usine

image_pdfimage_print

Robots Factory

Dit Oostenrijks bedrijf produceert niet-vervangbare vuurvaste materialen voor alle industriële bak- en smeltprocessen. De hoofdzetel van het bedrijf was gevestigd in Wenen. De firma had wereldwijd 7.900 mensen in dienst op ongeveer 30 productielocaties en meer dan 70 verkooplocaties. Wij bezochten echter deze Duitse vestiging, waar voornamelijk magnesia-koolstofstenen voor de staalindustrie gemaakt werden. Vanwege de crisis in de Europese staalindustrie werd in 2013 de Duitse locatie gesloten. 122 medewerkers kwamen op straat te staan. Momenteel zijn de sloopwerkzaamheden er volop aan de gang.

De fabriek is behoorlijk uitgebreid en beslaat verschillende productiehallen. Meestal zie je van deze locatie enkel de hal met de “robots”. Aangezien het onze enige locatie was die dag, namen we uitgebreid de tijd om ook de andere gebouwen te verkennen. We troffen ook in die andere gebouwen enkele mooie en fotowaardige hoekjes aan.

 

 

Industrial Wanderer

Een van de belangrijkste industriële monumenten van deze Saksische metropool is deze in 1885 opgerichte fabriek. Honderd jaar geleden huisde hier een van de grootste autofabrikanten in Duitsland. De fabriek produceerde niet alleen auto’s, maar ook fietsen en motorfietsen. Na de Tweede Wereldoorlog ging de autoproductie verder onder de naam AUDI in een nabijgelegen stadje.

In deze fabriek werden vanaf dan de machines gedemonteerd als onderdeel van het herstelwerk en naar de Sovjet-Unie gebracht. Vanaf de jaren 1950 werden hier onder andere kantoormachines, vliegtuigmotoren en hydraulische pompen geproduceerd.

Vandaag blijven alleen de mooie, lege industriehallen staan, zoals deze industriële balzaal, ooit de krachtcentrale van de fabriek. Het ziet er jammer genoeg naar uit dat het gebouw wacht op de definitieve sloop…

 

 

 

Puppen Fabrik

Deze verlaten fabriek kreeg de naam “Puppen Fabrik”, omwille van de grote hoeveelheid plastic poppetjes die er te vinden waren. Nochtans was dat niet wat er in deze als sinds halverwege de jaren 1990 leegstaande fabriek geproduceerd werd. Hoewel informatie zeer schaars te vinden is, kon ik achterhalen dat de fabriek werd opgericht in 1969 en dat het in feite om een inktfabriek gaat…

Einde 2019 werd de stad slachtoffer van een pyromaan, die het blijkbaar op leegstaande panden gemunt had. Ook deze fabriek ontsnapte niet aan de waanzin van de pyromaan. De berichtgeving naar aanleiding van de brand vermeldde dat de fabriek nagenoeg volledig afgebrand was. De schade bleek echter tot het voorste deel van het gebouw beperkt te zijn gebleven. Er waren nog enkele zeer mooie stukken te zien en te fotograferen…

 

 

Mint Factory

Over deze voormalige betoncentrale valt weinig informatie te vergaren. Ik kon alleen ontdekken dan dat ze in 2017 failliet verklaard werd. Het bedrijf was vooral gespecialiseerd in het vervaardigen van betonnen bloembakken, terras- en traptegels en palissades.

Binnen in de werkplaats was alles in een frisse, mintgroene kleur geschilderd. Vandaar de naam Mint Factory. Jammer genoeg moesten we het bezoek hier eerder kort houden. Het was al aan de late kant toen we er aankwamen en de duisternis viel al snel in. Bovendien werden we plots verrast door de aanwezigheid van de eigenaar. Da’s altijd een goed signaal om het pand te verlaten…

 

 

Frida’s Factory

In dit chemiebedrijf, in 1912 ontstaan als vestiging van een cokesfabriek, werd vanaf 1917 zwavelzuur en fosforzuur geproduceerd. Het fosfaaterts dat hiervoor als grondstof gebruikt werd, werd ingevoerd uit Marokko. Als bijproduct kwam daar vervuild gips bij vrij. In 1925 werd de fosforzuurproductie overgenomen door het bedrijf dat zijn naam schonk aan de site. Zelfs na meerdere overnames staat ze nog steeds bekend onder die naam. Er ontstond geleidelijk aan een gipsberg van aanzienlijke afmetingen, die uiteindelijk zelfs een oppervlakte van 80 hectare besloeg.

In 1989 werd een installatie voor de terugwinning van zwavelzuur in bedrijf genomen. Er volgend nog enkele overnames, tot het bedrijf uiteindelijk in 2009 failliet ging. Wat overbleef na het faillissement was het terrein, waarvan de bodem werd gesaneerd en de gebouwen vanaf 2013 werden afgebroken. De gipsopslag werd na sanerings- en stabiliseringswerkzaamheden afgedicht. Het terrein werd inmiddels bebost en er werd ruimte voorzien voor een nieuw bedrijventerrein en een park met zonnepanelen.

Op één van de silo’s werd een graffiti kunstwerk aangebracht met de beeltenis van de Mexicaanse surrealistische kunstschilderes Frida Kahlo. Vandaar Frida’s Factory… Hoewel er inmiddels al een groot deel van de gebouwen verdwenen is, is er nog voldoende overgebleven om te ontdekken en fotograferen.

 

 

Zeche N4

In het steenkoolbekken in het Duitse Ruhrgebied zijn tal van Zeches te vinden. Veel van deze Zeches werden inmiddels afgebroken, maar deze is vrijwel volledig intact gebleven. Hij staat dan ook op de lijst van te bewaren industrieel erfgoed. Dit was de 4de schacht van een groter mijnbedrijf. De graafwerken begonnen er in 1959, maar het duurde nog 4 jaar voor de eerste steenkool werd gedolven.

Eind 2001 werd de ontginning er stilgelegd. De mijn is nagenoeg volledig bewaard gebleven en is vooral een bezoek waard vanwege de uit 1962 daterende schachtbok, die aanzienlijk is in termen van ontwikkelingsgeschiedenis. De schachthal en het hijshuis vormen een functionele eenheid met het hijsframe en zijn het bewaren waard. Het schachtsysteem van deze Zeche is een van de meest opvallende schachtsystemen in het Rijnland vanwege het historische belang van de bewaarde steigers en de typische architectuur van de schachtgebouwen.

