usine

image_pdfimage_print

Trafilatura

Deze draadtrekkerij werd in 1951 opgericht als dochteronderneming van het staalbedrijf van Gustave Boël, dat zowel plaatstaal als walsdraad produceerde. Voor de oprichting van dit dochterbedrijf werd de walsdraad verkocht aan onafhankelijke draadtrekkerijen in binnen- en buitenland. De nieuwe onderneming stelde zich tot doel de traditionele draadproducten zoals blanke draad, verzinkte draad, draadnagels, prikkeldraad en afsluitingen te fabriceren en te ontwikkelen. De Europese draadmarkt kende een sterke groei en dit creëerde bijkomende exportmogelijkheden. In de daarop volgende jaren werd bouwstaal het grootste afzetproduct van de fabriek.

Geleidelijk aan veranderde de productie van geribde draad en bouwstaalmatten tot blinkende draad voor verchromen en vernikkelen. Er werd tevens geïnvesteerd in gloeiovens voor de productie van koudstuikdraad. Een overname in 1999 door een Zwitsers-Italiaanse groep, die eerder in aan- en verkoop gespecialiseerd was dan in productie, was het begin van het einde voor deze fabriek. Er volgen nog overnames en samenwerkingsverbanden, maar deze fabriek blijft functioneren als een afdeling van de staalfabriek waaruit ze ontstaan is. Na de sluiting van de staalfabriek begin 2013 gaan de zaken snel achteruit. In het najaar van 2018 valt na 67 jaar het doek over de draadtrekkerij.

 

 

Usine S

Schapenwol bevat veel onzuiverheden, zoals lanoline (wolvet) en suint (zweetwol). Van oudsher werd het wolwassen direct in de rivier gedaan door middel van alkalische en hete baden in kuipen en speciale machines. De lanoline, die onoplosbaar is in water, kon hiermee echter niet afgescheiden worden. In deze aan het begin van de 20ste eeuw opgerichte fabriek werd een nieuw, uit de Verenigde Stated overgewaaid procédé toegepast, dat bestond uit de behandeling van de vetwol met nafta of petroleumbenzine. Dit absoluut neutrale product tast de vezel van de wol immers niet aan en laat hem alleen het percentage vet achter dat nodig is om zijn natuurlijke soepelheid en elasticiteit te behouden. De nafta wordt naderhand door middel van verdamping uit de overgebleven wol verwijderd. Een ander interessant resultaat van de “solventage” was recuperatie van het uit de wol onttrokken vet: pure, volledig zuivere lanoline. Een van de verschillende toepassingen van uit wol onttrokken lanoline, was de vervaardiging van farmaceutische zeep en lanoline voor het onderhoud van huiden en vellen, maar het kan ook worden gebruikt bij de bereiding van oliën. vet, was, zalven, consistente vetten, enzovoort.

 

 

Bureau Central

Dit enorme pand behoorde toe aan het hoogovenbedrijf, dat meerdere vestigingen had in de streek. Over de geschiedenis van het gebouw zelf valt weinig informatie te rapen. Het oorspronkelijke gebouw werd opgericht in het laatste kwart van de 18de eeuw en kende enkele substantieve wijzigingen en uitbreidingen in de loop van de 19de en 20steeeuw. Het gebouw huisvestte het centrale bestuur en de administratie van het hoogovenbedrijf. Begin jaren 1980 werd het inmiddels verouderde gebouw verlaten en sedertdien is het verval er met rasse schreden vooruitgegaan, niettegenstaande de klassering ervan als erfgoed in 1987. Vooral de centrale hall met overwelfde lichtkoepel heeft sterk te lijden gehad van de elementen, die er vrij spel hebben. Het imposante gebouw, met lange, eindeloos lijkende gangen en diffuse lichtinval is een gedroomde locatie voor fotografen met een voorkeur voor verlaten en vervallen gebouwen. Op het domein bevond zich oorspronkelijk ook het kasteel van de adellijke familie die eigenaar was van het bedrijf, maar dat werd enkele jaren geleden al gesloopt. Het ziet er naar uit dat dit mooie kantoorgebouw hetzelfde lot zal ondergaan, als er niet snel werk gemaakt wordt van de renovatie ervan…

 

 

Mine des Grimpeurs

Dit mijnbedrijf, zoals vele in deze regio, maakte deel uit van het imperium van een adellijke familie, die vooral actief was in de staalindustrie. Die zelfde familie ontmoetten we al in een eerdere reeks over het administratief gebouw dat het centrale bestuur van het bedrijf huisvestte: Bureau Central.

