fabriek

image_pdfimage_print

Robots Factory

Deze fabriek was een Duitse vestiging van een belangrijke producent voor de productie van niet-vervangbare vuurvaste materialen voor alle industriële bak- en smeltprocessen. De hoofdzetel van het bedrijf was gevestigd in Wenen en had wereldwijd 7.900 mensen in dienst op ongeveer 30 productielocaties en meer dan 70 verkooplocaties. In deze vestiging produceerden de Oostenrijkers voornamelijk magnesia-koolstofstenen voor de staalindustrie. Vanwege de crisis in de Europese staalindustrie werd in 2013 de Duitse locatie met 122 medewerkers gesloten. Momenteel zijn de sloopwerkzaamheden er volop aan de gang.

De fabriek is behoorlijk uitgebreid en beslaat verschillende productiehallen. Meestal zie je van deze locatie enkel de hal met de “robots”. Aangezien het onze enige locatie was die dag, namen we uitgebreid de tijd om ook de andere gebouwen te verkennen. We troffen ook in die andere gebouwen enkele mooie en fotowaardige hoekjes aan.

 

 

Laundry Baskets

Een voormalige industriële wasserij, waar ik verder geen informatie over vond. Veel decay, maar jammer genoeg ook erg veel vandalisme. Toch nog enkele leuke shots kunnen maken.

 

 

Industrial Wanderer

Een van de belangrijkste industriële monumenten van deze Saksische metropool is deze in 1885 opgerichte fabriek. Honderd jaar geleden huisde hier een van de grootste autofabrikanten in Duitsland. De fabriek produceerde niet alleen auto’s, maar ook fietsen en motorfietsen. Na de Tweede Wereldoorlog ging de autoproductie verder onder de naam AUDI in een nabijgelegen stadje. In deze fabriek werden vanaf dan de machines gedemonteerd als onderdeel van het herstelwerk en naar de Sovjet-Unie gebracht. Vanaf de jaren 1950 werden hier onder andere kantoormachines, vliegtuigmotoren en hydraulische pompen geproduceerd. Vandaag blijven alleen de mooie, lege industriehallen staan, zoals deze industriële balzaal, ooit de krachtcentrale van de fabriek. Het ziet er jammer genoeg naar uit dat het gebouw wacht op de definitieve sloop…

 

 

 

Puppen Fabrik

Deze verlaten fabriek kreeg de naam “Puppen Fabrik”, omwille van de grote hoeveelheid plastic poppetjes die er te vinden waren. Nochtans was dat niet wat er in deze als sinds halverwege de jaren 1990 leegstaande fabriek geproduceerd werd. Hoewel informatie zeer schaars te vinden is, kon ik achterhalen dat de fabriek werd opgericht in 1969 en dat het in feite om een inktfabriek gaat… Einde 2019 werd de stad slachtoffer van een pyromaan, die het blijkbaar op leegstaande panden gemunt had. Ook deze fabriek ontsnapte niet aan de waanzin van deze pyromaan. Hoewel de berichtgeving naar aanleiding van de brand vermeldde dat de fabriek nagenoeg volledig afgebrand was, blijk dat de schade eerder tot het voorste deel van het gebouw beperkt is gebleven. Er waren nog enkele zeer mooie stukken te zien en te fotograferen…

 

 

Mint Factory

Over deze voormalige betoncentrale, waar alles in een frisse, mintgroene kleur geschilderd was (vandaar de naam Mint Factory), valt weinig informatie te vergaren, anders dan dat ze in 2017 failliet verklaard werd. Het bedrijf was vooral gespecialiseerd in het vervaardigen van betonnen bloembakken, terras- en traptegels en palissades.

 

 

Biomass Power Plant

Biomass Power Plant was een thermische elektriciteitscentrale, gebouwd in 1974 en in dienst genomen in 1976. De centrale had een totaal vermogen van 556 MWe, dat voornamelijk door twee stoomturbines gegenereerd werd. Deze turbines werden aangedreven door steenkool en biomassa. In 2012 krijgt de uitbater nog een milieuvergunning om 100% biomassa te verstoken. De centrale zou hierdoor aanspraak kunnen maken op “groenestroomcertificaten”. De uitbater zou hierdoor over een periode van 10 jaar een subsidie van 2,2 miljard euro kunnen binnenhalen, maar de nodige investeringen voor de reconversie raken nooit rond door problemen met de warmtewisselaar. Het Vlaams Energie Agentschap wijst de vraag om uitstel af, waardoor de centrale het uitzicht op de miljardensubsidie verliest en gedwongen de boeken neerlegt. Sinds april 2017 is Biomass Power Plant failliet en werd de oven stilgelegd. Daarmee verdween de laatste kolencentrale van België. De reeds vergunde sloop werd in 2018 nog uitgesteld en de centrale wordt nog een laatste keer opgestart om de winterse energieschaarste op te vangen. Ondertussen is de sloop op volle toeren…

 

 

Zeche N1

Het verhaal van deze Zeche begint al in 1855, maar het graafwerk startte pas in 1912. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liep het delven van steenkool echter aanzienlijke vertraging op. Pas vanaf 1915, volop in de oorlogsjaren, werd er steenkool naar boven gehaald vanaf een diepte van bijna 400 meter. Vlak na de oorlog werd de tweede schacht in gebruik genomen. Samen met de andere schachten van de mijn, werd er in de topjaren (jaren 1980) tot bijna 3 miljoen ton steenkool aan de aarde onttrokken door meer dan 4000 mijnwerkers… Vanaf die periode begon het succes van de mijn echter te tanen. Begin jaren 2000 werden de dagfaciliteiten van schacht 3 volledig afgebroken. Van 2003 tot 2005 werden de dagfaciliteiten van Zeche N1 volledig gesloopt, met uitzondering van de hoofdframes 1 en 2 evenals het machinepark (energiecentrale) en het gebouw van de voormalige mijnstuw, waaraan het gaswinningssysteem is bevestigd. Deze moeten als industriële monumenten worden bewaard. De Zeche N4 even verderop is nog steeds volledig bewaard.

Bekijk ook de reeks over de 4de schacht van dit mijnbedrijf: Zeche N4

 

 

Steam Power

Deze oude elektriciteitscentrale zorgde niet alleen voor de elektriciteitsvoorziening van de ruime omgeving, maar de stoom die hierbij gegenereerd werd, werd bovendien via een ondergronds buizenstelsel verspreid naar ruim 2500 particuliere gebouwen, waarvan de meeste private woningen, en zorgde zo voor de verwarming van die gebouwen. In 2008 werd de centrale buiten werking gesteld.