Bekijk ook de reeks over de schachten 1 en 2 van hetzelfde mijnbedrijf: Zeche N1

 

Trafilatura

Deze draadtrekkerij werd in 1951 opgericht als dochteronderneming van het staalbedrijf van Gustave Boël, dat zowel plaatstaal als walsdraad produceerde. Vóór de oprichting van dit dochterbedrijf werd de walsdraad verkocht aan onafhankelijke draadtrekkerijen in binnen- en buitenland. De nieuwe onderneming stelde zich tot doel de traditionele draadproducten te fabriceren en te ontwikkelen. Dat waren onder meer blanke draad, verzinkte draad, draadnagels, prikkeldraad en afsluitingen. De Europese draadmarkt kende een sterke groei en dit creëerde bijkomende exportmogelijkheden. In de daarop volgende jaren werd bouwstaal het grootste afzetproduct van de fabriek.

Geleidelijk aan veranderde de productie van geribde draad en bouwstaalmatten tot blinkende draad voor verchromen en vernikkelen. Er werd tevens geïnvesteerd in gloeiovens voor de productie van koudstuikdraad. Een overname in 1999 door de Duferco groep, die eerder in aan- en verkoop gespecialiseerd was dan in productie, was het begin van het einde voor deze fabriek. Er volgen nog overnames en samenwerkingsverbanden, maar deze fabriek blijft functioneren als een afdeling van de staalfabriek waaruit ze ontstaan is. Na de sluiting van de staalfabriek begin 2013 gaan de zaken snel achteruit. In het najaar van 2018 valt na 67 jaar het doek over de draadtrekkerij.

 

 

Usine S

Schapenwol bevat veel onzuiverheden, zoals lanoline (wolvet) en suint (zweetwol). Van oudsher gebeurde het wolwassen door middel van alkalische en hete baden in kuipen en speciale machines. De lanoline, die onoplosbaar is in water, kon hiermee echter niet afgescheiden worden.

Deze fabriek werd aan het begin van de 20ste eeuw opgericht. Men paste er een nieuw, uit de Verenigde Stated overgewaaid procédé toe. Dat bestond uit de behandeling van de vetwol met nafta of petroleumbenzine. Dit absoluut neutrale product tast de vezel van de wol immers niet aan. Het laat bovendien alleen het percentage vet achter dat nodig is om de natuurlijke soepelheid en elasticiteit te behouden. De nafta wordt naderhand door middel van verdamping uit de overgebleven wol verwijderd.

Een ander interessant resultaat van de “solventage” was recuperatie van het uit de wol onttrokken vet: pure, volledig zuivere lanoline. Een van de verschillende toepassingen van uit wol onttrokken lanoline, was de vervaardiging van farmaceutische zeep en lanoline voor het onderhoud van huiden en vellen, maar het kan ook worden gebruikt bij de bereiding van oliën. vet, was, zalven, consistente vetten, enzovoort.

 

 

Bureau Central

Dit enorme pand behoorde toe aan het hoogovenbedrijf, dat meerdere vestigingen had in de streek. Over de geschiedenis van het gebouw zelf valt weinig informatie te rapen. Het oorspronkelijke gebouw werd opgericht in het laatste kwart van de 18de eeuw. Het kende enkele ingrijpende wijzigingen en uitbreidingen in de loop van de 19de en 20steeeuw. Het gebouw huisvestte het centrale bestuur en de administratie van het hoogovenbedrijf.

Begin jaren 1980 werd het inmiddels verouderde gebouw verlaten. Sedertdien is het verval er met rasse schreden vooruitgegaan, niettegenstaande de klassering ervan als erfgoed in 1987. Vooral de centrale hall met overwelfde lichtkoepel heeft sterk te lijden gehad van de elementen, die er vrij spel hebben. Het imposante gebouw, met lange, eindeloos lijkende gangen en diffuse lichtinval is een gedroomde locatie voor fotografen met een voorkeur voor verlaten en vervallen gebouwen.

Op het domein bevond zich oorspronkelijk ook het kasteel. Het behoorde toe aan de adellijke familie die eigenaar was van het bedrijf, maar dat werd enkele jaren geleden al gesloopt. Het ziet er naar uit dat dit mooie kantoorgebouw hetzelfde lot zal ondergaan, als er niet snel werk gemaakt wordt van de renovatie ervan…

 

 

Mine des Grimpeurs

Dit mijnbedrijf maakte deel uit van het imperium van een adellijke familie, die vooral actief was in de staalindustrie. Die zelfde familie ontmoetten we al in een eerdere reeks over het administratief gebouw dat het centrale bestuur van het bedrijf huisvestte: Bureau Central.

Het eerste stuk steenkool in deze vestiging werd in juni 1856 gedolven. De schacht bevond zich op twee kilometer afstand van wat later het familie-hoofdkwartier zou worden. Ten minste, wat de ontginning van steenkool betreft. Na deze ontdekking, stelde de raadgevend ingenieur om ook voor het gebied naar het zuiden te onderzoeken in. Tot dan was het werkterrein omwille van de landsgrens beperkt tot het noorden. Tussen 1862 en 1889 werden er verschillende nieuwe schachten gegraven.

De kolen werden voornamelijk gebruikt om de staalfabrieken van de familie af ​​te stoken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie in minder dan tien jaar verdrievoudigd. In 1946 was het bedrijf verbonden aan het nationalisatieproces van alle Franse kolenmijnen.

Na 1960 werd de steenkoolindustrie echter hard getroffen. Het bedrijf moderniseerde noodgedwongen en investeringen gingen door tot 1986. De hoofdzetel stopte met activiteiten in 1986, maar een deel van de infrastructuur van de site bleef tot 1989 in gebruik voor andere schachten die nog in bedrijf waren. De laatste put werd gesloten in 2001.

 

Pottery

De reputatie van het aardewerk dat hier geproduceerd werd is haast legendarisch. In de loop van de twee eeuwen dat dit familiebedrijf bestond, heeft het wereldwijd een schare trouwe bewonderaars gegenereerd. Het aanbod bestond uit allerlei stukken aardewerk, zoals serviesgoed, vazen en bloempotten, maar ook kunstobjecten, fresco’s en zelfs kachels.

De fabriek werd opgericht in 1790, maar kampte aanvankelijk met grote problemen, waaronder moeilijkheden met de aanvoer van grondstoffen, maar ook vijandigheid en wantrouwen van de bevolking. Bovendien was de concurrentie van vooral Engelse producenten groot. Rond de eeuwwisseling werd de fabriek overgenomen door een inventieve jonge Duitser. Hij introduceerde nieuwe decoratietechnieken en het gebruik van de fijnste grondstoffen en wist zo het tij al snel te keren. Napoleon werd een van de beste klanten, waardoor de orders al snel binnen stroomden en uitbreiding van het bedrijf zich opdrong.