Het eerste stuk steenkool in deze vestiging werd in juni 1856 gedolven, in een schacht op twee kilometer afstand van wat later het familie-hoofdkwartier zou worden wat de ontginning van steenkool betreft. Na deze ontdekking, stelde de raadgevend ingenieur van het bedrijf voor nieuwe onderzoeken in het gebied naar het zuiden uit te voeren om operaties uit te breiden, die tot dan omwille van de landsgrens beperkt waren tot het noorden. Verschillende schachten werden vervolgens gegraven tussen 1862 en 1889. De geproduceerde kolen werden voornamelijk gebruikt om de staalfabrieken van de familie af ​​te stoken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie in minder dan tien jaar verdrievoudigd. In 1946 was het bedrijf verbonden aan een openbaar bedrijf, als onderdeel van het nationalisatieproces van alle Franse kolenmijnen. Na 1960 werd de steenkoolindustrie echter hard getroffen. Het bedrijf moderniseerde noodgedwongen en investeringen gingen door tot 1986. De hoofdzetel stopte met activiteiten in 1986, maar een deel van de infrastructuur van de site bleef tot 1989 worden gebruikt voor andere schachten in dezelfde concessie die nog in bedrijf waren. De laatste put werd gesloten in 2001.

 

Pottery

De reputatie van het aardewerk dat hier geproduceerd werd is haast legendarisch. In de loop van de twee eeuwen dat dit familiebedrijf bestond, heeft het wereldwijd een schare trouwe bewonderaars gegenereerd. Het aanbod bestond uit allerlei stukken aardewerk, zoals serviesgoed, vazen en bloempotten, maar ook kunstobjecten, fresco’s en zelfs kachels. De fabriek werd opgericht in 1790, maar kampte aanvankelijk met grote problemen, waaronder moeilijkheden met de aanvoer van grondstoffen, maar ook vijandigheid en wantrouwen van de bevolking. Bovendien was de concurrentie van vooral Engelse producenten groot. Rond de eeuwwisseling werd de fabriek overgenomen door een inventieve jonge Duitser, die door het introduceren van nieuwe decoratietechnieken en het gebruik van de fijnste grondstoffen het tij al snel wist te keren. Napoleon werd een van de beste klanten, waardoor de orders al snel binnen stroomden en uitbreiding van het bedrijf zich opdrong. De huidige fabriek, waaronder ook deze opslagplaats voor mallen, dateert van deze periode van expansie tussen 1850 en 1860. Tijdens de glorieperiode bood het bedrijf werk aan ruim 3200 werknemers. Einde jaren 1970 markeerde een keerpunt. Het bedrijf was inmiddels overgenomen door een andere familie, die de productie van serviesgoed staakte om zich toe te spitsen op de productie van tegels voor wanden en vloeren. Begin jaren 2000 is het zakencijfer sterk gedaald en zijn er nog een 100-tal werknemers over die het bedrijf in leven proberen te houden. Nauwelijks 5 jaar later gaat het bedrijf alsnog in liquidatie. Kort erna spreekt de rechter het faillissement uit en valt het doek definitief over twee eeuwen industriële geschiedenis…

 

 

Bernina’s Brother

Na een grote brand, die aan het einde van de 17de eeuw bijna 600 houten huizen verwoestte in het centrum van de stad, was dit prachtige herenhuis een van de zeldzame eerste stenen burgerlijke gebouwen van de stad. Het gebouw werd opgetrokken in Lodewijk XVI-stijl, een eerder sobere en symmetrische stijl, gekenmerkt door classicistische versieringen, zoals hier de houten dakkapellen en het driehoekige fronton. In de 19e eeuw vestigden de toenmalige eigenaars een katoenfabriek op de site, die dankzij een verstandig beheer en tijdige modernisering tijdens de Industriële revolutie uitgroeide tot een succesvol bedrijf. In het begin van de 20ste eeuw worden de gebouwen verkocht en herbestemd tot een vak- en ambachtschool die al snel van groot belang bleek te zijn voor de ontwikkeling van de textielindustrie van de stad. In 2008 trekken de laatste leerlingen weg uit deze historische gebouwen. Inmiddels werd het gehele complex verkocht aan een projectontwikkelaar, die er met respect voor de historische gebouwen een nieuw woonproject zal realiseren. Deze werken zijn momenteel volop aan de gang.

 

 

Usine Gonzo

Usine Gonzo maakt deel uit van een traditionele vlasroterij. De roterij werd opgericht aan het einde van de 19de eeuw en werd stelselmatig uitgebreid tot  de huidige site. De hele site wordt beschouwd als waardevol erfgoed, niet alleen vanwege de strategische ligging, maar ook omdat ze een van de best bewaarde roterijen van haar soort is. Er zijn typische rootputten, de stoommachines met bijhorende schoorsteen, een paar vlasschuren en een zwingelarij. De machinekamer bevat onder meer stoomketels en een uitzonderlijke stoommachine, de enige in zijn soort die nog in België te vinden is. De ketels werden aangestookt met ‘lermen’, de houtachtige kernen van de vlasstengels die tijdens het productieproces van de vlasvezels afgescheiden werden. De stookkosten konden hierdoor bijna tot nul herleid worden. Ook in deze roterij werd deze brandstof tot in de late jaren 1970 gebruikt. Eind jaren 1970 raakte het bedrijf in onbruik, maar het zou nog ruim 25 jaar duren vooraleer het geheel als industrieel erfgoed beschermd werd.

