het zendsysteem toen was amplitudemodulatie (AM). Frequentiemodulatie (FM) was in die tijd nog heel experimenteel en er waren nagenoeg geen FM-ontvangers.

In de loop van de jaren werd er herhaaldelijk gesleuteld en aangepast aan de zendapparatuur, maar technologie staat niet stil. Wat in 1952 high-tech was, is nu (amper 60 jaar later) industriële archeologie geworden. Voor het bereiken van Belgen in het buitenland biedt het internet vandaag een veel efficiëntere oplossing. De verouderde zenders werden niet meer vervangen. In 2001 werden de kortegolfuitzendingen stopgezet en 10 jaar later stopte de VRT met ook met uitzenden op de middengolf. Het eens zo imposante gebouw zal weldra plaats maken voor een nieuw ziekenhuiscomplex.

 

 

Mint Factory

Over deze voormalige betoncentrale valt weinig informatie te vergaren. Ik kon alleen ontdekken dan dat ze in 2017 failliet verklaard werd. Het bedrijf was vooral gespecialiseerd in het vervaardigen van betonnen bloembakken, terras- en traptegels en palissades.

Binnen in de werkplaats was alles in een frisse, mintgroene kleur geschilderd. Vandaar de naam Mint Factory. Jammer genoeg moesten we het bezoek hier eerder kort houden. Het was al aan de late kant toen we er aankwamen en de duisternis viel al snel in. Bovendien werden we plots verrast door de aanwezigheid van de eigenaar. Da’s altijd een goed signaal om het pand te verlaten…

 

 

Biomass Power Plant

Biomass Power Plant was een thermische elektriciteitscentrale, gebouwd in 1974 en in dienst genomen in 1976. De centrale had een totaal vermogen van 556 MWe, dat voornamelijk door twee stoomturbines gegenereerd werd. Deze turbines werden aangedreven door steenkool en biomassa.

In 2012 krijgt de uitbater nog een milieuvergunning om 100% biomassa te verstoken. De centrale zou hierdoor aanspraak kunnen maken op “groenestroomcertificaten”. De uitbater zou hiermee over een periode van 10 jaar een subsidie van 2,2 miljard euro kunnen binnenhalen. De nodige investeringen voor de reconversie raken echter nooit rond door problemen met de warmtewisselaar. Het Vlaams Energie Agentschap wijst de vraag om uitstel af, waardoor de centrale het uitzicht op de miljardensubsidie verliest en gedwongen de boeken neerlegt.

Sinds april 2017 is Biomass Power Plant failliet en werd de oven stilgelegd. Daarmee verdween de laatste kolencentrale van België. De reeds vergunde sloop werd in 2018 nog uitgesteld en de centrale wordt nog een laatste keer opgestart om de winterse energieschaarste op te vangen. Ondertussen is de sloop op volle toeren…

 

 

Zeche N1

Het verhaal van deze Zeche begint al in 1855, maar het graafwerk startte pas in 1912. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liep het delven van steenkool echter aanzienlijke vertraging op. Pas vanaf 1915, volop in de oorlogsjaren, werd er steenkool naar boven gehaald vanaf een diepte van bijna 400 meter. Vlak na de oorlog werd de tweede schacht in gebruik genomen. Samen met de andere schachten van de mijn, werd er in de topjaren (jaren 1980) tot bijna 3 miljoen ton steenkool aan de aarde onttrokken door meer dan 4000 mijnwerkers… Vanaf die periode begon het succes van de mijn echter te tanen.

Begin jaren 2000 werden de dagfaciliteiten van schacht 3 volledig afgebroken. Van 2003 tot 2005 werden de dagfaciliteiten van Zeche N1 volledig gesloopt, met uitzondering van de hoofdframes 1 en 2 evenals het machinepark (energiecentrale) en het gebouw van de voormalige mijnstuw, waaraan het gaswinningssysteem is bevestigd. Deze moeten als industriële monumenten worden bewaard. De Zeche N4 even verderop is nog steeds volledig bewaard.

Bekijk ook de reeks over de 4de schacht van dit mijnbedrijf: Zeche N4

 

 

Chapel & Morgue

De bouw van dit ziekenhuis begon in het voorjaar van 1905. Een jaar later was de officiële opening. Vanwege een bijzonder groot aantal gevallen van meningitis in de omgeving, begonnen de operaties al enkele maanden eerder, begin januari 1906. Op dit moment was het ziekenhuis nog niet voltooid. Het ziekenhuis specialiseerde zich later in dermatologie, plastische chirurgie, reumatologie en coloproctologie (rectale aandoeningen). Er werden tevens ergotherapie, natuurgeneeskunde, fysiotherapie, pijnbestrijding, sociale diensten en wondbehandeling aangeboden.

In 2011 werd de meerderheid van de aandelen overgenomen door een investeringsgroep. Als onderdeel van de economische renovatie werd het ziekenhuis gesloten. De meest recentelijk gespecialiseerde afdelingen werden in juli 2013 overgedragen aan een nabijgelegen ziekenhuis van dezelfde groep. Het lege gebouw viel deels terug op de stad en deels op het bisdom.

In de zomer van 2014 werd het gebouw als noodaccommodatie voor asielzoekers in gebruik genomen. Slechts anderhalf jaar later werden de asielzoekers uit het ziekenhuis verbannen. Vervolgens was het de bedoeling om een ​​deel van het ziekenhuis te slopen en er kantoren of flatgebouwen op te bouwen en de rest van het gebouw om te vormen tot een kleuterschool. In november 2018 werd aangekondigd dat het voormalige ziekenhuis het bouwterrein van een nieuwe woonwijk zou worden. Op het terrein van 45.000 vierkante meter zullen ongeveer 350 nieuwe appartementen worden gebouwd.

 

 

 

Multicolor School

Dit voormalig klooster van de zusters van Liefde van Jezus en Maria werd gesticht in 1815. Grote delen ervan werden inmiddels reeds gesloopt om plaats te ruimen voor nieuwe gebouwen. Het kloostercomplex omvatte oorspronkelijk het klooster zelf, een semi-publieke kapel, een rustoord, een kleuterschool, een lagere school, een middelbare school en een openbare bibliotheek. De middelbare school werd overgebracht naar een ander gebouw en het klooster en rustoord zijn inmiddels verhuisd naar de in in het begin van de jaren 1980 gebouwde rust- en verzorgingsinstelling.

Aan dat nieuwe rustoord werd eind jaren 1980 een nieuw klooster gebouwd voor de overgebleven zusters. In deze reeks zie je het aan de straat gelegen schoolgebouwencomplex. Het oudste deel wordt gevormd door de lagere school, opgericht halverwege de jaren 1860. Het links aansluitend vroeger schoolgebouw, later openbare bibliotheek, is van circa 1880. Begin jaren 1920 werd ten slotte de voormalige landelijke huishoudschool aangebouwd, die later de lagere jongensschool zou worden.

Te oordelen naar het behoorlijk gevorderde verval van de gebouwen is het nauwelijks te geloven dat de school hier minder dan twee jaar geleden verhuisde…

 

 

Water School

Een sinds 2014 verlaten schooltje in de Westhoek, dat jammer genoeg al vaak slachtoffer werd van vandalen. De verlaten schoolgebouwen staan op een terrein, dat was vrijgekomen na de kanalisering van de Dender in de tweede helft van de 19de eeuw. In 1924 is op die plaats deze basisschool opgetrokken. Het schooltje bestaat uit een aantal vleugels van één, soms twee verdiepingen en verscheidene speelpleinen.