De huidige fabriek, waaronder ook deze opslagplaats voor mallen, dateert van deze periode van expansie tussen 1850 en 1860. Tijdens de glorieperiode bood het bedrijf werk aan ruim 3200 werknemers. Einde jaren 1970 markeerde een keerpunt. Het bedrijf was inmiddels overgenomen door een andere familie. Die staakte de productie van serviesgoed om zich toe te spitsen op tegels voor wanden en vloeren. Begin jaren 2000 is het zakencijfer sterk gedaald en zijn er nog een 100-tal werknemers over die het bedrijf in leven proberen te houden. Nauwelijks 5 jaar later gaat het bedrijf alsnog in liquidatie. Kort erna spreekt de rechter het faillissement uit en valt het doek definitief over twee eeuwen industriële geschiedenis…

 

 

Bernina’s Brother

Einde 17de eeuw verwoestte een grote brand bijna 600 houten huizen in het centrum van Sint-Niklaas. Dit prachtige herenhuis was een van de zeldzame eerste stenen burgerlijke gebouwen dat na de brand werd gebouwd. Het gebouw werd opgetrokken in Lodewijk XVI-stijl, een eerder sobere en symmetrische stijl. Hij wordt gekenmerkt door classicistische versieringen, zoals hier de houten dakkapellen en het driehoekige fronton.

In de 19e eeuw vestigden de toenmalige eigenaars een katoenfabriek op de site. Dankzij een verstandig beheer en tijdige modernisering tijdens de Industriële revolutie groeide die uit tot een succesvol bedrijf.

In het begin van de 20ste eeuw worden de gebouwen verkocht en herbestemd tot een vak- en ambachtschool die al snel van groot belang bleek te zijn voor de ontwikkeling van de textielindustrie van de stad. In 2008 trekken de laatste leerlingen weg uit deze historische gebouwen.

Inmiddels werd het gehele complex verkocht aan een projectontwikkelaar, die er met respect voor de historische gebouwen een nieuw woonproject zal realiseren. Deze werken zijn momenteel volop aan de gang.

 

 

Usine Gonzo

Usine Gonzo maakt deel uit van een traditionele vlasroterij. De roterij werd opgericht aan het einde van de 19de eeuw en werd stelselmatig uitgebreid tot  de huidige site. De hele site wordt beschouwd als waardevol erfgoed. Dat heeft te maken met de strategische ligging, maar ook omdat ze een van de best bewaarde roterijen van haar soort is. Er zijn typische rootputten, de stoommachines met bijhorende schoorsteen, een paar vlasschuren en een zwingelarij. De machinekamer bevat onder meer stoomketels en een uitzonderlijke stoommachine, de enige in zijn soort die nog in België te vinden is.

De ketels werden aangestookt met ‘lermen’, de houtachtige kernen van de vlasstengels die tijdens het productieproces van de vlasvezels afgescheiden werden. De stookkosten konden hierdoor bijna tot nul herleid worden. Ook in deze roterij werd deze brandstof tot in de late jaren 1970 gebruikt. Eind jaren 1970 raakte het bedrijf in onbruik, maar het zou nog ruim 25 jaar duren vooraleer het geheel als industrieel erfgoed beschermd werd.

 

 

Filature Panier

Over deze verlaten fabriekssite kon ik niets meer achterhalen dan dat het een voormalige weverij is. Later vestigde zich hier een bedrijf dat zich specialiseerde in het produceren van medisch verband. Sinds 2007 werden de fabrieksgebouwen verlaten en wacht het terrein op een herbestemming.

Het terrein is vlotjes toegankelijk. Dat lijkt goed nieuws, maar is het niet. Dergelijke sites die vlot toegankelijk zijn, zijn vaak slachtoffer van vandalen. Dat is op deze site niet anders. Aangezien het hier niet gaat om waardevol industrieel erfgoed, is de kans groot dat het geheel gesloopt wordt om plaats te ruimen voor nieuwbouw woonprojecten…

 

 

Four de C.

Deze staalfabriek werd in 1853 gesticht. Toen de eigenaar omwille van de hoge financiële eisen voor de aanleg van een spoorlijn aan de rand van het faillissement stond, werd hij gered met de financiële hulp van een accountant binnen zijn bedrijf. Na de dood van de stichter in 1880 heeft hij het bedrijf nagelaten aan die accountant, die onder zijn naam het bedrijf groot maakte. Tegen 1897 had het bedrijf 1200 werknemers in dienst.

Tegen 1913 beschikte het bedrijf over twee hoogovens, twee batterijen van 41 cokesovens; twee staalfabrieken, walserijen, smederijen, werkplaatsen enz. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek ontmanteld en gesloopt, maar vanaf 1919 werd ze heropgebouwd met nieuwe hoogovens en cokesovens met een productiecapaciteit van 200,00 ton ijzer per jaar. Tijdens het interbellum zouden er nog meer uitbreidingen aan de fabriek plaatsvinden.

Het bedrijf bloeide tot in de jaren 1970, maar werd vanaf dan, net zoals andere staalindustrieën getroffen door de staalcrisis. Het aantal werknemers werd herleid tot één derde. Het bedrijf kende vanaf dan een opeenvolging van overnames en fusies. De huidige eigenaar, een Russische partner van de laatste overnemer, produceert er sinds 2016 warm en koudgewalst staal.

 

 

Slachthuis De Lokery

Dit voormalige stedelijk slachthuis werd in de jaren 1960 opgericht, maar werd einde jaren 1990 verkocht aan een private ondernemer. De varkens werden aangevoerd in vrachtwagens, zowel overdag als ’s nachts. Samen met de vaak niet te harden geurhinder veroorzaakte dit een hoop wrevel bij de buurtbewoners. Uiteindelijk werd met de stad overeengekomen dat de activiteiten er eind 2015 zouden worden stopgezet. Omwille van protesten omtrent de nieuwe locatie, liep de stopzetting van de activiteiten vertraging op. Er werden er nog varkens geslacht tot eind 2016. Sinds begin 2017 werd de site verlaten in afwachting van de sloop en de komst van een nieuwbouwproject.

Een groot deel van de charme van urban exploring bestaat erin dat je op verlaten plekken komt en je fantasie de vrije loop kan laten over hoe er daar vroeger geleefd en gewerkt werd. Bij deze locatie was dat een behoorlijk confronterende ervaring… De confrontatie met het feit dat wij als mens niet meer waarde hechten aan een levend wezen dan het zonder veel plichtplegingen reduceren ervan tot een louter consumptieartikel. Een kille, donkere en troosteloze plek, die om die reden een diepe indruk op me gemaakt heeft. Sterker nog: het was de rechtstreekse aanleiding van mijn beslissing om vegetariër te worden.