 

 

Filature Panier

Over deze verlaten fabriekssite kon ik niets meer achterhalen dan dat het een voormalige weverij is en dat ze later nog gebruikt werd door een bedrijf dat zich specialiseerde in het produceren van medisch verband. Sinds 2007 werden de fabrieksgebouwen verlaten en wacht het terrein op een herbestemming. Aangezien het hier niet gaat om waardevol industrieel erfgoed, is de kans groot dat het geheel gesloopt wordt om plaats te ruimen voor nieuwbouw woonprojecten…

 

 

Four de C.

Deze staalfabriek werd in 1853 gesticht. Toen de eigenaar omwille van de hoge financiële eisen voor de aanleg van een spoorlijn aan de rand van het faillissement stond, werd hij gered met de financiële hulp van een accountant binnen zijn bedrijf. Na de dood van de stichter in 1880 heeft hij het bedrijf nagelaten aan die accountant, die onder zijn naam het bedrijf groot maakte. Tegen 1897 had het bedrijf 1200 werknemers in dienst. Tegen 1913 beschikte het bedrijf over twee hoogovens, twee batterijen van 41 cokesovens; twee staalfabrieken, walserijen, smederijen, werkplaatsen enz. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek ontmanteld en gesloopt, maar vanaf 1919 werd ze heropgebouwd met nieuwe hoogovens en cokesovens met een productiecapaciteit van 200,00 ton ijzer per jaar. Tijdens het interbellum zouden er nog meer uitbreidingen aan de fabriek plaatsvinden. Het bedrijf bloeide tot in de jaren 1970, maar werd vanaf dan, net zoals andere staalindustrieën getroffen door de staalcrisis. Het aantal werknemers werd herleid tot één derde. Het bedrijf kende vanaf dan een opeenvolging van overnames en fusies. De huidige eigenaar, een Russische partner van de laatste overnemer, produceert er sinds 2016 warm en koudgewalst staal.

 

 

Slaughterhouse

Dit voormalige stedelijke slachthuis werd in de jaren 1960 opgericht, maar werd einde jaren 1990 verkocht aan een private ondernemer. De aanvoer van varkens in vrachtwagens, zowel overdag als ’s nachts, en de vaak niet te harden geurhinder veroorzaakten een hoop wrevel bij de buurtbewoners. Uiteindelijk werd met de stad overeengekomen dat de activiteiten er eind 2015 zouden worden stopgezet. Omwille van protesten omtrent de nieuwe locatie, liep de stopzetting van de activiteiten vertraging op en werden er nog varkens geslacht tot eind 2016. Sinds begin 2017 werd de site verlaten in afwachting van de sloop en de komst van een nieuwbouwproject.

Een groot deel van de charme van urban exploring bestaat erin dat je op verlaten plekken komt en je fantasie de vrije loop kan laten over hoe er daar vroeger geleefd en gewerkt werd. Bij deze locatie was dat een behoorlijk confronterende ervaring… De confrontatie met het feit dat wij als mens niet meer waarde hechten aan een levend wezen dan het zonder veel plichtplegingen reduceren ervan tot een louter consumptieartikel. Een kille, donkere en troosteloze plek, die om die reden een diepe indruk op me gemaakt heeft…

 

 

ECVB

De industriële ontwikkeling van Gent is in belangrijke mate schatplichtig aan de uit Everberg afkomstige baron Floris van Loo, die vanaf het einde van de 19de eeuw pogingen ondernam om de regio te elektrificeren. Die pogingen resulteerden in 1911 in de oprichting van de “Centrales Electrique des Flandres et du Brabant” (Elektrische Centralen van Vlaanderen en Brabant). Nauwelijks twee jaar later werd van start gegaan met de bouw van de thermische centrale Langerbrugge, op de westelijke oever van het kanaal Gent-Terneuzen. Deze energiecentrale vormde de grondslag voor de industriële ontwikkeling van de zone. Architect Eugène Dhuicque ontwierp het gebouw in een decoratieve baksteenstijl. De centrale werd aan het begin van WOI in gebruik genomen, maar liep aan het einde van de oorlog zware schade op. Niet zozeer aan de gebouwen, dan wel aan de installaties. De centrale zou zich in de loop van de 20ste eeuw verder ontwikkelen en uitbreiden. Vanaf het einde van de jaren ’80 werd de productie stelselmatig afgebouwd, tot ze in 2010 volledig werd stilgelegd. Er werd nog een tijd lang een “Museum Energeia” uitgebaat in de oudste gebouwen, maar in 2000 besliste Electrabel (de opvolger van ECVB) om niet langer in het museum te investeren. Het complex werd beschermd als industrieel erfgoed in 1999. Het oorspronkelijke beschermingsbesluit werd door de Raad van State tenietgedaan in 2009, maar werd hernomen in 2013. die bescherming weerhield koperdieven er niet van om met grote hoeveelheden koper aan de haal te gaan en een enorme ravage achter te laten. Ondertussen zijn de oudste delen van het complex gereduceerd tot een leeg omhulsel, waarin alleen nog een oude stoomturbine van de ‘Société Rateau’ en de ‘Ateliers de Construction la Meuse’ achterbleef…