 

 

Frida’s Factory

In dit chemiebedrijf, dat in 1912 ontstond als vestiging van een cokesfabriek, werd vanaf 1917 zwavelzuur en fosforzuur geproduceerd. Het fosfaaterts dat hiervoor als grondstof gebruikt werd, werd ingevoerd uit Marokko. Als bijproduct kwam daar vervuild gips bij vrij. In 1925 werd de fosforzuurproductie overgenomen door het bedrijf dat zijn naam schonk aan de site; een naam waaronder deze site zelfs na meerdere overnames nog steeds bekend staat. Er ontstond geleidelijk aan een gipsberg van aanzienlijke afmetingen, die uiteindelijk zelfs een oppervlakte van 80 hectare besloeg. In 1989 werd een installatie voor de terugwinning van zwavelzuur in bedrijf genomen. Er volgend nog enkele overnames, tot het bedrijf uiteindelijk in 2009 failliet ging. Wat overbleef na het faillissement was het terrein, waarvan de bodem werd gesaneerd en de gebouwen vanaf 2013 werden afgebroken. De gipsopslag werd na sanerings- en stabiliseringswerkzaamheden afgedicht. Het terrein werd inmiddels bebost en er werd ruimte voorzien voor een nieuw bedrijventerrein en een park met zonnepanelen.

Op één van de silo’s werd een graffiti kunstwerk aangebracht met de beeltenis van de Mexicaanse surrealistische kunstschilderes Frida Kahlo. Vandaar Frida’s Factory… Hoewel er inmiddels al een groot deel van de gebouwen verdwenen is, is er nog voldoende overgebleven om te ontdekken en fotograferen.

 

Diesel Farm

De elektriciteitscentrale ‘Diesel Farm’ opende de deuren in 1976. Gedurende bijna 40 jaar zou ze de belangrijkste producent van elektriciteit in de streek zijn. De centrale werd aangedreven door de verbranding van diesel en had een nominaal vermogen van 83 MegaWatt. De centrale kwam de laatste jaren meermaals in opspraak. In 2007 werden er door verscheidene milieuorganisaties actie gevoerd omdat de centrale op dat moment aangedreven werd door de verbranding van palmolie uit Maleisië, hetgeen bijzonder belastend is voor het milieu. In 2010 zorgde een stukgesprongen olieleiding bij het overtanken van zware olie van een olietanker nog voor een zware vervuiling van de rivier. Wegens veroudering van de installaties was de centrale al een tijdje niet meer rendabel en werd ze enkel nog ingezet in geval van hoge nood. Eind maart 2012 viel het doek definitief over Diesel Farm.

 

 

Wasserwerke

Deze voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie is een geklasseerd industrieel gebouw in het Duitse industriestadje Krefeld. Het gebouw werd ontworpen door architect George “Jörg” Bruggaier en wordt beschouwd als een architectonisch belangrijk voorbeeld van de Jugendstil. De fabriek, gebouwd tussen 1908 en 1910 werd gebruikt om het rioolwater van de hele stad Krefeld te zuiveren. Het is een van de laatst overgebleven zuiveringsinstallaties uit de begindagen van de stedelijke zuiveringssystemen in Duitsland. Tot 1962 werd de zuiveringsinstallatie gebruikt in de oorspronkelijke staat afvalwater. Vanaf dan tot 1996 werd ze – door de installatie van vijzels – nog uitsluitend voortgezet als pompstation. In 1996 werd het geheel vervangen door een aangrenzend nieuw gemaal. Naast de grote hal (hoofdgebouw), met onder meer twee rioolkanalen, een overloopkanaal en de halkraan, vind men er tevens het kalkgemaal (machinekamer) en het woonhuis van de bedrijfsleider (woonoppervlakte ca. 74 m² – gebouwd in 1921/1922 volgens de plannen van de architect Anton Rumpen). Het oorspronkelijke sluizenhuis, is vanwege riooltechnische redenen nog steeds in het bezit van het gemeentebedrijf Krefeld en dient vandaag als toegang tot de regenwateroverstroming.

Het oude zuiveringsstation werd gekocht door 4 vrienden, die er een nieuwe bestemming aan willen geven, met respect voor het historische en architecturale karakter van het pand. Om vandalen buiten te houden, werd het pand recentelijk beveiligd met camera’s en bewegingsmelders en kan het alleen nog legaal bezocht worden…

 

 

Zeche N4

In het steenkoolbekken in het Duitse Ruhrgebied zijn tal van Zeches te vinden. Veel van deze Zeches werden inmiddels afgebroken, maar deze is vrijwel volledig intact gebleven. Hij staat dan ook op de lijst van te bewaren industrieel erfgoed. Dit was de 4de schacht van een groter mijnbedrijf. De graafwerken begonnen er in 1959, maar het duurde nog 4 jaar voor de eerste steenkool werd gedolven. Eind 2001 werd de ontginning er stilgelegd. De mijn is nagenoeg volledig bewaard gebleven en is vooral een bezoek waard vanwege de uit 1962 daterende schachtbok, die aanzienlijk is in termen van ontwikkelingsgeschiedenis. De schachthal en het hijshuis vormen een functionele eenheid met het hijsframe en zijn het bewaren waard. Het schachtsysteem van deze Zeche is een van de meest opvallende schachtsystemen in het Rijnland vanwege het historische belang van de bewaarde steigers en de typische architectuur van de schachtgebouwen.

Bekijk ook de reeks over de schachten 1 en 2 van hetzelfde mijnbedrijf: Zeche N1

 

Chaudronnerie

Deze locatie kreeg de naam “Chaudronnerie” mee, omdat het bedrijf ketels maakte voor de nabijgelegen staalindustrie. Dit gebouw is echter slechts het administratieve gedeelte van de voormalige fabriek. Naar de aanwezigheid van de vele tekentafels te oordelen het gedeelte waar de ketels ontworpen werden. De werkplaats zelf is nog (of terug?) in gebruik. Hoewel het administratieve gebouw veel te lijden heeft gehad onder allerlei vormen van vandalisme tot zelfs brandstichting, konden we er toch nog enkele leuke shots maken…

 

Factory G

In een eerdere reportage liet ik je al kennis maken met het mooie Factory H, het jongere broertje van deze Factory G. Van de vier silogebouwen die hier te vinden zijn, is deze ongetwijfeld de mooiste en ook de meest interessante. Het is het oudste van de cluster en werd in 1895 gebouwd als een van de vroegste realisaties van Frans van Dijk, een Antwerpse architect, die later zijn stempel zou drukken op de architectuur in de stad.