 

 

ECVB

De industriële ontwikkeling van Gent is in belangrijke mate schatplichtig aan baron Floris van Loo. Vanaf het einde van de 19de eeuw ondernam hij pogingen om de regio te elektrificeren. Die pogingen resulteerden in 1911 in de oprichting van de “Centrales Electrique des Flandres et du Brabant” (Elektrische Centralen van Vlaanderen en Brabant). Twee jaar later ging men van start met de bouw van de thermische centrale Langerbrugge langs het kanaal Gent-Terneuzen.

Deze energiecentrale vormde de grondslag voor de industriële ontwikkeling van de zone. Architect Eugène Dhuicque ontwierp het gebouw in een decoratieve baksteenstijl. De centrale werd aan het begin van WOI in gebruik genomen, maar liep aan het einde van de oorlog zware schade op. Niet zozeer aan de gebouwen, dan wel aan de installaties. De centrale zou zich in de loop van de 20ste eeuw verder ontwikkelen en uitbreiden.

Vanaf het einde van de jaren ’80 werd de productie stelselmatig afgebouwd, tot ze in 2010 volledig werd stilgelegd. Er werd nog een tijd lang een “Museum Energeia” uitgebaat in de oudste gebouwen. In 2000 besliste Electrabel (de opvolger van ECVB) om niet langer in het museum te investeren.

Het complex werd beschermd als industrieel erfgoed in 1999. Het oorspronkelijke beschermingsbesluit werd door de Raad van State tenietgedaan in 2009, maar werd hernomen in 2013. Die bescherming weerhield koperdieven er niet van om er een enorme ravage achter te laten. Ondertussen zijn de oudste delen van het complex gereduceerd tot een leeg omhulsel, waarin alleen nog een oude stoomturbine van de ‘Société Rateau’ en de ‘Ateliers de Construction la Meuse’ achterbleef…

 

 

Fondatel

Deze ijzergieterij stond voor de sloop van de site bekend als “Usine H”. Fondatel vestigde zich aan het einde van de negentiende eeuw vlakbij het station van Herne. Het bedrijf was vooral actief was in de wegenissector en produceerde onder meer straatkolken en riooldeksels. Op haar hoogtepunt stelde het bedrijf meer dan honderd mensen uit de regio te werk. Na aanhoudende klachten van buurtbewoners over geur- en lawaaihinder besloot het bedrijf haar activiteiten te verhuizen naar Andenne, waar zusterbedrijf Fonderies Lecompte gevestigd is. De site in Herne kwam daardoor leeg te staan.

De gemeente Herne liet een ruimtelijk uitvoeringsplan opmaken om de terreinen te kunnen herbestemmen. Vanaf einde 2019 werden de bedrijfsgebouwen gesloopt. De vrijgekomen ruimte zal gebruikt worden om er een nieuwe woonwijk met 98 woningen te vestigen… Alweer een stukje Vlaams industrieel erfgoed wordt hiermee definitief van de kaart geveegd.

Ten tijde van mijn bezoek in het najaar van 2018 waren de gebouwen al grotendeels ontruimd. De halvelings lege loodsen konden toch nog model staan voor enkele leuke shots.

 

 

Terre Rouge

Terre Rouge, genoemd naar de rode kleur van de ijzerhoudende grond, was een van de grote spelers in de ijzerertsindustrie in Luxemburg en zelfs in Europa. De geschiedenis van de site neemt een aanvang omstreeks 1870 met de bouw van de “Usine Brasseur”. De “Société Anonyme des Hauts-fourneaux Luxembourgeois” bouwde daar toen de twee eerste hoogovens. Minstens 10 verschillende mijnbedrijven ontgonnen op deze site ijzererts. dat gebeurde eerst bovengronds, later uit ondergrondse galerijen

In 1937 werd het bedrijf opgeslokt door ARBED (Aciéries Réunies de Burbach-Eich-Dudelange). Nog later werd het bedrijf overgenomen door de groep ArcelorMittal. In de jaren 1950 ontdekte men dat de gassen, die vrijkwamen bij het smelten van ijzer tijdens de staalproductie, konden worden gebruikt om elektriciteit te produceren. De Centrale Thermique werd daarom in 1951 gebouwd om deze revolutionaire techniek te exploiteren.

In de jaren 1970 zag Luxemburg de staalindustrie krimpen en de hoogovens in de hele regio begonnen te sluiten. Een dag nadat de laatste hoogoven in 1977 werd stilgelegd, werd ook de hele fabriek gesloten. De hoogovens werden inmiddels afgebroken. Tegenwoordig zijn alleen de ijzerertssilo’s en het lege gebouw van de krachtcentrale er nog, verlaten en ernstig in verval.

Sinds het voorjaar van 2020 worden ook deze laatste gebouwen gesloopt.

 

 

Wet Dogs Plant

De hoogoven, waar deze krachtcentrale deel van uitmaakte, lag al van 2008 stil. Het nieuws van de definitieve sluiting kwam er echter pas in 2012.

De bedrijvigheid op deze site ging van start in 1836. Zoals wel vaker gebeurt in de staalindustrie volgden er in de loop van de geschiedenis van de fabriek verscheidene fusies en overnames, tot de fabriek in 2001 uiteindelijk in Italiaanse handen kwam. Deze Italiaanse groep stopte in 2008 echter met de productie van primair staal. Er werd nog naar een overnemer gezocht, maar die werd niet gevonden. In 2012 viel het doek definitief over de fabriek. In de oude krachtcentrale werd gerecupereerd wat nog bruikbaar was, maar te oordelen naar de dikke laag stof die alles bedekt, werd er sedertdien nog maar weinig verplaatst…

Soms vraag je je af hoe locaties aan hun naam komen. Waarom iemand deze oude krachtcentrale met de naam “Wet Dogs Plant” bedacht, is me een raadsel.

 

 

Powerplant IM

In urbexmiddens worden Powerplant IM en Cooling Tower IM vaak als twee afzonderlijke locaties beschouwd. Oorspronkelijk vormden ze uiteraard één geheel. De voormalige elektriciteitscentrale van Monceau-sur-Sambre werd gebouwd in 1921. De machinegebouwen werden langs de linkeroever van de Samber gebouwd. De koeltoren, inmiddels ook bekend als filmlocatie van ‘De Premier’ langs de rechteroever.