 

 

Terre Rouge

Terre Rouge, genoemd naar de rode kleur van de ijzerhoudende grond, was een van de grote spelers in de ijzerertsindustrie in Luxemburg en zelfs in Europa. De geschiedenis van de site neemt een aanvang omstreeks 1870 met de bouw van de “Usine Brasseur”, waar de twee eerste hoogovens gebouwd werden onder auspiciën van de “Société Anonyme des Hauts-fourneaux Luxembourgeois”. Op de site werd door 10 verschillende mijnbedrijven ijzererts ontgonnen, eerst bovengronds, later uit ondergrondse galerijen. In 1937 werd het bedrijf opgeslokt door ARBED (Aciéries Réunies de Burbach-Eich-Dudelange). Nog later werd het bedrijf overgenomen door de groep ArcelorMittal. In de jaren 1950 ontdekte men dat de gassen, die vrijkwamen bij het smelten van ijzer tijdens de staalproductie, konden worden gebruikt om elektriciteit te produceren. De Centrale Thermique werd daarom in 1951 gebouwd om deze revolutionaire techniek te exploiteren. In de jaren 1970 zag Luxemburg de staalindustrie krimpen en de hoogovens in de hele regio begonnen te sluiten. Een dag nadat de laatste hoogoven in 1977 werd stilgelegd, werd ook de hele fabriek gesloten. De hoogovens werden inmiddels afgebroken. Tegenwoordig zijn alleen de ijzerertssilo’s en het lege gebouw van de krachtcentrale er nog, verlaten en ernstig in verval.

 

 

Wet Dogs Plant

Soms vraag je je af hoe locaties aan hun naam komen. Waarom iemand deze oude krachtcentrale met de naam “Wet Dogs Plant” bedacht, is me een raadsel. De hoogoven, waar deze krachtcentrale deel van uitmaakte, lag al van 2008 stil, maar het nieuws van de definitieve sluiting kwam er pas in 2012. De bedrijvigheid op deze site ging van start in 1836. Zoals wel vaker gebeurt in de staalindustrie volgden er in de loop van de geschiedenis van de fabriek verscheidene fusies en overnames, tot de fabriek in 2001 uiteindelijk in Italiaanse handen kwam. Deze Italiaanse groep stopte in 2008 echter met de productie van primair staal. Er werd nog naar een overnemer gezocht, maar die werd niet gevonden. In 2012 viel het doek definitief over de fabriek. In de oude krachtcentrale werd gerecupereerd wat nog bruikbaar was, maar te oordelen naar de dikke laag stof die alles bedekt, werd er sedertdien nog maar weinig verplaatst…

 

 

Powerplant IM

In urbexmiddens worden Powerplant IM en Cooling Tower IM vaak als twee afzonderlijke locaties beschouwd. Oorspronkelijk vormden ze uiteraard één geheel. De voormalige elektriciteitscentrale van Monceau-sur-Sambre werd gebouwd in 1921. De machinegebouwen werden langs de linkeroever van de Samber gebouwd en de koeltoren, inmiddels ook bekend als filmlocatie van ‘De Premier’ langs de rechteroever. De elektriciteitscentrale draaide initieel op gepulveriseerde steenkool. Naarmate de vraag naar energie steeg en het vermogen stelselmatig werd opgedreven, werd ze vanaf de jaren 1970 ook aangedreven door aardgas. Eind jaren ’70 was deze centrale de voornaamste leverancier van elektriciteit in de regio Charleroi. De centrale, die inmiddels een vermogen van 92 MegaWatt had bereikt, bleek evenwel ook een belangrijke vervuiler te zijn, verantwoordelijk voor maar liefst een tiende van de uitstoot van koolstofdioxide in België. Het nieuws werd gevolgd door hevige protesten van Greenpeace, waarop de centrale in 2007 werd stilgelegd. Sinds enkele jaren wordt de centrale stelselmatig ontmanteld. De gebouwen bleven inmiddels niet gespaard van dieven en vandalen. Vandaag biedt het geheel nog slechts een trieste aanblik en herinnert het nog vaag aan de eens machtige energieproducent…

 

 

Heavy Metal (revisit)

Mijn eerste bezoek aan deze staalgigant dateert alweer van meer dan twee jaar geleden. Ik was zodanig onder de indruk van deze enorme fabriek, dat ik er letterlijk met open mond rondliep… De voorbije twee jaar hebben koperdieven hier vreselijk veel schade aangericht door de bedrading te ontmantelen om het koper er uit te halen. Ze hebben inmiddels wel tonnen koper en andere metalen gestolen… Ze waren trouwens nog steeds bezig toen we er deze keer waren! Gelukkig hebben ze ons niet te veel lastig gevallen. Ze waren zelfs galant genoeg om uit onze schots te blijven. 🙂 Ondanks alle schade is deze verlaten staalfabriek nog steeds met stip de meest indrukwekkende industriële site die ik tot nu toe heb gezien. Als je net zoveel van roest en stof houdt als ik, zal je dit geweldig vinden!