Waakzame buren houden de boel in de gaten en bellen de politie bij iedere verdachte beweging. We werden er dan ook vrij snel uitgeplukt door de lange arm van de wet. Gelukkig pas na het nemen van enkele shots van de mooie vervallen gymzaal. Zowat de enige ruimte in het schooltje dat het fotograferen waard was…

De waakzaamheid van de buurtbewoners is niet geheel verwonderlijk. Het verlaten schooltje was een geliefkoosde ontmoetingsplaats voor junkies en vandalen. Ze leverden heel wat overlast op en bezorgden de omwoners een sterk gevoel van onveiligheid.

 

 

Old Blue

Wie mijn urbexavonturen zo’n beetje volgt, weet inmiddels wel dat ik geen fan ben van het bezoeken van verlaten huisjes. Maar zo heel af en toe kom je in de schuur bij zo’n huisje wel eens op een aangename verrassing uit. Zoals hier bijvoorbeeld. Het huisje stelde helemaal niks voor, maar in het achterliggende schuurtje vonden we deze prachtige Citroën C3 Trefle van halverwege de jaren 1920.

Van de Citroën Type C werden tussen 1922 en 1926 zo’n 81.000 exemplaren, in diverse varianten vervaardigd. Het ontwerp van Edmond Moyet kenmerkte zich door een bijzonder gevormde achterzijde. Die leverde de auto de bijnaam “kippekont” op. Vreemd genoeg hadden de eerste Type C’s slechts één deur, aan de passagierskant, want aan de chauffeurszijde bevond zich het reservewiel.

De Type C werd in 1923 opgevolgd door de twee-zits C2. Deze werd gebouwd op het zelfde 2,25 m lange chassis als de Type C. In 1924 werd deze C3 geïntroduceerd op een 10 cm langer chassis. De C3 werd ook “Trefle” (klaverblad) genoemd en had plaats voor een derde persoon achterin. Hoewel een groot succes, bleek de Type C serie niet erg winstgevend. Citroën staakte de productie van deze auto’s dan ook in 1926.

Geen informatie te vinden over het hoe, wat en waarom deze magnifieke klassieker hier aan haar lot werd overgelaten. Laten we hopen dat de rechtmatige eigenaar snel opdaagt om haar tot haar volle glorie te restaureren, vooraleer dieven, vandalen en ander uitschot haar weten te vinden…

 

 

Frida’s Factory

In dit chemiebedrijf, in 1912 ontstaan als vestiging van een cokesfabriek, werd vanaf 1917 zwavelzuur en fosforzuur geproduceerd. Het fosfaaterts dat hiervoor als grondstof gebruikt werd, werd ingevoerd uit Marokko. Als bijproduct kwam daar vervuild gips bij vrij. In 1925 werd de fosforzuurproductie overgenomen door het bedrijf dat zijn naam schonk aan de site. Zelfs na meerdere overnames staat ze nog steeds bekend onder die naam. Er ontstond geleidelijk aan een gipsberg van aanzienlijke afmetingen, die uiteindelijk zelfs een oppervlakte van 80 hectare besloeg.

In 1989 werd een installatie voor de terugwinning van zwavelzuur in bedrijf genomen. Er volgend nog enkele overnames, tot het bedrijf uiteindelijk in 2009 failliet ging. Wat overbleef na het faillissement was het terrein, waarvan de bodem werd gesaneerd en de gebouwen vanaf 2013 werden afgebroken. De gipsopslag werd na sanerings- en stabiliseringswerkzaamheden afgedicht. Het terrein werd inmiddels bebost en er werd ruimte voorzien voor een nieuw bedrijventerrein en een park met zonnepanelen.

Op één van de silo’s werd een graffiti kunstwerk aangebracht met de beeltenis van de Mexicaanse surrealistische kunstschilderes Frida Kahlo. Vandaar Frida’s Factory… Hoewel er inmiddels al een groot deel van de gebouwen verdwenen is, is er nog voldoende overgebleven om te ontdekken en fotograferen.

 

 

Diesel Farm

De elektriciteitscentrale ‘Diesel Farm’ opende de deuren in 1976. Gedurende bijna 40 jaar zou ze de belangrijkste producent van elektriciteit in de streek zijn. De centrale werd aangedreven door de verbranding van diesel en had een nominaal vermogen van 83 MegaWatt. De centrale kwam de laatste jaren meermaals in opspraak. In 2007 werden er door verscheidene milieuorganisaties actie gevoerd. De centrale werd op dat moment aangedreven door de verbranding van palmolie uit Maleisië. de productie van palmolie is bijzonder belastend voor het milieu.

In 2010 zorgde een stukgesprongen olieleiding bij het overtanken van zware olie van een olietanker nog voor een zware vervuiling van de rivier. Wegens veroudering van de installaties was de centrale al een tijdje niet meer rendabel. Ze werd enkel nog ingezet in geval van hoge nood. Eind maart 2012 viel het doek definitief over Diesel Farm.

 

 

Army Trucks

Van sommige locaties kan je maar moeilijk achterhalen wat de geschiedenis er van is. Dit is zo’n locatie. Op een groot terrein langs de spoorweg staan massa’s oude legervoertuigen te verkommeren… Waarom? Geen idee… De vrachtwagens waren allemaal genummerd. Misschien worden ze bewaard voor reserveonderdelen. Er stonden enkele typische MAN-vrachtwagens. Deze vrachtwagens werden in België zelf gebouwd. Ook nog vrachtwagens van andere merken en types. Een hele rij tankwagens en ook een mooie oude brandweerwagen.

Met deze reeks heb ik eens een andere bewerking uitgeprobeerd. Een zwart-witbewerking zorgt meestal voor meer “dramatiek”. Ik vond het wel passen bij deze locatie.

 

Hospital K2

Aan de staat van dit ziekenhuis te zien, is het maar moeilijk te geloven dat het nog geen anderhalf jaar leeg staat. Op sommige plaatsen lijkt het wel of er een bom ontploft is… Misschien is dat ook wel zo, want de gebouwen worden duidelijk gebruikt voor politie- en/of brandweeroefeningen.

Het ziekenhuis dateert van het einde van de jaren 1930. Gedurende de volgende zeventig jaar was het een privaat ziekenhuis. Onder druk van de concurrentie van andere ziekenhuizen in de stad ging het kort na de eeuwwisseling een fusie aan met drie andere ziekenhuizen. In 2010 werden alle specialisaties samengebracht in de nieuwe gebouwen van het gefusioneerde ziekenhuis. In het voorjaar van 2017 verhuisden ook de laatste afdelingen en verpleegeenheden, waarna het oude ziekenhuis de deuren sloot. Door de vele schade is er niet veel interessants meer te zien…

 

 

Wasserwerke

Deze voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie is een geklasseerd industrieel gebouw in het Duitse industriestadje Krefeld. Het gebouw is een ontwerp van architect George “Jörg” Bruggaier. Het wordt beschouwd als een architectonisch belangrijk voorbeeld van de Jugendstil. De fabriek, gebouwd tussen 1908 en 1910 zuiverde het rioolwater van de hele stad Krefeld. Het is een van de laatst overgebleven zuiveringsinstallaties uit de begindagen van de stedelijke zuiveringssystemen in Duitsland.

Tot 1962 gebruikte men de zuiveringsinstallatie in de oorspronkelijke staat. Vanaf dan tot 1996 werd ze – door de installatie van vijzels – nog uitsluitend voortgezet als pompstation. In 1996 verving men het geheel door een aangrenzend nieuw gemaal. Naast de grote hal (hoofdgebouw), met onder meer twee rioolkanalen, een overloopkanaal en de halkraan, vind men er tevens het kalkgemaal (machinekamer). Achteraan het terrein het woonhuis van de bedrijfsleider, gebouwd in 1921/1922 volgens de plannen van de architect Anton Rumpen. Het oorspronkelijke sluizenhuis, is vanwege riooltechnische redenen nog steeds in het bezit van het gemeentebedrijf Krefeld en dient vandaag als toegang tot de regenwateroverstroming.