De elektriciteitscentrale draaide initieel op gepulveriseerde steenkool. Naarmate de vraag naar energie steeg, werd het vermogen stelselmatig opgedreven. Daarom werd ze vanaf de jaren 1970 ook aangedreven door aardgas. Eind jaren ’70 was deze centrale de voornaamste leverancier van elektriciteit in de regio Charleroi. De centrale, die inmiddels een vermogen van 92 MegaWatt had bereikt, bleek evenwel ook een belangrijke vervuiler te zijn. Ze was verantwoordelijk voor maar liefst een tiende van de uitstoot van koolstofdioxide in België. Het nieuws werd gevolgd door hevige protesten van Greenpeace. De productie werd daarom in 2007 werd stilgelegd.

Sinds enkele jaren wordt de centrale stelselmatig ontmanteld. De gebouwen bleven inmiddels niet gespaard van dieven en vandalen. Vandaag biedt het geheel een trieste aanblik en herinnert het nog vaag aan de eens machtige energieproducent…

 

 

Heavy Metal (revisit)

Mijn eerste bezoek aan deze staalgigant dateert alweer van meer dan twee jaar geleden. Ik was zodanig onder de indruk van deze enorme fabriek, dat ik er letterlijk met open mond rondliep… De voorbije twee jaar hebben koperdieven hier vreselijk veel schade aangericht door de bedrading te ontmantelen om het koper er uit te halen. Ze hebben inmiddels wel tonnen koper en andere metalen gestolen… Ze waren trouwens nog steeds bezig toen we er deze keer waren! Gelukkig hebben ze ons niet te veel lastig gevallen. Ze waren zelfs galant genoeg om uit onze schots te blijven. 🙂 Ondanks alle schade is deze verlaten staalfabriek nog steeds met stip de meest indrukwekkende industriële site die ik tot nu toe heb gezien. Als je net zoveel van roest en stof houdt als ik, zal je dit geweldig vinden!

 

 

Black Cokes

Deze cokesfabriek werd begin jaren 1950 opgericht om de hoogovens in de omgeving van cokes te voorzien. De cokes worden geproduceerd uit de droge destillatie van steenkool. Die wordt in een zuurstofvrije omgeving indirect verwarmd wordt tot ongeveer 1000 graden. Zo ontdoet men ze van de ongewenste restproducten (waterstofgas, methaan, benzeen en teer). Cokes wordt voornamelijk ingezet om ijzererts in een hoogoven te reduceren tot ruw ijzer.

De fabriek besloeg een oppervlakte van 17 ha. Ze werd in 1981 nog met een extra ovenbatterij uitgebreid tot een totaal van 122 ovens. De productiecapaciteit bedroeg toen 750 kton/jaar. Tijdens de jaren 1990 werden er nog vernieuwingen uitgevoerd aan de ovens. Na de overname in 2001 wenste de nieuwe uitbater echter niet meer te investeren in de noodzakelijke aanpassingen om vele klachten omtrent milieuvervuiling te ondervangen.

Begin 2008 werd de laatste oven stilgelegd en sloot de cokesfabriek. In 2014 begon men met de sloop van de installaties. Daarna is voorzien in de sanering van de zwaar vervuilde bodem.

 

 

Filature Nouvelle Orleans

De katoenspinnerij N.V. La Nouvelle Orleans werd in 1896 gesticht langs de Nieuwe Vaart. In 1899 breidt het bedrijf uit met een nieuw gebouwencomplex. Het dominerend rechthoekig gebouw van vier bouwlagen onder drie schilddaken werd opgetrokken in 1899. Het is een typisch spinnerijgebouw van het Manchestertype. Verdere uitbreiding met nieuwe spinnerij volgde in 1905 en in 1908 werd de markante vierkante traptoren van het hoofdgebouw hoger opgetrokken en afgewerkt in neo-Vlaamserenaissancestijl. De ronde fabrieksschouw ten noordwesten van de spinnerij werd opgetrokken in 1947.

In 1957 fuseerde het bedrijf met de N.V. Waele & Röthlisberger & Fil. et Tis. L’Avenir tot de N.V. Filature Nouvelle Orleans (FNO). Vanaf de jaren ’50 kreeg de textielindustrie echter al rake klappen. Verschillende bedrijven konden het hoofd niet langer boven water houden. Ook Filature Nouvelle Orléans raakte in de problemen en werd in 1972 overgenomen door de UCO-groep.

In 1988 valt dan uiteindelijk toch het doek voor FNO. In 1990 werd de volledige site verkocht aan een Brusselse projectontwikkelaar. Verschillende delen van de fabriek kwamen leeg te staan en raakten al snel in verval. De overijverige projectontwikkelaar sloopte de stookplaats, de machinekamer, de paardenstal en één van de katoenloodsen zonder vergunning. De sloop van het Manchestergebouw kon nog net op tijd verhinderd worden… Op 3 januari 1995 klasseerde de Vlaamse Overheid het Manchestergebouw, de kantoorgebouwen uit 1896 en 1907, de schoorsteen en de oude katoenloodsen als monument.

 

 

Eric’s Engine Room

De eigenaars en uitbaters van dit bedrijfje waren oorspronkelijk actief in de vlasverwerkingssector. Toen de vraag naar vlas na de Tweede Wereldoorlog stagneerde, moest men uitkijken naar nieuwe activiteiten. Eind jaren 1950 werd dit bedrijf als zusterbedrijf opgericht. Het nieuwe bedrijf legde zich toe op het vervaardigen van mazouttanks, silo’s en tandwielen. Later werden de activiteiten van beide bedrijven nog verder uitgebreid en moest men uitwijken naar een grotere locatie. Die werd gevonden op een nabijgelegen industrieterrein.

Na de verhuis naar het nieuwe industriële complex begin jaren 1990 kwam deze locatie leeg te staan. De locatie onderging een prachtig natuurlijk verval en bleef tot het einde gespaard van dieven en vandalen… In de loop van 2019 ontruimde men het terrein grotendeels. De meeste gebouwen gingen onder de sloophamer. Gezien de ligging van het terrein, lijkt het logische dat men er nieuwe woningen op zal bouwen.

 

 

Orange Factory

In deze fabriek werden de afvalstoffen van een nabijgelegen hoogoven verwerkt. Meer specifiek produceerde men er synthetisch grafiet uit het afval van de cokes uit de hoogoven. Vanwege de relatieve zachtheid van het materiaal en de (zelf)smerende eigenschappen, wordt het in de elektrotechniek gebruikt in sleepcontacten. Men treft het onder meer aan in elektromotoren (als koolborstels), in stroomafnemers en in potentiometers.