 

 

Black Cokes

Deze cokesfabriek werd begin jaren 1950 opgericht om de hoogovens in de omgeving van cokes te voorzien. De cokes worden geproduceerd uit de droge destillatie van steenkool, die in een zuurstofvrije omgeving indirect verwarmd wordt tot ongeveer 1000 graden en ontdaan wordt de ongewenste restproducten (waterstofgas, methaan, benzeen en teer). Cokes wordt voornamelijk ingezet om ijzererts in een hoogoven te reduceren tot ruw ijzer. De fabriek besloeg een oppervlakte van 17 ha. En werd in 1981 nog met een extra ovenbatterij uitgebreid tot een totaal van 122 ovens. De productiecapaciteit bedroeg toen 750 kton/jaar. Tijdens de jaren 1990 werden er nog vernieuwingen uitgevoerd aan de ovens, maar na de overname in 2001 wenste de nieuwe uitbater niet meer te investeren in de noodzakelijke aanpassingen om vele klachten omtrent milieuvervuiling te ondervangen. Begin 2008 werd de laatste oven stilgelegd en sloot de cokesfabriek. In 2014 begon men met de sloop van de installaties. Daarna is voorzien in de sanering van de zwaar vervuilde bodem.

 

 

Eric’s Engine Room

De eigenaars en uitbaters van dit bedrijfje waren oorspronkelijk actief in de vlasverwerkingssector. Toen de vraag naar vlas na de Tweede Wereldoorlog stagneerde, moest men uitkijken naar nieuwe activiteiten. Eind jaren 1950 werd dit bedrijf als zusterbedrijf opgericht. Het nieuwe bedrijf legde zich toe op het vervaardigen van mazouttanks, silo’s en tandwielen. Later werden de activiteiten van beide bedrijven nog verder uitgebreid en moest men uitwijken naar een grotere locatie. Die werd gevonden op een nabijgelegen industrieterrein. Na de verhuis naar het nieuwe industriële complex begin jaren 1990 kwam deze locatie leeg te staan. De locatie onderging een prachtig natuurlijk verval en bleef tot vandaag gespaard van dieven en vandalen…

 


 

Orange Factory

In deze fabriek werden de afvalstoffen van een nabijgelegen hoogoven verwerkt, meer specifiek werd er synthetisch grafiet geproduceerd uit het afval van de cokes die in de hoogoven gebruikt werden. Vanwege de relatieve zachtheid van het materiaal en de (zelf)smerende eigenschappen, wordt het in de elektrotechniek gebruikt in sleepcontacten, onder meer in elektromotoren (als koolborstels), in stroomafnemers en in potentiometers. Een andere toepassing is het gebruik als elektrodemateriaal in elektrochemische cellen, bijvoorbeeld bij de isolatie van aluminium uit bauxiet, of in elektrolyse van waterige oplossingen. Hoewel de milieuvergunning voor deze uitbating nog loopt tot 2025 werden de activiteiten al een hele tijd geleden stilgelegd. Door de malaise in de staalindustrie, waarbij de ene na de andere hoogoven werd stilgelegd, raakten immers ook alle geassocieerde bedrijven in de problemen…

 

 

Quarry Power

Deze kleine krachtcentrale maakt deel uit van een bedrijf dat zich op verschillende plaatsen in België bezighoudt met de ontginning van porfier, een stollingsgesteente ontstaan uit de afkoeling van magma. Door eerder zeldzame magmatische fenomenen en tectonische bewegingen in de aardlagen ontstond in deze regio een bijzonder harde rotslaag, dat een gesteente oplevert met een grote weerstand tegen slijtage, dat bovendien nog quasi-chemisch onaantastbaar is.

Het bedrijf zelf startte zijn activiteiten echter al in de tweede helft van de 19de eeuw en richtte zijn ontginning aanvankelijk op de productie van kasseien en straatstenen en bleef dit ook doen tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Toen de vraag naar deze producten kleiner werd, moest men op zoek gaan naar andere toepassingen. Van de 12 steengroeven bleven er uiteindelijk slechts 4 over. In deze groeve wordt jaarlijks zo’n 300.000 ton gesteente ontgonnen.

Deze krachtcentrale werd opgericht bij het begin van de 20ste eeuw. Het valt niet te achterhalen wanneer de activiteiten ervan werden stopgezet. Het mooie, natuurlijke verval suggereert alleszins dat het gebouw en de turbines al sedert enkele jaren in onbruik zijn geraakt…

 


 

Valve Garden

Op weg naar een verlaten industriële site probeerden we een kortere weg te vinden om ons doel te bereiken en stootten daarbij op dit gebouwtje met daarachter een hoop tanks, buizen en vooral kranen… Aangezien we ons midden tussen de staalindustrieën bevonden, is het redelijk veilig om aan te nemen dat ook deze Valve Garden iets met die staalindustrie te maken heeft gehad, maar ik zou niet bij benadering kunnen vertellen waartoe dit allemaal ooit gediend heeft. Ik was alleszins aangenaam verrast door de prachtige combinatie van het koude staal, de roest en het verval en dan de zachte kleuren die de herfst er overheen gestrooid heeft en hoop dat de foto’s dat kunnen overbrengen…