Factory G is een graanmagazijn met een dubbele functie: stockage en beluchting. Het gebouw werd voorzien van twee kopgevels met twee torens, waarin via ‘jakobsladders’ (een verticaal transportsysteem met een omlopende band waarop een aaneengesloten reeks bakjes is gemonteerd) het graan omhoog getransporteerd werd. Eenmaal boven werd het graan via lopende banden naar de 144 verticale silo’s (karen) in het middengedeelte van het gebouw geleid. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog liep het gebouw aanzienlijke schade op. De herstelling ervan was een goede gelegenheid om een nieuwe en grotere distributieverdieping op te trekken. In deze open ruimte kwamen drie dubbele portaalbruggen van gewapend beton in functie van het horizontale transport. De silogebouwen werden in heel Europa bewonderd en geroemd omwille van de revolutionaire wijze waarop ze graan konden sorteren, behandelen en stockeren.

 

 

Trafilatura

Deze draadtrekkerij werd in 1951 opgericht als dochteronderneming van het staalbedrijf van Gustave Boël, dat zowel plaatstaal als walsdraad produceerde. Voor de oprichting van dit dochterbedrijf werd de walsdraad verkocht aan onafhankelijke draadtrekkerijen in binnen- en buitenland. De nieuwe onderneming stelde zich tot doel de traditionele draadproducten zoals blanke draad, verzinkte draad, draadnagels, prikkeldraad en afsluitingen te fabriceren en te ontwikkelen. De Europese draadmarkt kende een sterke groei en dit creëerde bijkomende exportmogelijkheden. In de daarop volgende jaren werd bouwstaal het grootste afzetproduct van de fabriek.

Geleidelijk aan veranderde de productie van geribde draad en bouwstaalmatten tot blinkende draad voor verchromen en vernikkelen. Er werd tevens geïnvesteerd in gloeiovens voor de productie van koudstuikdraad. Een overname in 1999 door een Zwitsers-Italiaanse groep, die eerder in aan- en verkoop gespecialiseerd was dan in productie, was het begin van het einde voor deze fabriek. Er volgen nog overnames en samenwerkingsverbanden, maar deze fabriek blijft functioneren als een afdeling van de staalfabriek waaruit ze ontstaan is. Na de sluiting van de staalfabriek begin 2013 gaan de zaken snel achteruit. In het najaar van 2018 valt na 67 jaar het doek over de draadtrekkerij.

 

 

Bleu Power Plant

Deze indrukwekkende energiecentrale maakt deel uit van een groter geheel, geconcentreerd rond een hoogovenbedrijf. Uit de staalproductie van de hoogoven ontstaat hoogovengas als nevenproduct. Dit gas kan in een ketel onder hoge druk/temperatuur (125 bar/560 °C) in combinatie met nafta en aardgas verbrand worden. De hierbij geproduceerde stoom wordt gebruikt om elektrische stroom op te wekken met behulp van condenserende stoomturbines. De centrale bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde gebouwen. In het achterliggende gebouw bevinden zich de boilers, waarin de stoom wordt opgewekt. Die stoom wordt vervolgens via een complex systeem van buizen getransporteerd naar het aanpalende gebouw waarin zich de turbines bevinden. In het boilerhuis, dat duidelijk verouderd is, is het verval zeer duidelijk zichtbaar. De turbinezaal is beter bewaard gebleven, wellicht omdat het gebouw nog steeds sterk beveiligd wordt. In de turbinezaal bevinden zich verschillende types turbines, met een vermogen variërend van 6,5 MW tot 75 MW. De oudste turbines zijn klassieke Ingersoll Rand turbines en een oude Oerlikon turbine; de nieuwere zijn vooral ACEC turbines en de grootste en nieuwste turbine is de blauwe turbine waar de locatie naar vernoemd werd. Dat is een Escher Wyss turbine. Om deze turbine aan te drijven, werd er een annex aan het boilerhuis gebouwd, met een eigen stoomketel die deze turbine kon aandrijven. Het geheel wordt aangestuurd vanuit de spectaculaire controlekamer.

 

 

Usine S

Schapenwol bevat veel onzuiverheden, zoals lanoline (wolvet) en suint (zweetwol). Van oudsher werd het wolwassen direct in de rivier gedaan door middel van alkalische en hete baden in kuipen en speciale machines. De lanoline, die onoplosbaar is in water, kon hiermee echter niet afgescheiden worden. In deze aan het begin van de 20ste eeuw opgerichte fabriek werd een nieuw, uit de Verenigde Stated overgewaaid procédé toegepast, dat bestond uit de behandeling van de vetwol met nafta of petroleumbenzine. Dit absoluut neutrale product tast de vezel van de wol immers niet aan en laat hem alleen het percentage vet achter dat nodig is om zijn natuurlijke soepelheid en elasticiteit te behouden. De nafta wordt naderhand door middel van verdamping uit de overgebleven wol verwijderd. Een ander interessant resultaat van de “solventage” was recuperatie van het uit de wol onttrokken vet: pure, volledig zuivere lanoline. Een van de verschillende toepassingen van uit wol onttrokken lanoline, was de vervaardiging van farmaceutische zeep en lanoline voor het onderhoud van huiden en vellen, maar het kan ook worden gebruikt bij de bereiding van oliën. vet, was, zalven, consistente vetten, enzovoort.

 

 

Bureau Central

Dit enorme pand behoorde toe aan het hoogovenbedrijf, dat meerdere vestigingen had in de streek. Over de geschiedenis van het gebouw zelf valt weinig informatie te rapen. Het oorspronkelijke gebouw werd opgericht in het laatste kwart van de 18de eeuw en kende enkele substantieve wijzigingen en uitbreidingen in de loop van de 19de en 20steeeuw. Het gebouw huisvestte het centrale bestuur en de administratie van het hoogovenbedrijf. Begin jaren 1980 werd het inmiddels verouderde gebouw verlaten en sedertdien is het verval er met rasse schreden vooruitgegaan, niettegenstaande de klassering ervan als erfgoed in 1987. Vooral de centrale hall met overwelfde lichtkoepel heeft sterk te lijden gehad van de elementen, die er vrij spel hebben. Het imposante gebouw, met lange, eindeloos lijkende gangen en diffuse lichtinval is een gedroomde locatie voor fotografen met een voorkeur voor verlaten en vervallen gebouwen. Op het domein bevond zich oorspronkelijk ook het kasteel van de adellijke familie die eigenaar was van het bedrijf, maar dat werd enkele jaren geleden al gesloopt. Het ziet er naar uit dat dit mooie kantoorgebouw hetzelfde lot zal ondergaan, als er niet snel werk gemaakt wordt van de renovatie ervan…

 

 

Mine des Grimpeurs

Dit mijnbedrijf, zoals vele in deze regio, maakte deel uit van het imperium van een adellijke familie, die vooral actief was in de staalindustrie. Die zelfde familie ontmoetten we al in een eerdere reeks over het administratief gebouw dat het centrale bestuur van het bedrijf huisvestte: Bureau Central.