Het oude zuiveringsstation werd gekocht door 4 vrienden. Zij willen er een nieuwe bestemming aan geven, met respect voor het historische en architecturale karakter van het pand. Om vandalen buiten te houden, werd het pand recentelijk beveiligd met camera’s en bewegingsmelders. Het kan het alleen nog legaal bezocht worden…

 

 

Zeche N4

In het steenkoolbekken in het Duitse Ruhrgebied zijn tal van Zeches te vinden. Veel van deze Zeches werden inmiddels afgebroken, maar deze is vrijwel volledig intact gebleven. Hij staat dan ook op de lijst van te bewaren industrieel erfgoed. Dit was de 4de schacht van een groter mijnbedrijf. De graafwerken begonnen er in 1959, maar het duurde nog 4 jaar voor de eerste steenkool werd gedolven.

Eind 2001 werd de ontginning er stilgelegd. De mijn is nagenoeg volledig bewaard gebleven en is vooral een bezoek waard vanwege de uit 1962 daterende schachtbok, die aanzienlijk is in termen van ontwikkelingsgeschiedenis. De schachthal en het hijshuis vormen een functionele eenheid met het hijsframe en zijn het bewaren waard. Het schachtsysteem van deze Zeche is een van de meest opvallende schachtsystemen in het Rijnland vanwege het historische belang van de bewaarde steigers en de typische architectuur van de schachtgebouwen.

Bekijk ook de reeks over de schachten 1 en 2 van hetzelfde mijnbedrijf: Zeche N1

 

Chaudronnerie

Deze locatie kreeg de naam “Chaudronnerie” mee, omdat het bedrijf ketels maakte voor de nabijgelegen staalindustrie. Dit gebouw is echter slechts het administratieve gedeelte van de voormalige fabriek. Naar de aanwezigheid van de vele tekentafels te oordelen het gedeelte waar de ketels ontworpen werden. Ik kon niet achterhalen hoe lang deze site al verlaten is. Het lijkt aannemelijk dat het bedrijf mee ten onder is gegaan met de teloorgang van de staalindustrie. Die trof immer ook alle randbedrijven. De werkplaats zelf is nog (of terug?) in gebruik.

Hoewel het administratieve gebouw veel te lijden heeft gehad onder allerlei vormen van vandalisme tot zelfs brandstichting, konden we er toch nog enkele leuke shots maken…

 

Factory G

In een eerdere reportage maakte je al kennis met het mooie Factory H, het jongere broertje van deze Factory G. Van de vier silogebouwen die hier te vinden zijn, is deze ongetwijfeld de mooiste en ook de meest interessante. Het is het oudste van de cluster en werd in 1895 gebouwd. Het was een van de vroegste realisaties van Frans van Dijk, een Antwerpse architect, die later zijn stempel zou drukken op de architectuur in de stad.

Factory G is een graanmagazijn met een dubbele functie: stockage en beluchting. Het gebouw werd voorzien van twee kopgevels met twee torens. Daarin werd via ‘jakobsladders’ het graan omhoog getransporteerd. Eenmaal boven werd het graan via lopende banden naar de 144 verticale silo’s (karen) in het middengedeelte van het gebouw geleid.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog liep het gebouw aanzienlijke schade op. De herstelling ervan was een goede gelegenheid om een nieuwe en grotere distributieverdieping op te trekken. In deze open ruimte kwamen drie dubbele portaalbruggen van gewapend beton in functie van het horizontale transport. De silogebouwen werden in heel Europa bewonderd en geroemd omwille van de revolutionaire wijze waarop ze graan konden sorteren, behandelen en stockeren.

 

 

Trafilatura

Deze draadtrekkerij werd in 1951 opgericht als dochteronderneming van het staalbedrijf van Gustave Boël, dat zowel plaatstaal als walsdraad produceerde. Vóór de oprichting van dit dochterbedrijf werd de walsdraad verkocht aan onafhankelijke draadtrekkerijen in binnen- en buitenland. De nieuwe onderneming stelde zich tot doel de traditionele draadproducten te fabriceren en te ontwikkelen. Dat waren onder meer blanke draad, verzinkte draad, draadnagels, prikkeldraad en afsluitingen. De Europese draadmarkt kende een sterke groei en dit creëerde bijkomende exportmogelijkheden. In de daarop volgende jaren werd bouwstaal het grootste afzetproduct van de fabriek.

Geleidelijk aan veranderde de productie van geribde draad en bouwstaalmatten tot blinkende draad voor verchromen en vernikkelen. Er werd tevens geïnvesteerd in gloeiovens voor de productie van koudstuikdraad. Een overname in 1999 door de Duferco groep, die eerder in aan- en verkoop gespecialiseerd was dan in productie, was het begin van het einde voor deze fabriek. Er volgen nog overnames en samenwerkingsverbanden, maar deze fabriek blijft functioneren als een afdeling van de staalfabriek waaruit ze ontstaan is. Na de sluiting van de staalfabriek begin 2013 gaan de zaken snel achteruit. In het najaar van 2018 valt na 67 jaar het doek over de draadtrekkerij.

 

 

Bleu Power Plant

Deze indrukwekkende energiecentrale maakt deel uit van een groter geheel, geconcentreerd rond een hoogovenbedrijf. Uit de staalproductie van de hoogoven ontstaat hoogovengas als nevenproduct. Dit gas kan in een ketel onder hoge druk/temperatuur (125 bar/560 °C) in combinatie met nafta en aardgas verbrand worden. De hierbij geproduceerde stoom wordt gebruikt om elektrische stroom op te wekken met behulp van condenserende stoomturbines.

De centrale bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde gebouwen. In het achterliggende gebouw bevinden zich de boilers, waarin de stoom wordt opgewekt. Die stoom wordt vervolgens via een complex systeem van buizen getransporteerd naar het aanpalende gebouw waarin zich de turbines bevinden. In het boilerhuis, dat duidelijk verouderd is, is het verval zeer duidelijk zichtbaar. De turbinezaal is beter bewaard gebleven, wellicht omdat het gebouw nog steeds sterk beveiligd wordt.

In de turbinezaal bevinden zich verschillende types turbines, met een vermogen variërend van 6,5 MW tot 75 MW. De oudste turbines zijn klassieke Ingersoll Rand turbines en een oude Oerlikon turbine; de nieuwere zijn vooral ACEC turbines en de grootste en nieuwste turbine is de blauwe turbine waar de locatie naar vernoemd werd. Dat is een Escher Wyss turbine. Om deze turbine aan te drijven, werd er een annex aan het boilerhuis gebouwd, met een eigen stoomketel. Het geheel wordt aangestuurd vanuit de spectaculaire controlekamer.

 

 

Cooling Tower ‘Petite Maison’

Bij een elektriciteitscentrale hoort bijna traditioneel ook een koeltoren. Deze koeltoren hoort bij de Blue Power Plant, die zich aan de overzijde van de straat bevindt. Het is een kleiner model dan Cooling Tower IM, het exemplaar dat bij Power Plant IM behoort, maar de werking ervan is precies dezelfde. Alleen heeft deze een mysterieus klein huisje (petite maison) in het midden, waarvan niemand lijkt te weten wat de bedoeling ervan is. Het huisje is helemaal leeg en bevat dus geen enkele indicatie over de reden van zijn aanwezigheid op die plaats. Dat mysterie draagt ongetwijfeld bij aan de charme van de constructie. Een constructie die overigens niet zo makkelijk te betreden is. De buitentrap naar de toegangsdeur werd al enkele jaren geleden weggehaald. Wie de binnenzijde van de koeltoren en het mysterieuze kleine huisje wil bewonderen, heeft geen andere keuze dan te klimmen…

 

 

Chapelle de la Rose

Eind 13de eeuw werd in opdracht van een adellijke dame die hier woonde een “hospice” opgetrokken. Die deed tegelijkertijd dienst als ziekenhuis en als klooster voor de zusters Augustinessen, die voor de verzorging van de zieken instonden. Behoudens een korte onderbreking ten tijde van de Franse Revolutie bleven ze dit doen tot het begin van de jaren 1980. Het ziekenhuis was inmiddels omgevormd tot een rust- en verzorgingstehuis. Na het vertrek van de zusters werd het rusthuis overgenomen door de plaatselijke overheid.