 

 

 

Skeleton Factory

Skeleton Factory was van oorsprong een drukkerij/uitgeverij. Het bedrijf ontstond al rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw in een nabijgelegen stad, maar de activiteiten werden pas omstreeks 1935 overgebracht naar deze locatie, waar in eerste instantie het buitenverblijf van de familie gevestigd was. De eigenaar van de drukkerij kocht in 1930 een paviljoen dat dienst had gedaan op de wereldtentoonstelling in Luik en liet het achter zijn buitenverblijf heropbouwen. Hierin werd in 1935 de drukkerij ondergebracht. In de daarop volgende jaren zou het bedrijf zich ontwikkelen tot het complex dat men op heden kent. In de drukkerij werden oorspronkelijk voornamelijk prentkaarten gedrukt, die vooral afdrukken waren van foto’s die de eigenaar (zelf een fotograaf) maakte van onder meer de Belgische kust. Enkele jaren voor zijn overlijden verschoof de focus van postkaarten, waarvan de succesperiode voorbij was, naar voornamelijk etiketten. Zijn zoon, die al als drukker werkzaam was in het bedrijf, nam na zijn overlijden de drukkerij over en veranderden de werkzaamheden in de drukkerij en er werd overgeschakeld op industrieel drukwerk. Tussen 1948 en 1976 werd de drukkerij meermaals overgenomen door Amerikaanse multinationals, maar aangezien er nooit geïnvesteerd werd ging het zakencijfer zienderogen achteruit. In 2004 werden de boeken neergelegd en verloren de 46 resterende werknemers hun baan…

De leegstaande fabriekshal is momenteel vooral bekend om de prachtige staaltjes graffitikunst van streetart artiesten Klaas Van der Linden (de skeletten) en ROA (de beestjes).

 


 

Usine Barbelée

Deze gigantische industriële site lijkt meerdere bedrijven te huisvesten. Het oudste en naar mijn persoonlijke smaak mooiste gedeelte was van oorsprong een van de steenkoolmijnen die de nabijgelegen staalfabrieken van brandstof moest voorzien. In de oudste gebouwen op het terrein zijn nog de sorteer- en wasinstallaties voor de steenkool te herkennen. Eén van deze oude gebouwen – duidelijk door brand geteisterd – herbergt een schat aan prachtige roest en verval. Een ander en groter deel van de site lijkt een stuk recenter en wijst eerder op een chemische bedrijvigheid. Dit deel van de site is duidelijk nog niet zo lang geleden verlaten. Het is een locatie met een vrij hoge risicofactor, gelet op de overvloedig aanwezige scheermesdraad en de immer alerte security, die constant aanwezig is op het terrein. Ik heb deze locatie inmiddels 3 keer bezocht (waarvan 1 keer een volledige dag) en heb nog steeds niet alles gezien… Een zéér indrukwekkende site alleszins, die men gerust meerdere keren kan bezoeken.

 


 

Control Room S Revisited

Ruim een jaar geleden bezocht ik deze oude staalwalserij voor het eerst. Toen leek het nog alsof de productie elk moment hervat kon worden. De elektriciteit werkte er nog en het constante gezoem van generatoren was steeds hoorbaar. Een jaar later is het duidelijk dat het hervatten van de productie uitgesloten is… De meeste machines en werktuigen werden er weggehaald en een groot stuk van het oudste gedeelte van de fabriek is inmiddels gesloopt. Gelukkig bleef er toch nog genoeg over om ons enkele uurtjes te vermaken. We kregen deze keer zelfs een mooi bewaard gebleven controlekamer te zien, die tijdens ons eerste bezoek verborgen was gebleven…

Klik hier voor de reportage van het eerste bezoek.

 

 

Steampunk Commander

De naam “Steampunk Commander” is een beetje ongelukkig gekozen, want deze elektriciteitscentrale was niet een klassieke centrale die stroom opwekt door middel van stoom, maar een zogenaamde turbo-jet productie-eenheid. Dergelijke eenheden zijn in feite noodstroomgeneratoren, ontworpen om tegemoet te komen aan consumptiepieken of in geval van een panne in een andere centrale. De elektriciteit wordt in zo’n eenheid geproduceerd door een straalmotor die op korte tijd (minder dan 2 minuten) op volle kracht kan draaien. De motor in deze eenheid werd aangedreven door nafta (een mengsel van koolwaterstoffen dat ontstaat bij het destilleren van ruwe olie als condensaat). De reactor wordt gestart met behulp van een persluchttank, hetgeen snelle opstart vanop afstand mogelijk maakt, zonder enige andere vorm van energietoevoer. Hoe lang dit gebouw in onbruik is, is niet duidelijk. Er is alleszins nog steeds bedrijvigheid op het terrein…

 


 