Een andere toepassing is het gebruik als elektrode-materiaal in elektrochemische cellen. Denk bijvoorbeeld bij de isolatie van aluminium uit bauxiet, of in elektrolyse van waterige oplossingen. Hoewel de milieuvergunning voor deze uitbating nog loopt tot 2025 werden de activiteiten al een hele tijd geleden stilgelegd. Door de malaise in de staalindustrie werd de ene na de andere hoogoven stilgelegd. Daardoor raakten ook alle geassocieerde bedrijven in de problemen…

 

 

Quarry Power

Deze kleine krachtcentrale maakte deel uit van een bedrijf dat zich op verschillende plaatsen in België bezighield met de ontginning van porfier, een stollingsgesteente ontstaan uit de afkoeling van magma. Door eerder zeldzame magmatische fenomenen en tectonische bewegingen in de aardlagen ontstond in deze regio een bijzonder harde rotslaag. die levert een gesteente op met een grote weerstand tegen slijtage, dat bovendien nog quasi-chemisch onaantastbaar is.

Het bedrijf zelf startte zijn activiteiten echter al in de tweede helft van de 19de eeuw. Men richtte de ontginning aanvankelijk op de productie van kasseien en straatstenen. Dat bleef men ook doen tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Toen de vraag naar deze producten kleiner werd, moest men op zoek gaan naar andere toepassingen. Van de 12 steengroeven bleven er uiteindelijk slechts 4 over. In deze groeve wordt jaarlijks zo’n 300.000 ton gesteente ontgonnen.

Deze krachtcentrale werd opgericht bij het begin van de 20ste eeuw. Het valt niet te achterhalen wanneer de activiteiten ervan werden stopgezet. Het mooie, natuurlijke verval suggereert alleszins dat het gebouw en de turbines al sedert enkele jaren in onbruik zijn geraakt…

 

Valve Garden

Op weg naar een verlaten industriële site probeerden we een kortere weg te vinden om ons doel te bereiken. We stootten daarbij op dit gebouwtje, met daarachter een hoop tanks, buizen en vooral kranen… We bevonden ons midden tussen de verlaten staalindustrieën. Het is dus aannemelijk dat ook deze Valve Garden iets met die staalindustrie te maken had. Ik zou echter niet bij benadering kunnen vertellen waartoe dit allemaal ooit gediend heeft.

Ik was alleszins aangenaam verrast door de prachtige combinatie van het koude staal, de roest en het verval en dan de zachte kleuren die de herfst er overheen gestrooid heeft en hoop dat de foto’s dat kunnen overbrengen…

 

 

 

Skeleton Factory

Skeleton Factory was van oorsprong een drukkerij/uitgeverij. Het bedrijf ontstond al rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw in een nabijgelegen stad. Omstreeks 1935 werd het bedrijf overgebracht naar deze locatie. Hier was in eerste instantie het buitenverblijf van de familie gevestigd. De eigenaar van de drukkerij kocht in 1930 een paviljoen dat dienst had gedaan op de wereldtentoonstelling in Luik en liet het achter zijn buitenverblijf heropbouwen. Hierin werd in 1935 de drukkerij ondergebracht. In de daarop volgende jaren zou het bedrijf zich ontwikkelen tot het complex dat men op heden kent.

In de drukkerij werden oorspronkelijk voornamelijk prentkaarten gedrukt. Het ging vooral om afdrukken van foto’s die de eigenaar (zelf een fotograaf) maakte van onder meer de Belgische kust. Enkele jaren voor zijn overlijden verschoof de focus van postkaarten, waarvan de succesperiode voorbij was, naar voornamelijk etiketten. Zijn zoon, die al als drukker werkzaam was in het bedrijf, nam na zijn overlijden de drukkerij over. Hij veranderden de werkzaamheden in de drukkerij en schakelde over op industrieel drukwerk.

Tussen 1948 en 1976 werd de drukkerij meermaals overgenomen door Amerikaanse multinationals. Aangezien er nooit geïnvesteerd werd, ging het zakencijfer zienderogen achteruit. In 2004 werden de boeken neergelegd en verloren de 46 resterende werknemers hun baan…

De leegstaande fabriekshal is momenteel vooral bekend om de prachtige staaltjes graffitikunst van streetart artiesten Klaas Van der Linden (de skeletten) en ROA (de beestjes).

 

 

Usine Barbelée

Deze gigantische industriële site lijkt meerdere bedrijven te huisvesten. Het oudste en naar mijn persoonlijke smaak mooiste gedeelte was van oorsprong een van de cokesfabrieken die de nabijgelegen staalfabrieken van brandstof moest voorzien. In de oudste gebouwen op het terrein zijn nog de cokesovens te herkennen.

Eén van deze oude gebouwen – duidelijk door brand geteisterd – herbergt een schat aan prachtige roest en verval. Een ander en groter deel van de site lijkt een stuk recenter en wijst eerder op een chemische bedrijvigheid. Dit deel van de site is duidelijk nog niet zo lang geleden verlaten. Het is een locatie met een vrij hoge risicofactor. De overvloedig aanwezige scheermesdraad is al een duidelijk hint. De immer alerte security is bovendie constant aanwezig op het terrein.

Ik heb deze locatie inmiddels 3 keer bezocht (waarvan 1 keer een volledige dag) en heb nog steeds niet alles gezien… Een zéér indrukwekkende site alleszins, die men gerust meerdere keren kan bezoeken.

 

 

Control Room S Revisited

Ruim een jaar na mijn eerste bezoek aan deze oude staalwalserij werd het tijd voor een revisit. Een jaar voordien leek het nog alsof de productie elk moment hervat kon worden. De elektriciteit werkte er nog en het constante gezoem van generatoren was steeds hoorbaar. Een jaar later is het duidelijk dat het hervatten van de productie uitgesloten is… De meeste machines en werktuigen werden er weggehaald en een groot stuk van het oudste gedeelte van de fabriek is inmiddels gesloopt. Gelukkig bleef er toch nog genoeg over om ons enkele uurtjes te vermaken. We kregen deze keer zelfs een mooi bewaard gebleven controlekamer te zien, die tijdens ons eerste bezoek verborgen was gebleven…

Klik hier voor de reportage van het eerste bezoek.

 

 

Steampunk Commander

Deze elektriciteitscentrale was geen klassieke centrale, die stroom opwekt door middel van stoom. Het was een zogenaamde turbo-jet productie-eenheid. Dergelijke eenheden zijn in feite noodstroomgeneratoren. Ze zijn ontworpen om tegemoet te komen aan consumptiepieken of in geval van een panne in een andere centrale.

De elektriciteit wordt geproduceerd door een straalmotor die op minder dan 2 minuten op volle kracht kan draaien. De motor in deze eenheid werd aangedreven door nafta. Nafta is een mengsel van koolwaterstoffen, dat ontstaat bij het destilleren van ruwe olie als condensaat. De reactor wordt gestart met behulp van een persluchttank. Dit maakt een snelle opstart vanop afstand mogelijk, zonder enige andere vorm van energietoevoer.