Pronkstuk van het klooster was deze laatgotische kapel, opgericht in het begin van de 17de eeuw. Ze vormde lange tijd een bedevaartsoord voor de genezing van intestinale aandoeningen. Bij een brand begin jaren 2000 werd een deel van het klooster vernield, maar de kapel bleef gelukkig gespaard. De kapel bestaat in zijn huidige toestand uit twee delen: de originele kapel, opgetrokken in laatgotische stijl uit baksteen en blauwe hardsteen. Een aanbouw in neoklassieke stijl, die dateert van halverwege de 19de eeuw. Ze vormde een fysieke verbinding tussen de bestaande kapel en het ziekenhuis, om de patiënten de kans te geven de erediensten vanaf het balkon bij te wonen.

Aan de achterkant van de kapel, aan de linkerkant, ziet men nog steeds de oude refter, eveneens opgetrokken in baksteen en blauwe steen met een prachtige vintage gevel uit het begin van de 17de eeuw. 

 

De gehele site werd in 2006 opgenomen op de beschermlijst van het Waals erfgoed en wordt momenteel omgevormd tot een nieuw gemeenschapscentrum. De kapel, die in 2011 gedesacraliseerd werd, zal omgevormd worden tot een bibliotheek, met aandacht en respect voor het historische en architecturale karakter.

 

 

Usine S

Schapenwol bevat veel onzuiverheden, zoals lanoline (wolvet) en suint (zweetwol). Van oudsher gebeurde het wolwassen door middel van alkalische en hete baden in kuipen en speciale machines. De lanoline, die onoplosbaar is in water, kon hiermee echter niet afgescheiden worden.

Deze fabriek werd aan het begin van de 20ste eeuw opgericht. Men paste er een nieuw, uit de Verenigde Stated overgewaaid procédé toe. Dat bestond uit de behandeling van de vetwol met nafta of petroleumbenzine. Dit absoluut neutrale product tast de vezel van de wol immers niet aan. Het laat bovendien alleen het percentage vet achter dat nodig is om de natuurlijke soepelheid en elasticiteit te behouden. De nafta wordt naderhand door middel van verdamping uit de overgebleven wol verwijderd.

Een ander interessant resultaat van de “solventage” was recuperatie van het uit de wol onttrokken vet: pure, volledig zuivere lanoline. Een van de verschillende toepassingen van uit wol onttrokken lanoline, was de vervaardiging van farmaceutische zeep en lanoline voor het onderhoud van huiden en vellen, maar het kan ook worden gebruikt bij de bereiding van oliën. vet, was, zalven, consistente vetten, enzovoort.

 

 

Mission to Mars

In een uithoek van een bijna 14 hectare groot kloosterpark bevinden zich deze bijzondere “koepelkassen”. Het kloosterpark zelf werd voor de eerste keer genoemd rond 1805. Het werd in die tijd aangelegd in de vorm van een Engelse tuin. Tot 2005 was het park in privébezit, waarna de stad het kocht. Die stelde het als een openbare voorziening ter beschikking van het publiek. Met de overname door de stad werd prachtige voormalige kloostertuin uit zijn slaap gewekt. De vijvers werden ontgift, het kreupelhout werd uit het park verwijderd en alles werd schoongemaakt. Inmiddels werd het geheel opgenomen op de lijst van te beschermen erfgoed.

In 1987 richtte men deze spectaculaire koepelkassen op. De koepels dienden als opleidingskwekerij om werklozen opnieuw perspectief op integratie op de arbeidsmarkt te bieden. Het ontwerp is geïnspireerd door de Amerikaanse ingenieur en filosoof Richard Buckminster Fuller. Hij experimenteerde voor NASA om de meest energetisch-synergetische vorm te vinden. Zijn paviljoen “Biosfeer”, ontworpen voor de EXPO 1967 in Montreal, genoot wereldwijd bewondering. Deze kassen zijn in feite verfijnde geometrische vormen, zogenaamde geodetische koepels.

Het oppervlak bestaat uit een reeks alternerende hexagonale en vijfhoekige oppervlakken. Goed samengesteld, resulteren ze in bolvormige, zelfdragende gebouwen. Ze kunnen eindeloos met elkaar worden verbonden. Er werden 24 van dergelijke kassen gebouwd en gegroepeerd in verschillende “kogelfamilies”. De koepels zijn niet alleen zeer intelligente gebouwen, omdat ze zonder ondersteuning kunnen, ze trotseren ook optimaal weer en wind.

 

 

Bureau Central

Dit enorme pand behoorde toe aan het hoogovenbedrijf, dat meerdere vestigingen had in de streek. Over de geschiedenis van het gebouw zelf valt weinig informatie te rapen. Het oorspronkelijke gebouw werd opgericht in het laatste kwart van de 18de eeuw. Het kende enkele ingrijpende wijzigingen en uitbreidingen in de loop van de 19de en 20steeeuw. Het gebouw huisvestte het centrale bestuur en de administratie van het hoogovenbedrijf.

Begin jaren 1980 werd het inmiddels verouderde gebouw verlaten. Sedertdien is het verval er met rasse schreden vooruitgegaan, niettegenstaande de klassering ervan als erfgoed in 1987. Vooral de centrale hall met overwelfde lichtkoepel heeft sterk te lijden gehad van de elementen, die er vrij spel hebben. Het imposante gebouw, met lange, eindeloos lijkende gangen en diffuse lichtinval is een gedroomde locatie voor fotografen met een voorkeur voor verlaten en vervallen gebouwen.

Op het domein bevond zich oorspronkelijk ook het kasteel. Het behoorde toe aan de adellijke familie die eigenaar was van het bedrijf, maar dat werd enkele jaren geleden al gesloopt. Het ziet er naar uit dat dit mooie kantoorgebouw hetzelfde lot zal ondergaan, als er niet snel werk gemaakt wordt van de renovatie ervan…

 

 

Mine des Grimpeurs

Dit mijnbedrijf maakte deel uit van het imperium van een adellijke familie, die vooral actief was in de staalindustrie. Die zelfde familie ontmoetten we al in een eerdere reeks over het administratief gebouw dat het centrale bestuur van het bedrijf huisvestte: Bureau Central.

Het eerste stuk steenkool in deze vestiging werd in juni 1856 gedolven. De schacht bevond zich op twee kilometer afstand van wat later het familie-hoofdkwartier zou worden. Ten minste, wat de ontginning van steenkool betreft. Na deze ontdekking, stelde de raadgevend ingenieur om ook voor het gebied naar het zuiden te onderzoeken in. Tot dan was het werkterrein omwille van de landsgrens beperkt tot het noorden. Tussen 1862 en 1889 werden er verschillende nieuwe schachten gegraven.

De kolen werden voornamelijk gebruikt om de staalfabrieken van de familie af ​​te stoken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie in minder dan tien jaar verdrievoudigd. In 1946 was het bedrijf verbonden aan het nationalisatieproces van alle Franse kolenmijnen.