Het eerste stuk steenkool in deze vestiging werd in juni 1856 gedolven, in een schacht op twee kilometer afstand van wat later het familie-hoofdkwartier zou worden wat de ontginning van steenkool betreft. Na deze ontdekking, stelde de raadgevend ingenieur van het bedrijf voor nieuwe onderzoeken in het gebied naar het zuiden uit te voeren om operaties uit te breiden, die tot dan omwille van de landsgrens beperkt waren tot het noorden. Verschillende schachten werden vervolgens gegraven tussen 1862 en 1889. De geproduceerde kolen werden voornamelijk gebruikt om de staalfabrieken van de familie af ​​te stoken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie in minder dan tien jaar verdrievoudigd. In 1946 was het bedrijf verbonden aan een openbaar bedrijf, als onderdeel van het nationalisatieproces van alle Franse kolenmijnen. Na 1960 werd de steenkoolindustrie echter hard getroffen. Het bedrijf moderniseerde noodgedwongen en investeringen gingen door tot 1986. De hoofdzetel stopte met activiteiten in 1986, maar een deel van de infrastructuur van de site bleef tot 1989 worden gebruikt voor andere schachten in dezelfde concessie die nog in bedrijf waren. De laatste put werd gesloten in 2001.

 

Pottery

De reputatie van het aardewerk dat hier geproduceerd werd is haast legendarisch. In de loop van de twee eeuwen dat dit familiebedrijf bestond, heeft het wereldwijd een schare trouwe bewonderaars gegenereerd. Het aanbod bestond uit allerlei stukken aardewerk, zoals serviesgoed, vazen en bloempotten, maar ook kunstobjecten, fresco’s en zelfs kachels. De fabriek werd opgericht in 1790, maar kampte aanvankelijk met grote problemen, waaronder moeilijkheden met de aanvoer van grondstoffen, maar ook vijandigheid en wantrouwen van de bevolking. Bovendien was de concurrentie van vooral Engelse producenten groot. Rond de eeuwwisseling werd de fabriek overgenomen door een inventieve jonge Duitser, die door het introduceren van nieuwe decoratietechnieken en het gebruik van de fijnste grondstoffen het tij al snel wist te keren. Napoleon werd een van de beste klanten, waardoor de orders al snel binnen stroomden en uitbreiding van het bedrijf zich opdrong. De huidige fabriek, waaronder ook deze opslagplaats voor mallen, dateert van deze periode van expansie tussen 1850 en 1860. Tijdens de glorieperiode bood het bedrijf werk aan ruim 3200 werknemers. Einde jaren 1970 markeerde een keerpunt. Het bedrijf was inmiddels overgenomen door een andere familie, die de productie van serviesgoed staakte om zich toe te spitsen op de productie van tegels voor wanden en vloeren. Begin jaren 2000 is het zakencijfer sterk gedaald en zijn er nog een 100-tal werknemers over die het bedrijf in leven proberen te houden. Nauwelijks 5 jaar later gaat het bedrijf alsnog in liquidatie. Kort erna spreekt de rechter het faillissement uit en valt het doek definitief over twee eeuwen industriële geschiedenis…

 

 

Bernina’s Brother

Na een grote brand, die aan het einde van de 17de eeuw bijna 600 houten huizen verwoestte in het centrum van de stad, was dit prachtige herenhuis een van de zeldzame eerste stenen burgerlijke gebouwen van de stad. Het gebouw werd opgetrokken in Lodewijk XVI-stijl, een eerder sobere en symmetrische stijl, gekenmerkt door classicistische versieringen, zoals hier de houten dakkapellen en het driehoekige fronton. In de 19e eeuw vestigden de toenmalige eigenaars een katoenfabriek op de site, die dankzij een verstandig beheer en tijdige modernisering tijdens de Industriële revolutie uitgroeide tot een succesvol bedrijf. In het begin van de 20ste eeuw worden de gebouwen verkocht en herbestemd tot een vak- en ambachtschool die al snel van groot belang bleek te zijn voor de ontwikkeling van de textielindustrie van de stad. In 2008 trekken de laatste leerlingen weg uit deze historische gebouwen. Inmiddels werd het gehele complex verkocht aan een projectontwikkelaar, die er met respect voor de historische gebouwen een nieuw woonproject zal realiseren. Deze werken zijn momenteel volop aan de gang.

 

 

Brauerei Ibing

Friedrich en Richard Ibing werden geboren als de jongste zonen van een befaamd lakenmakersgeslacht, dat al ruim 200 in de textielindustrie actief was. De achteruitgang van deze industrie was echter al duidelijk in de 19e eeuw. De ambachtelijke bedrijven konden de concurrentie met de industrieel vervaardigde Engelse stoffen niet langer aan. Het is dus niet verwonderlijk dat men naar andere vormen van werkgelegenheid begon uit te kijken. In mei 1863 verwierven de broers Friedrich en Richard Ibing twee percelen van een voormalige steengroeve, waar ze hun activiteiten ontplooiden. Na zeven jaar moest het bedrijf worden uitgebreid, maar op deze locatie was dit niet mogelijk. In april 1870 werd een gebied van bijna 10.000 vierkante meter verworven, waarop een ruim nieuw gebouw werd opgericht. De brouwerij Ibing behoorde vanaf het begin tot de leidende Mülheim-brouwerijen. Ook buiten de grenzen van genoot de brouwerij bekendheid. Op de Wereldtentoonstelling in 1889 in Parijs kreeg het bier van de Ibing-brouwerij zelfs een gouden medaille. In 1892 overleed Friedrich Ibing op 58-jarige leeftijd aan een beroerte. Hugo Ibing, de oudste van de twee zonen van Friedrich Ibing, trad op 23-jarige leeftijd aan als gevolmachtigde in het beheer van de brouwerij en leidde bij zijn oom de business met veel succes. De brouwerij had aan het begin van de 20e eeuw een jaarlijkse brouwcapaciteit van 60.000 tot 65.000 hectoliter. Het aantal werknemers steeg van 30 in 1900 tot 62 in 1908. Erich Ibing, de laatste nazaat van de stichters, leidde de brouwerij slechts een korte tijd. In 1955 verkocht de familie Ibing het bedrijf. Ondanks alle garanties dat het niet de bedoeling was om de brouwerij te sluiten, werden in februari 1968, vijf jaar na het 100-jarig jubileum van de brouwerij, de fabriekspoorten voor altijd gesloten. Al meer dan 50 jaar werd het complex overgelaten aan het verval en zijn nu alleen nog de ruïnes zichtbaar.