Hoe lang dit gebouw in onbruik is, is niet duidelijk. Er is alleszins nog steeds bedrijvigheid op het terrein…

 

 

Remise Monceau

Remise Monceau maakt deel uit van een goederenstation langs een spoorlijn die de Waalse industriestad Charleroi bedient. Monceau is een van de zes grote rangeerstations in België en heeft meer dan dertig verdeelsporen. Deze loods, in de noordwestelijke hoek van het terrein, was oorspronkelijk een werkplaats voor rijtuigen en locomotieven. Verschillende locomotieven van de reeksen 51, 62 en 73 stonden lange tijd weg te roesten binnen en buiten deze vervallen hangars, maar werden enkel jaren geleden weggehaald.

Ik bezocht deze plaats voor het eerst in 2015. Ik had toen nog geen degelijke camera en kende ook niet het belang van fotograferen in RAW. Het resultaat laat zich raden. Twee jaar later keerde ik terug om het bezoek nog eens over te doen. De lege loods raakt inmiddels steeds meer in verval en blijft daardoor een mooie plek om in rond te dwalen…

 

 

Usine Justice

Over deze locatie valt er maar bitter weinig te vertellen… Uit tweede hand kwam ik te weten dat de eigenaar van deze verloederde loods werd opgenomen in een rustoord. Zijn zonen, waarvan er eentje advocaat is (vandaar “Usine Justice”) houden de zaak nauwlettend in de gaten. De loods, die in bijzonder slechte staat is, bevat enkele mooie oldtimer auto’s en bussen en verder een hele hoop troep.

Er werden al meerdere “bezoekers” op heterdaad betrapt… Voor mezelf scheelde het trouwens ook maar een haar. Ik kon me. nog net op tijd in het struikgewas verstoppen toen de eigenaar op het terrein kwam.

 

 

Brewery Loco

Brouwerij Van Honsebrouck ontstond omstreeks 1900. Emile en Louisa Van Honsebrouck verlieten toen de ouderlijke brouwerij omwille van ruzie tussen schoonmoeder en schoondochter. Ze kochten een kleine boerderij, waar ze hun eigen brouwerij stichtten. In 1922 worden de stichters opgevolgd door hun zonen Paul en Ernest Van Honsebrouck. De brouwerij bleef sindsdien in familiebezit.

Er werd oorspronkelijk voornamelijk pilsbier gebrouwen. In 1953 kondigde de derde generatie bierbrouwers zich aan wanneer Luc Van Honsebrouck Paul en Ernest opvolgt. Zijn ideeën zorgen voor een ommekeer voor de brouwerij. Men besluit zich te specialiseren in het brouwen van bieren met een hoge gisting, zoals Bacchus. Het assortiment bevatte verder onder mer een geuze, enkele fruitbieren en verschillende kasteelbieren.

In 2010 volgde Xavier zijn vader Luc op zijn beurt op. Onder dienst bewind werd in 2016 een nieuwe brouwerij met bezoekerscentrum in gebruik genomen in het nabijgelegen Emelgem. De oorspronkelijke brouwerij in Ingelmunster werd vervolgens afgebroken.

Neem een kijkje op de website van de brouwerij voor een gedetailleerde geschiedenis van brouwerij Van Honsebrouck.

 

 

Pete’s Shop

Deze voormalige weverij, opgericht in 1882, werd in de loop van de geschiedenis meermaals overgenomen. Gedurende bijna 90 jaar zou het een mechanische weverij blijven. Door de opkomst van nieuwere technieken moest het bedrijf in 1970 de deuren sluiten. Van 1970 tot 1997 werd er een meubelzaak in uitgebaat. Sinds 1997 staan de bedrijfsgebouwen leeg. Hoewel de bedrijfssite werd aangemerkt als bouwkundig erfgoed, kwam het nooit tot een werkelijke bescherming. Recentelijk werd dan ook beslist om de gebouwen om te vormen tot een nieuw woonproject. Op het ogenblik van ons bezoek waren de sloop- en renovatiewerken al aan de gang…

In urbexmiddens staat de locatie onder meerdere namen bekend. Pete’s Shop, Pete’s Factory, Usine Petite Echelle en Factory 2601. Omwille van de kenmerkende graffitikunstwerken van Pete One, wordt de naam Pete’s Factory het meest frequent gebruikt.

 

 

House of Escher

Om de opgedolven steenkolen te ontdoen van verontreiniging, zoals stukken steen, werd een systeem ontwikkeld om de steenkool te “wassen”. In een steenkoolwasserij werden de gedolven kolen in een installatie gebracht, waarin zich aan de onderzijde een rooster bevond. Langs daar voegde men water toe in pulserende bewegingen. Op de roosters lagen brokken veldspaat. Door de pulserende bewegingen (deinwasmachine) bewoog de steenkool over het bed van veldspaat. Het zwaardere gesteente zakte op en door het bed heen en kwam op de roosters terecht.

Deze steenkoolwasserij werd gebouwd in het midden van de jaren 1950. Ze bleef bijna 20 jaar in dienst voor de omliggende steenkoolmijnen. Het gebouw werd inmiddels als monument geklasseerd. Het kreeg aan de buitenzijde een opknapbeurt, omdat er plannen bestonden om er een publiek gebouw van te maken. Na een investering van 13 miljoen euro, vielen de werken echter stil, omdat er geen ruimte meer was in de begroting. Er bestaat nu de intentie om de binnenkant van het gebouw te declasseren, zodat het op de private markt kan verkocht worden…

Als je in dit gebouw binnenkomt, zie je vrijwel meteen waarom het de naam ‘House of Escher’ meekreeg. Het gebouw bevat een wirwar aan betonnen trapjes die overal en nergens naartoe lijken te lopen. De associatie met de wereldberoemde litho van graficus M. C. Escher “Klimmen en Dalen” (1960) is snel gemaakt.

 “Klimmen en Dalen” door Maurits Cornelius Escher (1960)

“Klimmen en Dalen” is gebaseerd op de “Penrose-trap”, een optische illusie en een onmogelijk voorwerp bedacht door de Britse wis- en natuurkundige Roger Penrose in 1958.

 “Impossible Staircase” door Roger Penrose (1958)

Op de trap lijk je een rondje omhoog (of omlaag) te kunnen lopen en dan kom je weer op dezelfde traptrede terecht. In drie dimensies is het dus een onmogelijke figuur, die is ontstaan door in de tweedimensionale tekening te spelen met het perspectief.