Na 1960 werd de steenkoolindustrie echter hard getroffen. Het bedrijf moderniseerde noodgedwongen en investeringen gingen door tot 1986. De hoofdzetel stopte met activiteiten in 1986, maar een deel van de infrastructuur van de site bleef tot 1989 in gebruik voor andere schachten die nog in bedrijf waren. De laatste put werd gesloten in 2001.

 

Pottery

De reputatie van het aardewerk dat hier geproduceerd werd is haast legendarisch. In de loop van de twee eeuwen dat dit familiebedrijf bestond, heeft het wereldwijd een schare trouwe bewonderaars gegenereerd. Het aanbod bestond uit allerlei stukken aardewerk, zoals serviesgoed, vazen en bloempotten, maar ook kunstobjecten, fresco’s en zelfs kachels.

De fabriek werd opgericht in 1790, maar kampte aanvankelijk met grote problemen, waaronder moeilijkheden met de aanvoer van grondstoffen, maar ook vijandigheid en wantrouwen van de bevolking. Bovendien was de concurrentie van vooral Engelse producenten groot. Rond de eeuwwisseling werd de fabriek overgenomen door een inventieve jonge Duitser. Hij introduceerde nieuwe decoratietechnieken en het gebruik van de fijnste grondstoffen en wist zo het tij al snel te keren. Napoleon werd een van de beste klanten, waardoor de orders al snel binnen stroomden en uitbreiding van het bedrijf zich opdrong.

De huidige fabriek, waaronder ook deze opslagplaats voor mallen, dateert van deze periode van expansie tussen 1850 en 1860. Tijdens de glorieperiode bood het bedrijf werk aan ruim 3200 werknemers. Einde jaren 1970 markeerde een keerpunt. Het bedrijf was inmiddels overgenomen door een andere familie. Die staakte de productie van serviesgoed om zich toe te spitsen op tegels voor wanden en vloeren. Begin jaren 2000 is het zakencijfer sterk gedaald en zijn er nog een 100-tal werknemers over die het bedrijf in leven proberen te houden. Nauwelijks 5 jaar later gaat het bedrijf alsnog in liquidatie. Kort erna spreekt de rechter het faillissement uit en valt het doek definitief over twee eeuwen industriële geschiedenis…

 

 

Ciné Théatre Varia

Ciné Théatre Varia (in de volksmond Ciné Varia) is een atypisch gebouw in de Belgische betongeschiedenis. Een overblijfsel uit de gouden eeuw van de stille cinema. De Luikse architect Eugène Claes (1886-1947) ontwierp het gebouw in 1911. Hij raakte geïnspireerd door industriële tentoonstellingen en internationale evenementen, die tegelijkertijd plaatsvinden in de grote Belgische steden. Claes koos resoluut voor de Art Nouveau, die op dat moment floreerde in heel Europa. Hij gebruikte beton als decoratieve elementen voor de gevel. Die bestond uit balken en kolommen met baksteenvulling, versierd met cementdecoraties.

Het vertonen van films gebeurde toen door middel van een procédé met brandbare hars (vandaar de naam “film flamme”). Uit brandveiligheidsoverwegingen moest het ontwerp te elfder ure worden aangepast. Het beton werd doorgetrokken naar het volledige ontwerp van het theater.

De bouw werd voltooid in 1913, maar pas ingehuldigd in 1917. De Varia kan met trots terugblikken op beroemdheden zoals Bourvil, Adamo, Fernandel en Johny Halliday, die tijdens de gouden jaren 1950 en ’60 het podium bevolkten. In de jaren 1980 ging het echter zienderogen achteruit voor het eens zo populaire theater. Mede omwille van bezorgdheid omtrent de stabiliteit van het gebouw, valt het doek voor de Varia definitief in 1986.

De gevel van het gebouw werd in 1992 geklasseerd als monument en staat momenteel ook nog steeds in de steigers voor renovatie. Voor de rest van het gebouw ziet de toekomst er minder rooskleurig uit. Dat deel is immers niet geklasseerd en schattingen voor de renovatie ervan lopen op tot maar liefst 5 miljoen euro… 

 

 

Prison H7

Prison H7 was het ‘cachot’ van de Leopoldskazerne in Gent. De gebouwen werden opgericht in eclectische stijl tussen 1890 en 1905, op basis van een ontwerp door de architecten de Noyette en Geerling. De kazerne neemt alles bij elkaar een oppervlakte van ruim 2 hectaren in beslag en kon zo’n 1300 militairen kazerneren.

Op 1 oktober 1907 nam het 2 Linie Regiment zijn intrek in de kazerne. Tijdens de beide wereldoorlogen werd de kazerne bezet door Duitse troepen. Na de bevrijding keerde het 2de Linie Regiment niet terug naar zijn kazerne. Vanaf 1955 werd de kazerne bemand door het Centrum van de Gezondheidsdienst. Het Opleidingscentrum verzorgde de opleiding van de officieren en de brancardiers van de Gezondheidsdienst.

Naar aanleiding van herstructureringen van de krijgsmacht werden enkele gebouwen verkocht aan stad Gent. Die bracht er sinds 2007 het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in onder. Andere delen van de kazerne zijn nog steeds eigendom van het Belgisch leger. Half maart 2019 begonnen de reconversiewerken die van de kazerne een duurzame stadsbuurt moeten maken, waar wonen, werken en recreatie elkaar ontmoeten.

 

 

Bernina’s Brother

Einde 17de eeuw verwoestte een grote brand bijna 600 houten huizen in het centrum van Sint-Niklaas. Dit prachtige herenhuis was een van de zeldzame eerste stenen burgerlijke gebouwen dat na de brand werd gebouwd. Het gebouw werd opgetrokken in Lodewijk XVI-stijl, een eerder sobere en symmetrische stijl. Hij wordt gekenmerkt door classicistische versieringen, zoals hier de houten dakkapellen en het driehoekige fronton.

In de 19e eeuw vestigden de toenmalige eigenaars een katoenfabriek op de site. Dankzij een verstandig beheer en tijdige modernisering tijdens de Industriële revolutie groeide die uit tot een succesvol bedrijf.

In het begin van de 20ste eeuw worden de gebouwen verkocht en herbestemd tot een vak- en ambachtschool die al snel van groot belang bleek te zijn voor de ontwikkeling van de textielindustrie van de stad. In 2008 trekken de laatste leerlingen weg uit deze historische gebouwen.

Inmiddels werd het gehele complex verkocht aan een projectontwikkelaar, die er met respect voor de historische gebouwen een nieuw woonproject zal realiseren. Deze werken zijn momenteel volop aan de gang.

 

 

Brauerei Ibing

Friedrich en Richard Ibing werden geboren als de jongste zonen van een befaamd lakenmakersgeslacht, dat al ruim 200 in de textielindustrie actief was. De achteruitgang van deze industrie was echter al duidelijk in de 19e eeuw. De ambachtelijke bedrijven konden de concurrentie met de industrieel vervaardigde Engelse stoffen niet langer aan. Het is dus niet verwonderlijk dat men naar andere vormen van werkgelegenheid begon uit te kijken.

In mei 1863 verwierven de broers Friedrich en Richard Ibing twee percelen van een voormalige steengroeve, waar ze hun activiteiten ontplooiden. Na zeven jaar moest het bedrijf worden uitgebreid, maar op deze locatie was dit niet mogelijk. In april 1870 werd een gebied van bijna 10.000 vierkante meter verworven, waarop een ruim nieuw gebouw werd opgericht. De brouwerij Ibing behoorde vanaf het begin tot de leidende Mülheim-brouwerijen. Ook buiten de grenzen van genoot de brouwerij bekendheid. Op de Wereldtentoonstelling in 1889 in Parijs kreeg het bier van de Ibing-brouwerij zelfs een gouden medaille.