 

 

Zeche W

Aan het begin van de 20ste eeuw verwierf de Pruisische Staat een aantal grote velden in het noordelijke Ruhrgebied. AG Recklinghausen, waarvan het meerderheidsbelang in handen was van de staat, begon vanaf 1902 met het boren van de eerste putten. In 1910 ging de mijn in bedrijf. In 1912 werd bovendien een cokesfabriek in gebruik genomen. De mijn ontwikkelde zich economisch veelbelovend. Al in 1920 werd de limiet van 1 miljoen ton jaarproductie overschreden. Aan het einde van de jaren 1920 werd de mijn een eerste maal overgenomen en kwam zo in volle eigendom van Hibernia AG. Er volgden tal van uitbreidingen en moderniseringen aan het mijnbedrijf. 

De voortdurende oorlogsvoering zorgde ervoor dat het werk halverwege WOII tot stilstand kwam. Na de Tweede Wereldoorlog begon Hibernia AG met een uitgebreid moderniseringsprogramma, hetgeen in 1956 leidde tot de bouw van deze nieuwe centrale transportschacht, uitgerust met 2 volautomatische transporteurs. De betonnen hijstoren, gebouwd in 1960, werd in gebruik genomen in 1961. De uitgebreide rationaliseringsmaatregelen leidden tot een jaarlijkse productie ​​van meer dan 3 miljoen ton. Vanaf het einde van de jaren 1960 volgden er opnieuw enkele overnames en fusioneringen. Eind 2008 werd de kolenmijn gesloten met het ophalen van de laatste steenkool. De mijn is tot op de dag van vandaag volledig bewaard gebleven en werd door zelfs tot monument uitgeroepen.

 

 

Usine Gonzo

Usine Gonzo maakt deel uit van een traditionele vlasroterij. De roterij werd opgericht aan het einde van de 19de eeuw en werd stelselmatig uitgebreid tot  de huidige site. De hele site wordt beschouwd als waardevol erfgoed, niet alleen vanwege de strategische ligging, maar ook omdat ze een van de best bewaarde roterijen van haar soort is. Er zijn typische rootputten, de stoommachines met bijhorende schoorsteen, een paar vlasschuren en een zwingelarij. De machinekamer bevat onder meer stoomketels en een uitzonderlijke stoommachine, de enige in zijn soort die nog in België te vinden is. De ketels werden aangestookt met ‘lermen’, de houtachtige kernen van de vlasstengels die tijdens het productieproces van de vlasvezels afgescheiden werden. De stookkosten konden hierdoor bijna tot nul herleid worden. Ook in deze roterij werd deze brandstof tot in de late jaren 1970 gebruikt. Eind jaren 1970 raakte het bedrijf in onbruik, maar het zou nog ruim 25 jaar duren vooraleer het geheel als industrieel erfgoed beschermd werd.

 

 

Filature Panier

Over deze verlaten fabriekssite kon ik niets meer achterhalen dan dat het een voormalige weverij is en dat ze later nog gebruikt werd door een bedrijf dat zich specialiseerde in het produceren van medisch verband. Sinds 2007 werden de fabrieksgebouwen verlaten en wacht het terrein op een herbestemming. Aangezien het hier niet gaat om waardevol industrieel erfgoed, is de kans groot dat het geheel gesloopt wordt om plaats te ruimen voor nieuwbouw woonprojecten…

 

 

Limestone Factory

De kalkovens markeren een keerpunt in de industriële geschiedenis van deze gemeente. Halverwege de 16de eeuw was er volgens de parochieregisters al sprake van een zekere industriële uitbating van de steengroeven. Midden jaren 1850 bouwde de gemeente een eerste oven. Bijna 25 jaar later werd een tweede oven gebouwd in opdracht van de exploitant van de eerste oven. Sinds 1890 wordt het bedrijf door dezelfde familie geëxploiteerd.  In samenwerking met een andere familie wordt een derde kalkoven gebouwd. Tegen de jaren 1920 werken deze drie ovens op volle capaciteit. Ze worden pas vijftig jaar later stopgezet. Een deel van de oude gebouwen is verlaten. Deze gebouwen behoren bij de oude smederij, waarin tegenwoordig een museum is ondergebracht.

 

 

Four de C.

Deze staalfabriek werd in 1853 gesticht. Toen de eigenaar omwille van de hoge financiële eisen voor de aanleg van een spoorlijn aan de rand van het faillissement stond, werd hij gered met de financiële hulp van een accountant binnen zijn bedrijf. Na de dood van de stichter in 1880 heeft hij het bedrijf nagelaten aan die accountant, die onder zijn naam het bedrijf groot maakte. Tegen 1897 had het bedrijf 1200 werknemers in dienst. Tegen 1913 beschikte het bedrijf over twee hoogovens, twee batterijen van 41 cokesovens; twee staalfabrieken, walserijen, smederijen, werkplaatsen enz. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek ontmanteld en gesloopt, maar vanaf 1919 werd ze heropgebouwd met nieuwe hoogovens en cokesovens met een productiecapaciteit van 200,00 ton ijzer per jaar. Tijdens het interbellum zouden er nog meer uitbreidingen aan de fabriek plaatsvinden. Het bedrijf bloeide tot in de jaren 1970, maar werd vanaf dan, net zoals andere staalindustrieën getroffen door de staalcrisis. Het aantal werknemers werd herleid tot één derde. Het bedrijf kende vanaf dan een opeenvolging van overnames en fusies. De huidige eigenaar, een Russische partner van de laatste overnemer, produceert er sinds 2016 warm en koudgewalst staal.

 

 

Slaughterhouse

Dit voormalige stedelijke slachthuis werd in de jaren 1960 opgericht, maar werd einde jaren 1990 verkocht aan een private ondernemer. De aanvoer van varkens in vrachtwagens, zowel overdag als ’s nachts, en de vaak niet te harden geurhinder veroorzaakten een hoop wrevel bij de buurtbewoners. Uiteindelijk werd met de stad overeengekomen dat de activiteiten er eind 2015 zouden worden stopgezet. Omwille van protesten omtrent de nieuwe locatie, liep de stopzetting van de activiteiten vertraging op en werden er nog varkens geslacht tot eind 2016. Sinds begin 2017 werd de site verlaten in afwachting van de sloop en de komst van een nieuwbouwproject.