Remise Monceau

Remise Monceau maakt deel uit van een goederenstation langs een spoorlijn die een Waalse industriestad bedient. Het is een van de zes grote rangeerstations in België en heeft meer dan dertig verdeelsporen. Deze loods, in de noordwestelijke hoek van het terrein, was oorspronkelijk een werkplaats voor rijtuigen en locomotieven. Verschillende locomotieven van de reeksen 51, 62 en 73 stonden lange tijd weg te roesten binnen en buiten deze vervallen hangars, maar werden enkel jaren geleden weggehaald. De lege loods raakt inmiddels steeds meer in verval en blijft daardoor een mooie plek om in rond te dwalen…

 


 

Usine Justice

Over deze locatie valt er maar bitter weinig te vertellen… Uit tweede hand kwam ik te weten dat de eigenaar van deze verloederde loods werd opgenomen in een rustoord. Zijn zonen, waarvan er eentje advocaat is (vandaar “Usine Justice”) houden de zaak nauwlettend in de gaten. Er werden al meerdere “bezoekers” op heterdaad betrapt… De loods, die in bijzonder slechte staat is, bevat enkele mooie oldtimer auto’s en bussen en verder een hele hoop troep.

 


 

Brewery Loco

In ware familiesaga-stijl ontstond deze brouwerij omstreeks 1900, toen de stichters ervan de ouderlijke brouwerij verlieten omwille van onenigheid tussen schoonmoeder en schoondochter. Ze kochten de oorspronkelijk kleine boerderij aan wat toen de rand van het dorp was. De brouwerij bleef sindsdien in familiebezit. Er werd oorspronkelijk voornamelijk pilsbier gebrouwen, maar tijdens de derde generatie bierbrouwers werd er gaandeweg overgestapt naar het brouwen van bieren met hoge gisting, waaronder een Gueuze, enkele fruitbieren en verschillende kasteelbieren.

Grote delen van het brouwerijcomplex werden inmiddels gesloopt om plaats te ruimen voor een nieuwbouwproject. Het oudste gedeelte van de brouwerij was op het moment van mijn bezoek nog net toegankelijk; Het bevat een brouwzaal met daarin nog twee van de drie brouwketels en hogerop in het gebouw een “mouteest” met zinken bekleding: een zogenaamd koelschip voor de productie van zelfgistend bier. Deze bevindt zich onder het zadeldak en heeft een eigen luchtverversingssysteem. Ondertussen zal wellicht ook dit gebouw gesloopt zijn…

 

 

Pete’s Shop

Deze voormalige weverij, opgericht in 1882, werd in de loop van de geschiedenis meermaals overgenomen. Gedurende bijna 90 jaar zou het een mechanische weverij blijven. Door de opkomst van nieuwere technieken moest het bedrijf in 1970 de deuren sluiten. Van 1970 tot 1997 werd er een meubelzaak in uitgebaat. Sinds 1997 staan de bedrijfsgebouwen leeg. In urbexmiddens staat de locatie onder meerdere namen bekend. Pete’s Shop, Pete’s Factory, Usine Petite Echelle en Factory 2601. Omwille van de kenmerkende graffitikunstwerken van Pete One, wordt de naam Pete’s Factory het meest frequent gebruikt. Hoewel de bedrijfssite werd aangemerkt als bouwkundig erfgoed, kwam het nooit tot een werkelijke bescherming. Recentelijk werd dan ook beslist om de gebouwen te slopen en de terreinen bouwrijp te maken voor een nieuw woonproject. Op het ogenblik van ons bezoek waren de sloopwerken al aan de gang…

 

 

House of Escher

Om de opgedolven steenkolen te ontdoen van verontreiniging, zoals stukken steen, werd een systeem ontwikkeld om de steenkool te “wassen”. In een steenkoolwasserij werden de gedolven kolen in een installatie gebracht, waarin zich aan de onderzijde een rooster bevond, waarlangs water in pulserende bewegingen werd toegevoerd. Op de roosters lagen brokken veldspaat. Door de pulserende bewegingen (deinwasmachine) bewoog de steenkool over het bed van veldspaat, terwijl het zwaardere gesteente op en door het bed heen zakte en op de roosters terechtkwam.

Deze steenkoolwasserij werd gebouwd in het midden van de jaren ’50 en zou bijna 20 jaar in dienst blijven voor de omliggende steenkoolmijnen. Het inmiddels als monument geklasseerde gebouw kreeg aan de buitenzijde een opknapbeurt, omdat er plannen bestonden om er een publiek gebouw van te maken. Na een investering van 13 miljoen euro, vielen de werken echter stil, omdat er geen ruimte meer was in de begroting. Er bestaat nu de intentie om de binnenkant van het gebouw te declasseren, zodat het op de private markt kan verkocht worden…

Als je in dit gebouw binnenkomt, zie je vrijwel meteen waarom het de naam ‘House of Escher’ meekreeg. Het gebouw bevat een wirwar aan betonnen trapjes die overal en nergens naartoe lijken te lopen. De associatie met de wereldberoemde litho van graficus M. C. Escher “Klimmen en Dalen” (1960) is snel gemaakt.