In 1892 overleed Friedrich Ibing op 58-jarige leeftijd aan een beroerte. Hugo Ibing, de oudste van de twee zonen van Friedrich Ibing, trad op 23-jarige leeftijd aan als gevolmachtigde in het beheer van de brouwerij en leidde bij zijn oom de business met veel succes. De brouwerij had aan het begin van de 20e eeuw een jaarlijkse brouwcapaciteit van 60.000 tot 65.000 hectoliter. Het aantal werknemers steeg van 30 in 1900 tot 62 in 1908. Erich Ibing, de laatste nazaat van de stichters, leidde de brouwerij slechts een korte tijd. In 1955 verkocht de familie Ibing het bedrijf.

Ondanks alle garanties dat het niet de bedoeling was om de brouwerij te sluiten, werden in februari 1968, vijf jaar na het 100-jarig jubileum van de brouwerij, de fabriekspoorten voor altijd gesloten. Al meer dan 50 jaar werd het complex overgelaten aan het verval en zijn nu alleen nog de ruïnes zichtbaar.

 

 

Dead End Church

Over deze parochiekerk is weinig informatie te vinden. Het ontwerp van de kerk is van de hand van architect Hermann Wielers. De eerste steen werd gelegd in 1901 en de kerk werd ingewijd in 1904. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep ze aanzienlijke schade op en waren grondige herstelwerken noodzakelijk. Dit gebeurde onder de auspiciën van architekt Günter Settnik. Het is niet duidelijk wanneer de kerk in onbruik raakte. Op een bepaald moment werden er herstelwerken aangevat, maar het is duidelijk dat deze werken reeds geruime tijd zijn stilgevallen.

Ik kon deze kerk gelukkig nog net op tijd bezoeken. Kort na mijn bezoek zag ik foto’s verschijnen waarop de hele kerk beklad werd door idioten met verfbussen. Eeuwig zonde… Het vandalisme bleef uiteraard niet zonder resultaat. De onderaardse gang die toegang gaf tot de kerk, werd meteen verzegeld.

 

 

Zeche W

Aan het begin van de 20ste eeuw verwierf de Pruisische Staat een aantal grote velden in het noordelijke Ruhrgebied. AG Recklinghausen, waarvan het meerderheidsbelang in handen was van de staat, begon vanaf 1902 met het boren van de eerste putten. In 1910 ging de mijn in bedrijf. In 1912 werd bovendien een cokesfabriek in gebruik genomen. De mijn ontwikkelde zich economisch veelbelovend. Al in 1920 werd de limiet van 1 miljoen ton jaarproductie overschreden. Aan het einde van de jaren 1920 werd de mijn een eerste maal overgenomen en kwam zo in volle eigendom van Hibernia AG. Er volgden tal van uitbreidingen en moderniseringen aan het mijnbedrijf. 

De voortdurende oorlogsvoering zorgde ervoor dat het werk halverwege WOII tot stilstand kwam. Na de Tweede Wereldoorlog begon Hibernia AG met een uitgebreid moderniseringsprogramma, hetgeen in 1956 leidde tot de bouw van deze nieuwe centrale transportschacht, uitgerust met 2 volautomatische transporteurs. De betonnen hijstoren, gebouwd in 1960, werd in gebruik genomen in 1961. De uitgebreide rationaliseringsmaatregelen leidden tot een jaarlijkse productie ​​van meer dan 3 miljoen ton. Vanaf het einde van de jaren 1960 volgden er opnieuw enkele overnames en fusioneringen. Eind 2008 werd de kolenmijn gesloten met het ophalen van de laatste steenkool. De mijn is tot op de dag van vandaag volledig bewaard gebleven en werd zelfs tot monument uitgeroepen.

 

 

Charlie’s Chapel

Deze éénbeukige, bakstenen kapel werd gebouwd in 1883 in neogotische stijl. Het kleine heiligdom was gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Het gebouwtje bevindt zich op het kasteeldomein van Chateau Jumanji. Het fungeerde niet alleen als buurtkapel, maar ook als vertrekpunt van de wijkprocessie. Het kapelletje bevat een driezijdig koor met beschilderd houten altaar. Daarboven zien we een polychroom beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Achter de ijzeren afsluiting bevindt zich een schip met zitbankjes. Aan de wanden bevonden zich witgeschilderde heiligenbeelden op barokke consoles.  De engelenfiguurtjes van onder meer van de Heilige Jozef, Heilige Antonius en Heilige Margaretha zijn inmiddels verdwenen.

Hoewel het geklasseerd erfgoed is, verkeert het kapelletje in bijzonder lamentabele staat. Er zijn ernstige scheuren in de muren en meerdere verzakkingen waarneembaar. Sinds de kapel werd opengebroken, is de toestand er alleen maar op achteruit gegaan. Verscheidene beelden sneuvelden door vandalisme. In het kader van de renovatiewerken aan het kasteeltje, werd de kapel kort na dit bezoek leeggemaakt.

 

 

Pete’s Academy

De in 1982 in Ronse geboren graffiti-kunstenaar Pete One is al lang geen onbekende meer in de Belgische urbex-scene. In de westhoek waren in het verleden al tal van werken van zijn hand te bewonderen. Zijn actieterrein bestaat uit verscheidene verlaten panden. “Pete’s School”, de oude, en inmiddels gesloopte verpleegsterschool in Ronse is wellicht één van de bekendste. Ook het inmiddels gerenoveerde “Pete’s Shop” en het gesloopte “Pete’s Hotel“zijn bekende “Pete One” ateliers.

In deze “Pete’s Academy”, een voormalig lager schooltje, treffen we ook weer enkele pareltjes aan in de herkenbare stijl van Pete One. Zoals steeds haalde hij ook voor deze werken zijn inspiratie in de Amerikaans popcultuur. We zien er onder meer beelden van Kurt Cobain (Nirvana) en Chris Cornell (Soundgarden).

 

 

Usine Gonzo

Usine Gonzo maakt deel uit van een traditionele vlasroterij. De roterij werd opgericht aan het einde van de 19de eeuw en werd stelselmatig uitgebreid tot  de huidige site. De hele site wordt beschouwd als waardevol erfgoed. Dat heeft te maken met de strategische ligging, maar ook omdat ze een van de best bewaarde roterijen van haar soort is. Er zijn typische rootputten, de stoommachines met bijhorende schoorsteen, een paar vlasschuren en een zwingelarij. De machinekamer bevat onder meer stoomketels en een uitzonderlijke stoommachine, de enige in zijn soort die nog in België te vinden is.

De ketels werden aangestookt met ‘lermen’, de houtachtige kernen van de vlasstengels die tijdens het productieproces van de vlasvezels afgescheiden werden. De stookkosten konden hierdoor bijna tot nul herleid worden. Ook in deze roterij werd deze brandstof tot in de late jaren 1970 gebruikt. Eind jaren 1970 raakte het bedrijf in onbruik, maar het zou nog ruim 25 jaar duren vooraleer het geheel als industrieel erfgoed beschermd werd.

 

 

Filature Panier

Over deze verlaten fabriekssite kon ik niets meer achterhalen dan dat het een voormalige weverij is. Later vestigde zich hier een bedrijf dat zich specialiseerde in het produceren van medisch verband. Sinds 2007 werden de fabrieksgebouwen verlaten en wacht het terrein op een herbestemming.