 

 

Equinox

Deze ruimtetuig-achtige constructie is in feite een ‘gashouder’. Een gashouder (ook wel eens ‘gasometer’ genoemd) is een grote voorraadtank. Natuurlijk gas of stadsgas wordt er onder bijna atmosferische druk en onder omgevingstemperatuur in opgeslagen. In de eerste helft van de twintigste eeuw was zo’n gashouder een gangbaar bouwwerk. Gashouders waren doorgaans cilindervormig en waren gemaakt van ijzer. Het volume van de tank kan aangepast worden aan de hoeveelheid opgeslagen gas in de tank.

Na de introductie van aardgas raakte het gebruik van de gashouders in onbruik en werden ze meestal enkel nog gebruikt om de druk van het gas in leidingen te balanceren. De druk wordt geregeld en bewaard door een container die telescopisch op en neer kan bewegen. Binnenin de tank wordt het gas ‘verzegeld’ door een systeem van communicerende vaten, rustend in een watertank, waarin het water zorgt voor een ‘zegel’, zodat het aanwezige gas niet kan ontsnappen.

Voor een meer uitgebreide, technische uitleg over de werking van de gasometer: klik hier.

 

 

Val-Saint-Lambert

Deze fabriek werd opgericht in 1826 op de terreinen van een voormalige cisterciënzerabdij, waarvan de vroegste geschiedenis teruggaat tot 1202. Aan het einde van de 18de eeuw werd de abdij ontwijd om 30 jaar laten plaats te maken voor de kristalfabriek. De kapittelzaal en het scriptorium zijn gerenoveerd en worden vandaag nog gebruikt door de kristalfabriek.

De deelname aan de wereldtentoonstelling in Antwerpen in 1894 met “Vaas van de Negen Provincies” zette de naam Val-Saint-Lambert voorgoed op de wereldkaart. De overgrote meerderheid van de productie werd geëxporteerd naar rijke klanten over de hele wereld. Val-Saint-Lambert mocht bijvoorbeeld het Russische hof tot haar cliënteel rekenen.

Bij het honderdjarig bestaan van de fabriek in 1926 waren er ruim 5000 mensen aan het werk!

Bij mijn bezoek aan het reeds jaren leegstaande gedeelte van de fabriek waren de saneringswerken al van start gegaan. Een aanzienlijk deel van de gebouwen was al gesloopt. Enkel een klein opslaggebouw stond nog recht, aangetast door de tand des tijds. Het verval was er heerlijk en leverde al bij al toch wel een mooie, zij het korte explore op.

 

 

 

Pirate’s Charm

De Steenfabrieken Swenden ontstonden in 1873. Het bedrijf werd gesticht door Emile Swenden. Emile had 3 zonen die allen in het bedrijf stapten. Zij breidden de activiteiten verder uit en kochten steenbakkerijen in Niel en in Steendorp. De familie Swenden baatte de steenbakkerijen uit tot de late jaren 1990. Tegen die stond Eric Swenden, kleinzoon van Emile er aan het roer.

De familie verkocht de drie productiesites aan het Oostenrijkse Wienerberger, de grootste baksteengroep in Europa. Wienerberger zette de activiteiten van het bedrijf nog gedurende een tiental jaren verder. Men oordeelde echter al snel dat de fabrieken in deze streek niet langer voldoende rendabel waren. In 2011 hield men het voor bekeken en werd de fabriek gesloten. De inmiddels steenrijke Eric Swenden ruilde het gure Belgische klimaat in voor het Zuid-Franse. Hij kocht Château Gautoul en werd op dat moment meteen ook eigenaar van de Cahors-wijngaard.

De gemeente koestert inmiddels plannen om de gronden te herbestemmen van industriegebied naar woonzone en KMO-zone. Men wil er een woonproject met 120 wooneenheden realiseren. De sloop van de bestaande gebouwen is volop aan de gang.

 

 

Control Room S

Het bezoek aan deze “verlaten” fabriek was een vreemde gewaarwording. Ik kwam binnen langs een oud deel van het gebouw, met een veelbelovende mate van verval. kapotte ramen, houtrot, afbladderende verf,… Tot mijn grote verbazing stond het productiegedeelte van de fabriek hiermee in schril contrast. Het monotone gezoem van nog werkende generatoren en de alom aanwezige verlichting wekten de indruk dat de volgende ploeg arbeiders elk ogenblik aan de slag kon gaan… Nochtans lag ten tijde van mijn bezoek de productie al een tijdje stil vanwege de crisis in de staalindustrie. In deze fabriek werden immers grote, stalen rollers voor staalwalsen geproduceerd.

Door het stilvallen van zo goed als al de omringende staalindustrie, kwam ook deze fabriek in de moeilijkheden. Personeel kon niet langer betaald worden en de productie viel helemaal stil. Het lot van de fabriek leek nog niet helemaal bezegeld, maar de toekomst zag er voor deze staalfabriek allerminst rooskleurig uit…

Ik bezocht deze fabriek later nog een tweede en een derde keer. Van tekenen van activiteit was er op dat moment geen sprake meer. Sterker nog: de sloopwerken waren volop aan de gang. De meeste machines waren al weggehaald. Klik hier voor de reportage van de latere bezoeken.

 

 

Depot de Sable

Dit bedrijf maakte deel uit van de site van HF6, de hoogoven die eind 2016 gesloopt werd. Het was meer bepaald het gedeelte van het hoogovenbedrijf dat instond voor het verwerken van de afvalstoffen die door de hoogoven geproduceerd werden, zoals “hoogovenslak”. Een belangrijke vorm van bijproducten zijn namelijk de vloeibare slakken. Deze vormen zich bij hoge temperaturen in de hoogovens en de staalfabriek.

De slakken afkomstig van de hoogoven kan men verwerken tot hoogovenzand. De cementindustrie gebruikt dit bijvoorbeeld als alternatief voor klinker. De vloeibare slakken afkomstig van de staalfabriek vormt men om tot LD-grind. Een en ander is afhankelijk van specifieke kenmerken zoals de viscositeit of de temperatuur. De wegenbouwsector gebruikt LD-grind als alternatieve grondstof voor porfier. Staalslak die niet kan worden omgevormd tot LD-grind, kan dienen voor de duurzame verharding van bijvoorbeeld wegen en opritten en zelfs voor waterbouwkundige werken, zoals de oeverversteviging van de Westerschelde.

Op het moment van mijn bezoek aan de hoogoven had ik niet door dat men dit als een afzonderlijke locatie beschouwde. Ik besteedde er dan ook niet veel aandacht aan. Pas achteraf realiseerde ik me de omvang en het belang van dit bedrijf binnen het bedrijf. Het resultaat is slechts een handvol beelden van het machinepark van dit bedrijf…

 

 

Scroll Up