Een groot deel van de charme van urban exploring bestaat erin dat je op verlaten plekken komt en je fantasie de vrije loop kan laten over hoe er daar vroeger geleefd en gewerkt werd. Bij deze locatie was dat een behoorlijk confronterende ervaring… De confrontatie met het feit dat wij als mens niet meer waarde hechten aan een levend wezen dan het zonder veel plichtplegingen reduceren ervan tot een louter consumptieartikel. Een kille, donkere en troosteloze plek, die om die reden een diepe indruk op me gemaakt heeft…

 

 

ECVB

De industriële ontwikkeling van Gent is in belangrijke mate schatplichtig aan de uit Everberg afkomstige baron Floris van Loo, die vanaf het einde van de 19de eeuw pogingen ondernam om de regio te elektrificeren. Die pogingen resulteerden in 1911 in de oprichting van de “Centrales Electrique des Flandres et du Brabant” (Elektrische Centralen van Vlaanderen en Brabant). Nauwelijks twee jaar later werd van start gegaan met de bouw van de thermische centrale Langerbrugge, op de westelijke oever van het kanaal Gent-Terneuzen. Deze energiecentrale vormde de grondslag voor de industriële ontwikkeling van de zone. Architect Eugène Dhuicque ontwierp het gebouw in een decoratieve baksteenstijl. De centrale werd aan het begin van WOI in gebruik genomen, maar liep aan het einde van de oorlog zware schade op. Niet zozeer aan de gebouwen, dan wel aan de installaties. De centrale zou zich in de loop van de 20ste eeuw verder ontwikkelen en uitbreiden. Vanaf het einde van de jaren ’80 werd de productie stelselmatig afgebouwd, tot ze in 2010 volledig werd stilgelegd. Er werd nog een tijd lang een “Museum Energeia” uitgebaat in de oudste gebouwen, maar in 2000 besliste Electrabel (de opvolger van ECVB) om niet langer in het museum te investeren. Het complex werd beschermd als industrieel erfgoed in 1999. Het oorspronkelijke beschermingsbesluit werd door de Raad van State tenietgedaan in 2009, maar werd hernomen in 2013. die bescherming weerhield koperdieven er niet van om met grote hoeveelheden koper aan de haal te gaan en een enorme ravage achter te laten. Ondertussen zijn de oudste delen van het complex gereduceerd tot een leeg omhulsel, waarin alleen nog een oude stoomturbine van de ‘Société Rateau’ en de ‘Ateliers de Construction la Meuse’ achterbleef…

 

 

Fondatel

Deze ijzergieterij stond voor de sloop van de site bekend als “Usine H”. Fondatel vestigde zich aan het einde van de negentiende eeuw vlakbij het station van Herne. Het bedrijf was vooral actief was in de wegenissector en produceerde onder meer straatkolken en riooldeksels. Op haar hoogtepunt stelde het bedrijf meer dan honderd mensen uit de regio te werk. Na aanhoudende klachten van buurtbewoners over geur- en lawaaihinder besloot het bedrijf haar activiteiten te verhuizen naar Andenne, waar zusterbedrijf Fonderies Lecompte gevestigd is. De site in Herne kwam daardoor leeg te staan.

De gemeente Herne liet een ruimtelijk uitvoeringsplan opmaken om de terreinen te kunnen herbestemmen. Vanaf einde 2019 werden de bedrijfsgebouwen gesloopt. De vrijgekomen ruimte zal gebruikt worden om er een nieuwe woonwijk met 98 woningen te vestigen… Alweer een stukje Vlaams industrieel erfgoed wordt hiermee definitief van de kaart geveegd.

Ten tijde van mijn bezoek in het najaar van 2018 waren de gebouwen al grotendeels ontruimd. De halvelings lege loodsen konden toch nog model staan voor enkele leuke shots.

 

 

Cimenterie

Verscholen ‘in plain sight’ ligt deze 15.000 m² grote industriële site al sinds het begin van de jaren 1960 te wachten op een nieuwe bestemming. De voormalige cementfabriek werd er opgericht in 1883 op de plaats waar al sinds 1881 kalk gewonnen werd uit de naastgelegen groeve. In eerste instantie werd er alleen kalk geproduceerd. Later werden de activiteiten uitgebreid met de productie van het kunstmatige Portlandcement. De fabriek werd uitgerust met traditionele ovens en verticale metalen ovens verdeeld over een dozijn atypische industriële bouwwerken. Het meest opvallende en tevens meest indrukwekkende van die constructies is ongetwijfeld de 40 meter hoge toren, die nog de roestige overblijfselen van de machinerie bevat. Het zuidelijke deel van de site, met de oude kalksteengroeve, werd inmiddels van het geheel afgesplitst. Medio jaren 1950 werd dit deel onder water gezet. Het wordt vandaag gebruikt door een duikclub. Er kan tot een diepte van 40 meter gedoken worden. Het terrein werd in 2013 gesaneerd. Een projectontwikkelaar zou er lofts onderbrengen in de bestaande gebouwen, maar deze plannen werden nooit uitgevoerd. Inmiddels heeft de natuur zich terug meester gemaakt van de site, die al sinds jaar en dag een geliefde locatie vormt voor urban explorers en fotografen.

 


 

Terre Rouge

Terre Rouge, genoemd naar de rode kleur van de ijzerhoudende grond, was een van de grote spelers in de ijzerertsindustrie in Luxemburg en zelfs in Europa. De geschiedenis van de site neemt een aanvang omstreeks 1870 met de bouw van de “Usine Brasseur”, waar de twee eerste hoogovens gebouwd werden onder auspiciën van de “Société Anonyme des Hauts-fourneaux Luxembourgeois”. Op de site werd door 10 verschillende mijnbedrijven ijzererts ontgonnen, eerst bovengronds, later uit ondergrondse galerijen. In 1937 werd het bedrijf opgeslokt door ARBED (Aciéries Réunies de Burbach-Eich-Dudelange). Nog later werd het bedrijf overgenomen door de groep ArcelorMittal. In de jaren 1950 ontdekte men dat de gassen, die vrijkwamen bij het smelten van ijzer tijdens de staalproductie, konden worden gebruikt om elektriciteit te produceren. De Centrale Thermique werd daarom in 1951 gebouwd om deze revolutionaire techniek te exploiteren. In de jaren 1970 zag Luxemburg de staalindustrie krimpen en de hoogovens in de hele regio begonnen te sluiten. Een dag nadat de laatste hoogoven in 1977 werd stilgelegd, werd ook de hele fabriek gesloten. De hoogovens werden inmiddels afgebroken. Tegenwoordig zijn alleen de ijzerertssilo’s en het lege gebouw van de krachtcentrale er nog, verlaten en ernstig in verval.