Het terrein is vlotjes toegankelijk. Dat lijkt goed nieuws, maar is het niet. Dergelijke sites die vlot toegankelijk zijn, zijn vaak slachtoffer van vandalen. Dat is op deze site niet anders. Aangezien het hier niet gaat om waardevol industrieel erfgoed, is de kans groot dat het geheel gesloopt wordt om plaats te ruimen voor nieuwbouw woonprojecten…

 

 

Holy Nurse

Omstreeks 1850 kreeg de stad te kampen met miserabele hygiënische omstandigheden. Ondervoeding, slechte huisvesting en een gebrek aan zuiver drinkwater waren de voornaamste oorzaken. Deze omstandigheden veroorzaakten allerlei ziektes, niet in het minst de cholera-epidemie die er in de helft van de 19de eeuw uitbrak. De stad koos voor een systematische aanpak van de problematiek om de stad te saneren. De bouw van dit ziekenhuis was daar een onderdeel van. Holy Nurse is het restant van dit stedelijk hospitaal.

Het terrein waarop het gasthuis werd gebouwd, maakt in de 15de eeuw deel uit van het toenmalige paleis van Marghareta van York en werd in de 17de eeuw overgelaten aan de Jezuïeten. Architect Charles Drossaert kreeg de opdracht om het nieuwe ziekenhuis te bouwen. Hij koos voor een sober bakstenen gebouw met neoclassicistische inslag. De hoofdtoegang wordt geaccentueerd door een ruim voorplein dat oorspronkelijk via een ijzeren hekwerk van de straat afgesloten was. Centraal in de hoofdvleugel bevindt zich de gasthuiskapel. De kapel is een eclectisch bouwwerk met een zenitaal bovenlicht. Het bevat onder meer een barokaltaar met marmerschilderingen en een 17de-eeuwse kopie van de kruisafneming van A. Van Dyck. Op het doksaal staat een fraai orgel uit de 17de eeuw. Ten slotte beschikt de gasthuiskapel ook over een 17de-eeuwse biechtstoel.

 

Limestone Factory

De kalkovens markeren een keerpunt in de industriële geschiedenis van deze gemeente. Halverwege de 16de eeuw was er volgens de parochieregisters al sprake van een zekere industriële uitbating van de steengroeven. Midden jaren 1850 bouwde de gemeente een eerste oven. Bijna 25 jaar later werd een tweede oven gebouwd in opdracht van de exploitant van de eerste oven. Sinds 1890 wordt het bedrijf door dezelfde familie geëxploiteerd.  In samenwerking met een andere familie wordt een derde kalkoven gebouwd. Tegen de jaren 1920 werken deze drie ovens op volle capaciteit. Ze worden pas vijftig jaar later stopgezet. Een deel van de oude gebouwen is verlaten. Deze gebouwen behoren bij de oude smederij, waarin tegenwoordig een museum is ondergebracht.

 

 

Four de C.

Deze staalfabriek werd in 1853 gesticht. Toen de eigenaar omwille van de hoge financiële eisen voor de aanleg van een spoorlijn aan de rand van het faillissement stond, werd hij gered met de financiële hulp van een accountant binnen zijn bedrijf. Na de dood van de stichter in 1880 heeft hij het bedrijf nagelaten aan die accountant, die onder zijn naam het bedrijf groot maakte. Tegen 1897 had het bedrijf 1200 werknemers in dienst.

Tegen 1913 beschikte het bedrijf over twee hoogovens, twee batterijen van 41 cokesovens; twee staalfabrieken, walserijen, smederijen, werkplaatsen enz. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek ontmanteld en gesloopt, maar vanaf 1919 werd ze heropgebouwd met nieuwe hoogovens en cokesovens met een productiecapaciteit van 200,00 ton ijzer per jaar. Tijdens het interbellum zouden er nog meer uitbreidingen aan de fabriek plaatsvinden.

Het bedrijf bloeide tot in de jaren 1970, maar werd vanaf dan, net zoals andere staalindustrieën getroffen door de staalcrisis. Het aantal werknemers werd herleid tot één derde. Het bedrijf kende vanaf dan een opeenvolging van overnames en fusies. De huidige eigenaar, een Russische partner van de laatste overnemer, produceert er sinds 2016 warm en koudgewalst staal.

 

 

Institut de Pathologie

In de late jaren 1870 nam de studentenbevolking van Leuven drastisch toe. Daardoor voldeden de her en der verspreide gebouwen waar geneeskunde onderricht werd niet langer. De wet schreef immers voor dat de universiteit over voldoende ruimten voor practica en laboratoria moest beschikken.  Om tegemoet te komen aan de noodzaak om nieuwe, aangepaste gebouwen op te richten, kocht de universiteit een domein met tuin van een adellijke familie. Dit domein lag achter het reeds bestaande gasthuis.

Dank zij een schenking van de ultramontaanse bisschop van Luik kon nog datzelfde jaar worden gestart met de opmaak van de plannen. Voor het ontwerp werd beroep gedaan op een jonge hoogleraar verbonden aan de Faculteit Toegepaste Wetenschappen. Kort daarop werd de bouwaanvraag door de stad goedgekeurd. Nog geen jaar later, in 1877, werd het instituut met veel luister ingehuldigd.

Het instituut werd opgetrokken in neogotische stijl en omvatte een auditorium voor 200 studenten met aanleunend een dissectiezaal. Via het binnengebied was de campus rechtstreeks verbonden met het meer noordoostelijk gelegen gasthuis. In de loop der jaren werd het complex nog uitgebreid met auditoria, laboratoria en dissectiezalen.

Sinds enkele jaren staat het gebouw grotendeels leeg. Het pathologisch instituut was tot voor kort nog deels in gebruik. De sloopwerken op de site begonnen eind 2019.

 

 

Blue Christ Church

Deze neogotische parochiekerk werd gebouwd in het begin van de jaren 1880. De bakstenen constructie werd opgericht onder de vorm van een kruisbasiliek (een kruiskerk die is opgezet als basiliek. Dit betekent dat het kerkgebouw zijbeuken heeft die lager zijn dan de middenbeuk en dat de middenbeuk boven de zijbeuken is voorzien van een rij vensters). Ook het interieur van de kerk was neogotisch en bevatte onder meer een 16de eeuws hardstenen doopvont in gotische stijl. Van de oorspronkelijke pracht en praal is vandaag nog maar weinig overgebleven. Pogingen om de kerk te restaureren draaiden op niets uit. In 2015 werden nog de orgelpijpen van het kostbare 16de eeuwse orgel afgezaagd om de verkopen als oud ijzer…

Ondanks de jarenlange leegstand is de kerk nog relatief gespaard gebleven van vandalisme. Dat is wellicht te wijten aan het feit dat ze lange tijd grondig afgesloten was. Eind 2018 was er een nieuwe mogelijkheid ontstaan om binnen te raken. Die vergt wel enig klimwerk. Laten we hopen dat dat volstaat om vandalen, brandstichters en verfspuitende idioten buiten te houden…

 

 

Courthouse

Nadat aan het einde van de Eerste Wereldoorlog het oude gerechtshof volledig afbrandde, diende zich de noodzaak aan om een nieuw gerechtshof te bouwen. Het duurde nog tot halverwege de jaren 1920 voor er concrete plannen kwamen voor de nieuwbouw. Het stadsbestuur schreef een wedstrijd uit, waarbij de Brusselse architect Jerôme Vermeersch als winnaar uit de bus kwam. In 1934 mag Vermeersch starten met de bouw van het gerechtshof. Omwille van financiële overwegingen moet hij het ontwerp wel “soberder” uitvoeren dan oorspronkelijk voorzien was. De geplande hoektoren wordt kleiner uitgevoerd en voorzien van een peervormige spits.