 “Klimmen en Dalen” door Maurits Cornelius Escher (1960)

“Klimmen en Dalen” is gebaseerd op de “Penrose-trap”, een optische illusie en een onmogelijk voorwerp bedacht door de Britse wis- en natuurkundige Roger Penrose in 1958.

 “Impossible Staircase” door Roger Penrose (1958)

Op de trap lijk je een rondje omhoog (of omlaag) te kunnen lopen en dan kom je weer op dezelfde traptrede terecht. In drie dimensies is het dus een onmogelijke figuur, die is ontstaan door in de tweedimensionale tekening te spelen met het perspectief.

 

 

Equinox

Deze ruimtetuig-achtige constructie is in feite een ‘gashouder’. Een gashouder (ook wel eens ‘gazometer’ genoemd) is een grote voorraadtank waarin natuurlijk gas of stadsgas onder bijna atmosferische druk en onder omgevingstemperatuur wordt opgeslagen. In de eerste helft van de twintigste eeuw was zo’n gashouder een gangbaar bouwwerk. Gashouders waren doorgaans cilindervormig en waren gemaakt van ijzer. Het volume van de tank past kan aangepast worden aan de hoeveelheid opgeslagen gas in de tank. Na de introductie van aardgas raakte het gebruik van de gashouders in onbruik en werden ze meestal enkel nog gebruikt om de druk van het gas in leidingen te balanceren. De druk wordt geregeld en bewaard door een container die telescopisch op en neer kan bewegen. Binnenin de tank wordt het gas ‘verzegeld’ door een systeem van communicerende vaten, rustend in een watertank, waarin het water zorgt voor een ‘zegel’, zodat het aanwezige gas niet kan ontsnappen.

 

 

Pirate’s Charm

Deze steenbakkerij, filiaal van een bedrijf dat begin jaren 1870 werd opgericht, werd omstreeks de eeuwwisseling verkocht aan de groep W., die het bedrijf nog gedurende een tiental jaren zou uitbaten. In 2011 hield men het voor bekeken en werd de fabriek gesloten. De eigenaar van de gronden, de ‘steen’rijke E.S. ruilde het gure Belgische klimaat in voor het Zuid-Franse, waar hij een chateau met wijngaard kocht.

De gemeente koestert inmiddels plannen om de gronden te herbestemmen van industriegebied naar woonzone en er een woonproject met 120 wooneenheden te realiseren.

 

 

Control Room S

Het bezoek aan deze “verlaten” fabriek was een vreemde gewaarwording. Ik kwam binnen langs een oud deel van het gebouw, met een veelbelovende mate van verval. kapotte ramen, houtrot, afbladderende verf,… Tot mijn grote verbazing stond het productiegedeelte van de fabriek hiermee in schril contrast. Het monotone gezoem van nog werkende generatoren en de alom aanwezige verlichting wekten de indruk dat de volgende ploeg arbeiders elk ogenblik aan de slag kon gaan… Nochtans lag ten tijde van mijn bezoek de productie al een tijdje stil vanwege de crisis in de staalindustrie. In deze fabriek werden immers grote, stalen rollers voor staalwalsen geproduceerd. Door het stilvallen van zo goed als al de omringende staalindustrie, kwam ook deze fabriek in de moeilijkheden. Personeel kon niet langer betaald worden en de productie viel helemaal stil. Het lot van de fabriek leek nog niet helemaal bezegeld, maar de toekomst zag er voor deze staalfabriek allerminst rooskleurig uit…

 


 

Depot de Sable

Dit bedrijf maakte deel uit van de site van HF6, de hoogoven die eind 2016 gesloopt werd. Het was meer bepaald het gedeelte van het hoogovenbedrijf dat instond voor het verwerken van de afvalstoffen die door de hoogoven geproduceerd werden, zoals “hoogovenslak”. Een belangrijke vorm van bijproducten zijn namelijk de vloeibare slakken die bij hoge temperaturen worden gevormd in de hoogovens en de staalfabriek. De slakken afkomstig van de hoogoven kunnen verwerkt worden tot hoogovenzand, dat door de cementindustrie gebruikt wordt als alternatief voor klinker. De vloeibare slakken afkomstig van de staalfabriek kunnen, afhankelijk van specifieke kenmerken zoals de viscositeit of de temperatuur, worden omgevormd tot LD-grind. LD-grind wordt in de wegenbouw gebruikt als alternatieve grondstof voor porfier. Staalslak die niet kan worden omgevormd tot LD-grind, kan dienen voor de duurzame verharding van bijvoorbeeld wegen en opritten en zelfs voor waterbouwkundige werken, zoals de oeverversteviging van de Westerschelde.

Op het moment van mijn bezoek aan de hoogoven had ik niet door dat dit als een afzonderlijke locatie beschouwd werd. Ik besteedde er dan ook niet veel aandacht aan. Pas achteraf werd ik me bewust van de omvang en het belang van dit bedrijf binnen het bedrijf. Het resultaat is slechts een handvol beelden van het machinepark van dit bedrijf…

 

 

Scroll Up