 

 

HF4

Dit hoogovenbedrijf, dat beeldbepalend is voor de stad Charleroi, ontstond in 1836, tijdens de hoogtijdagen van de Europese staalindustrie. Zoals alle andere staalbedrijven in de regio, maakte ook deze hoogoven het voorwerp uit van tal van overnames en fusies, die zich voornamelijk tijdens de jaren 1960 en ’70 afspeelden. Het bleef steeds een bloeiende onderneming, competitief op wereldschaal, tot de overname door de groep Duferco in 2001 het begin van het einde inluidde… De site werd vanaf dan uitgebaat onder de naam Carsid. Na een brand in 2007 werd de oven tijdelijk gedoofd om de nodige herstellingswerken uit te voeren. Tegelijkertijd werd de capaciteit opgekrikt en werden er een aantal investeringen op het vlak van milieu gedaan. Nu zou de installatie weer voor tien jaar operationeel zijn. Nauwelijks een jaar later werd de hoogoven opnieuw gedoofd, omwille van “slechte vooruitzichten”. Door de economische crisis en de teruglopende vraag naar staal, was de uitbating van het hoogovenbedrijf niet langer rendabel. Een “tijdelijke” sluiting en de zoektocht naar een overnemer zou soelaas moeten brengen. Na ruim drie jaar onzekerheid en economische werkloosheid viel het doek echter definitief voor de hoogoven. Aangezien HF4 één van de best bewaarde hoogovens in Europa is, streeft de Waalse overheid ernaar om de oven te behouden als industrieel patrimonium. Hoewel hiertoe inmiddels een ministerieel besluit werd gepubliceerd, vorderen de sloopwerken op de site gestaag…

 

 

Wet Dogs Plant

Soms vraag je je af hoe locaties aan hun naam komen. Waarom iemand deze oude krachtcentrale met de naam “Wet Dogs Plant” bedacht, is me een raadsel. De hoogoven, waar deze krachtcentrale deel van uitmaakte, lag al van 2008 stil, maar het nieuws van de definitieve sluiting kwam er pas in 2012. De bedrijvigheid op deze site ging van start in 1836. Zoals wel vaker gebeurt in de staalindustrie volgden er in de loop van de geschiedenis van de fabriek verscheidene fusies en overnames, tot de fabriek in 2001 uiteindelijk in Italiaanse handen kwam. Deze Italiaanse groep stopte in 2008 echter met de productie van primair staal. Er werd nog naar een overnemer gezocht, maar die werd niet gevonden. In 2012 viel het doek definitief over de fabriek. In de oude krachtcentrale werd gerecupereerd wat nog bruikbaar was, maar te oordelen naar de dikke laag stof die alles bedekt, werd er sedertdien nog maar weinig verplaatst…

 

 

Powerplant IM

In urbexmiddens worden Powerplant IM en Cooling Tower IM vaak als twee afzonderlijke locaties beschouwd. Oorspronkelijk vormden ze uiteraard één geheel. De voormalige elektriciteitscentrale van Monceau-sur-Sambre werd gebouwd in 1921. De machinegebouwen werden langs de linkeroever van de Samber gebouwd en de koeltoren, inmiddels ook bekend als filmlocatie van ‘De Premier’ langs de rechteroever. De elektriciteitscentrale draaide initieel op gepulveriseerde steenkool. Naarmate de vraag naar energie steeg en het vermogen stelselmatig werd opgedreven, werd ze vanaf de jaren 1970 ook aangedreven door aardgas. Eind jaren ’70 was deze centrale de voornaamste leverancier van elektriciteit in de regio Charleroi. De centrale, die inmiddels een vermogen van 92 MegaWatt had bereikt, bleek evenwel ook een belangrijke vervuiler te zijn, verantwoordelijk voor maar liefst een tiende van de uitstoot van koolstofdioxide in België. Het nieuws werd gevolgd door hevige protesten van Greenpeace, waarop de centrale in 2007 werd stilgelegd. Sinds enkele jaren wordt de centrale stelselmatig ontmanteld. De gebouwen bleven inmiddels niet gespaard van dieven en vandalen. Vandaag biedt het geheel nog slechts een trieste aanblik en herinnert het nog vaag aan de eens machtige energieproducent…

 

 

Heavy Metal (revisit)

Mijn eerste bezoek aan deze staalgigant dateert alweer van meer dan twee jaar geleden. Ik was zodanig onder de indruk van deze enorme fabriek, dat ik er letterlijk met open mond rondliep… De voorbije twee jaar hebben koperdieven hier vreselijk veel schade aangericht door de bedrading te ontmantelen om het koper er uit te halen. Ze hebben inmiddels wel tonnen koper en andere metalen gestolen… Ze waren trouwens nog steeds bezig toen we er deze keer waren! Gelukkig hebben ze ons niet te veel lastig gevallen. Ze waren zelfs galant genoeg om uit onze schots te blijven. 🙂 Ondanks alle schade is deze verlaten staalfabriek nog steeds met stip de meest indrukwekkende industriële site die ik tot nu toe heb gezien. Als je net zoveel van roest en stof houdt als ik, zal je dit geweldig vinden!

 

 

Charbonnage FT

Naar Belgische normen was deze Charbonnage FT een eerder bescheiden steenkoolmijn, die ook vrij kort werd uitgebaat. In deze regio werd al steenkool gedolven vanaf 1755 Het Frans-Belgische bedrijf dat de mijn exploiteerde werd opgericht in 1865. Het delven in deze mijn gebeurde in ontelbare gaanderijen, die op relatief lage diepten gegraven werden. Er werd steenkool naar boven gehaald van 1875 tot 1935. In 1920 stierven twaalf mijnwerkers ten gevolge van een gasexplosie onderaan de mijn. Vanaf dit moment begint de activiteit van de mijn ook af te nemen, tot in 1929 slecht een enkele zetel nog steeds steenkool naar boven haalt. Uiteindelijk sluit de mijn definitief in 1935. Aan het begin van de 21ste eeuw werden de schachtbokken gesloopt en bleven alleen de oude gebouwen bestaan. Vandaag, na bijna 85 jaar leegstand, verkeren ze in bijzonder slechte staat. De gewestelijke overheid onderneemt heeft de voorbije jaren de nodige stappen ondernomen om de site, die te kampen heeft met zware verontreiging, te saneren. De werken zullen eerstdaags beginnen…

 

 

Black Cokes

Deze cokesfabriek werd begin jaren 1950 opgericht om de hoogovens in de omgeving van cokes te voorzien. De cokes worden geproduceerd uit de droge destillatie van steenkool, die in een zuurstofvrije omgeving indirect verwarmd wordt tot ongeveer 1000 graden en ontdaan wordt de ongewenste restproducten (waterstofgas, methaan, benzeen en teer). Cokes wordt voornamelijk ingezet om ijzererts in een hoogoven te reduceren tot ruw ijzer. De fabriek besloeg een oppervlakte van 17 ha. En werd in 1981 nog met een extra ovenbatterij uitgebreid tot een totaal van 122 ovens. De productiecapaciteit bedroeg toen 750 kton/jaar. Tijdens de jaren 1990 werden er nog vernieuwingen uitgevoerd aan de ovens, maar na de overname in 2001 wenste de nieuwe uitbater niet meer te investeren in de noodzakelijke aanpassingen om vele klachten omtrent milieuvervuiling te ondervangen. Begin 2008 werd de laatste oven stilgelegd en sloot de cokesfabriek. In 2014 begon men met de sloop van de installaties. Daarna is voorzien in de sanering van de zwaar vervuilde bodem.