Voor het interieur koos Vermeersch resoluut voor de art decostijl. Het gebouw wordt voltooid en in gebruik genomen in 1936. Het gerechtshof werd na verloop van tijd te klein en nadat het in 2008 geklasseerd werd als monument, werd er begonnen aan de bouw van een nieuw gerechtshof op een andere locatie. In 2011 werd het oude gerechtshof verlaten. Inmiddels werd het verkocht aan een projectontwikkelaar, die er – rekening houdend met de erfgoedwaarde – een nieuw woonproject in zal realiseren.

 

 

Chateau Lumière

Chateau Lumière werd tussen 1900 en 1903 gebouwd door de familie Burrus, die haar fortuin had gemaakt in de tabaksindustrie. De familie Burrus onderscheidde zich op tal van vlakken, waaronder niet in het minst de liefdadige werken ten voordele van de gemeenschap waarin zij leefden. Zij bouwden onder meer een voetbalstadion, een zwembad en tehuizen voor ouderen. De werknemers van de tabaksfabriek kregen veel meer “voordelen” dan de wet in die tijd oplegde, zoals verzekering en pensioen.

Het chateau werd ontworpen door de Straatsburgse architecten Gottfried Julius Berninger and Gustave Henri Krafft. Zij kozen voor de neobarokke stijl, die toen populair was in Frankrijk. De neobarok, net zoals de barok, typeert zich door het rijke en weelderige materiaalgebruik, de symmetrie en het veelvuldig gebruik van versieringen en complexe patronen. Die laatste zijn onder meer zichtbaar zijn in de smeedijzeren hekwerken rond het domein en de smeedijzeren trapleuningen.

Kort na het voltooien van het chateau overlijdt de bouwheer en neemt diens zoon Maurice Burrus zijn intrek in het gebouw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog weigerde Maurice Burrus de Duitse troepen te voorzien van tabak en moest hij op de vlucht naar Zwitserland.  Het chateau werd in beslag genomen om onderdak te bieden aan Duitse officieren. Na de oorlog neemt de inmiddels als oorlogsheld gedecoreerde Maurice de leiding over van de tabaksfabriek. Hij groeit in toenemende mate uit tot een invloedrijke figuur op industrieel, financieel en politiek vlak.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog moest hij vluchten, dit keer naar zijn eigendom in de Pyreneeën. Ook dit keer werd zijn chateau opgevorderd door het Duitse leger en werd het omgevormd tot een trainingscentrum voor gewonde Duitse officieren. Na WO II trok hij zich terug in Genève. Chateau Lumière werd in eerste instantie verkocht aan een religieuze orde, maar werd later verkocht aan een private eigenaar. In 1993 werd het chateau beschermd als monument. Aangezien het onbewoond was, werd het al snel het voorwerp van vernielingen door vandalen. Tegenwoordig blijft er nog maar bitter weinig over van het ooit zo luisterrijke chateau…

 

 

Chateau Vignes Vertes

Het kasteel, waarvan de architect niet bekend is, werd gebouwd omstreeks 1830. Op deze plaats bevond zich voordien een versterkte vesting. Die vesting werd afgebroken, maar de slotgrachten bleven in eerste instantie bewaard. Later werden ook de slotgrachten gedempt om er tuinen aan te leggen.

Het in neoklassieke stijl opgetrokken kasteel, met tal van verwijzingen naar de Italiaanse architectuur, heeft een H-vormige plattegrond: een centraal gedeelte, met aan weerszijden een dwarsvleugel die er op aansluit. Het opmerkelijke interieur weerspiegelt de overgang van de neoklassieke geest naar eclecticisme onder de juli-monarchie. Verscheidene kamers werden ingericht met Parijse meubels en gordijnen uit 1830. Die sluiten aan bij een nep-hout en faux-marmer decor, beschilderde plafonds van het Pompeius of antieke type. Muren bedekt met behang uit het huis Dufour. Het geheel werd beschermd als erfgoed in 2000.

 

 

Therme Bleu

Al in de Gallo-Romeinse tijd was hier een kuuroord. Dankzij een roman waarin de schoonheid van een herderin wordt toegeschreven aan de kwaliteit van de wateren van dit dorp, komt het stadje plots in het middelpunt van de belangstelling. In 1845 wordt dit prachtige kuuroord geopend. Het heeft een uitstekende reputatie tot het einde van de 19de eeuw. Die stort rond de eeuwwisseling echter zonder duidelijke reden in.

Bijna 100 jaar later wordt op dezelfde plek geprobeerd om het eens beroemde bronwater te bottelen en te verkopen als een topproduct. Men richt zich voornamelijk op de rijke klantenkring van luxe hotels en restaurants van het Arabische schiereiland. Het project blijkt echter een commercieel falen te zijn en het bedrijf sluit uiteindelijk in 2014…

 

 

Chateau des Fantômes

Aan de poorten van de Bourgogne, midden in het Pays de Bresse, op de top van deze beboste heuvel, torent het statige Chateau des Fantômes boven de vallei uit. De grondvesten van het kasteel gaan al terug tot de tweede helft van de 13de eeuw. Het is echter pas bij de overgang naar de 15de eeuw dat van het geheel een versterkte vesting wordt gemaakt. In de 19de eeuw worden er nog verbouwingen en uitbreidingen uitgevoerd aan het kasteel. Sinds de jaren 1990 werd het echter verlaten en raakte het snel in verval.

De familie die vandaag eigenaar is van het goed, lijkt niet geneigd te zijn om het gebouw tegen verder verval te beschermen. Dit prachtige sprookjesachtige kasteel zou wel eens hetzelfde lot kunnen ondergaan als het inmiddels verdwenen Chateau Miranda… De ingestorte vloer boven een van de woonkamers is al een eerste aanzet.

Naast het kasteel bevindt zich de lege, maar mooi vervallen familiekapel. Je treft ze soms aan als afzonderlijke locatie onder de naam Chapelle Xavier.

 

 

 

Val Benoit

De universiteitssite van Val Benoit is een architecturaal geheel in modernistische stijl. Het dankt zijn naam aan het feit dat op deze plaats ooit een abdij van de orde der cisterciënzers gevestigd was. Die werd er al gesticht in de 13de eeuw. Ten gevolge van de Luikse Revolutie werd ze gedeeltelijk gesloopt. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd wat er nog van overbleef verwoest door bombardementen.

Tussen 1930 en 1965 zocht de universiteit van Luik naar uitbreidingsmogelijkheden omwille van de toename aan studenten. Daarom bouwde ze hier een aantal nieuwe faculteiten. Dit instituut voor toegepaste chemie en metallurgie was er daar een van. Het gebouw werd in 1937 in aanwezigheid van Leopold III ingehuldigd. Vanaf 1967 week de universiteit stelselmatig uit naar de nieuwe, centrale site in Sart-Tilman.

Vanaf 2006 werd de campus Val Benoit volledig verlaten. Sinds 2013 zijn er werken aan de gang om de volledige campus te rehabiliteren. Een deel zal door bedrijven worden ingenomen en een ander deel zal omgevormd worden tot studentenkamers.

 

 

Police Academy

Police Academy was een afdeling van het Heilig-Hartcollege van Heist-op-den-Berg. De 1,44 ha grote site bevindt zich op het hoogste punt van de gemeente, achter het klooster van de Zusters Annonciaden, die de school in 1919 stichtten. Het schoolcomplex werd er opgericht in de jaren 1940. Het complex werd verkocht aan een projectontwikkelaar, die er 4,7 miljoen euro voor neertelde. Hij zal er 85 nieuwbouwappartementen bouwen.

De school had niets te maken met een politieschool. Ze kreeg die naam enkel omwille van de ligging ervan achter de kantoren van de lokale politiezone. Dat verklaart wellicht ook waarom er relatief weinig vandalisme was, op een hoop gesneuvelde ruiten na.

De sloopwerken werden aangevat eind 2018…