 

 

Brains Tower

Door de toenemende vraag naar cokes in de staalindustrie en de daaruit voortvloeiende stijgende prijzen, ging men op zoek naar een meer kostenefficiënte techniek. Deze werd gevonden door het injecteren van verpulverde steenkool (Pulverized Coal Injection) als vervanger voor de tot dan gebruikte zware olie in het smeltproces. Verpulverde kolen worden in de primaire luchttoevoer gemengd en in de hoogoven geblazen. Het meest opmerkelijke aspect van deze methode is dat het mogelijk is om goedkopere kolen te gebruiken in het systeem en dure cokes te vervangen, waardoor de kosten aanzienlijk worden verlaagd. Het procédé werd ontwikkeld in de 19e eeuw, maar werd pas in de jaren zeventig industrieel geïmplementeerd. In deze hoogoven werd de methode pas ingevoerd halverwege de jaren 1990. In deze fabriek werd tot de sluiting van de nabijgelegen hoogoven in 2008 poederkool geproduceerd.

 

 

ROA’s Factory

Deze fabrieksruïne is al wat nog rest van de groots opgevatte katoenspinnerij en –weverij die er in de tweede helft van de 19de eeuw werd opgericht. De textielfabriek bleef actief tot aan het faillissement ervan in de jaren 1960. Nadien vestigde zich een kopergieterij op de terreinen en in de gebouwen. De kopergieterij evolueerde naar een metaalverwerkend bedrijf, dat vooral actief werd in het aanleveren van onderdelen voor de auto-industrie. Door de toenemende vraag, barstte het bedrijf al snel uit zijn voegen. In 1997 verhuisde men naar een nieuwe en grotere site en kwamen deze gebouwen definitief leeg te staan. Binnen in de fabriek komen we enkele fraaie staaltjes graffiti-kunst tegen van kunstenaar ROA, die we eerder ook al tegenkwamen in Skeleton Factory. De stad, die nu eigenaar is van de terreinen en gebouwen, plant hier een nieuw woonproject, waarbij zal gepoogd worden de kunstwerkjes van ROA in het geheel te integreren…

 


 

Trainworks

Deze site, die deel uitmaakt van de staalindustrie die in deze stad actief was, bestaat voor het grootste deel uit twee gigantische ateliers, waar men instond voor het onderhoud van de treinwagons die ingezet werden in de staalproductie. De ateliers zijn voor het grootste deel leeggehaald (wat al niet was weggehaald door koperdieven). Nog slechts enkele her en der achtergelaten machines. Het administratieve gebouw echter, dat ook een niet onaanzienlijk deel van de site inneemt, is om duimen en vingers af te likken! Heerlijke decay in de inderhaast achtergelaten kantoren en archieven. Stof, schimmel, afbladderende verf,… Een uitgebreide site, dus ook een uitgebreide reeks foto’s. Enjoy!

 


 

Factory H

Factory H is het tweede van drie gebouwen van een bedrijf dat halverwege de 19de eeuw werd opgericht voor de opslag, overslag en verhandeling van uit Amerika en Rusland geïmporteerde granen. De opmerkelijke gebouwen werden in binnen- en buitenland geroemd omwille van de revolutionaire technieken die gebruikt werden voor de behandeling van granen. Dit specifieke gebouw werd opgericht tijdens het interbellum, naast het oorspronkelijke gebouw uit 1895. Het gebouw bevat meerdere silo’s en kan meer dan 27.000 ton graan bevatten. In het voorjaar van 2020 werd de sloop van het gebouw aangevat…

 

 

Een revisit op 28 december 2018 leverde nog enkele bijkomende shots op:

 

Filature Nouvelle Orleans

De katoenspinnerij N.V. La Nouvelle Orleans werd in 1896 gesticht langs de Nieuwe Vaart. In 1899 breidt het bedrijf uit met een nieuw gebouwencomplex. Het dominerend rechthoekig gebouw van vier bouwlagen onder drie schilddaken werd opgetrokken in 1899. Het is een typisch spinnerijgebouw van het Manchestertype. Verdere uitbreiding met nieuwe spinnerij volgde in 1905 en in 1908 werd de markante vierkante traptoren van het hoofdgebouw hoger opgetrokken en afgewerkt in neo-Vlaamserenaissancestijl. De ronde fabrieksschouw ten noordwesten van de spinnerij werd opgetrokken in 1947.

In 1957 fuseerde het bedrijf met de N.V. Waele & Röthlisberger & Fil. et Tis. L’Avenir tot de N.V. Filature Nouvelle Orleans (FNO). Vanaf de jaren ’50 kreeg de textielindustrie echter al rake klappen. Verschillende bedrijven konden het hoofd niet langer boven water houden. Ook Filature Nouvelle Orléans raakte in de problemen en werd in 1972 overgenomen door de UCO-groep.

In 1988 valt dan uiteindelijk toch het doek voor FNO. In 1990 werd de volledige site verkocht aan een Brusselse projectontwikkelaar. Verschillende delen van de fabriek kwamen leeg te staan en raakten al snel in verval. De overijverige projectontwikkelaar sloopte de stookplaats, de machinekamer, de paardenstal en één van de katoenloodsen zonder vergunning. De sloop van het Manchestergebouw kon nog net op tijd verhinderd worden… Op 3 januari 1995 klasseerde de Vlaamse Overheid het Manchestergebouw, de kantoorgebouwen uit 1896 en 1907, de schoorsteen en de oude katoenloodsen als monument.

 

 

Haberdashery

Dit textielbedrijf hield zich voornamelijk bezig met het weven van stoffen om meubelen te bekleden. Over het ontstaan van deze weverij valt zo goed al niets te achterhalen. Uit volks- en nijverheidstellingen blijkt alleszins dat het dorp tot het einde van de 19de eeuw nog voornamelijk op landbouw gericht was, maar dat men stilaan een aanzet tot textielverwerking ziet ontstaan, voornamelijk onder de vorm van “huisnijverheid”. Het duurt nog tot na de Eerste Wereldoorlog voor men echt kan spreken van een georganiseerde textielindustrie. Afgaande op de bouwstijl lijkt het aannemelijk dat dit bedrijf pas na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht, toen de textielindustrie een hoge vlucht nam. Wat alleszins zeker is, is dat het bedrijf een tiental jaar geleden in slechte papieren kwam. Er werd naarstig naar een overnemer gezocht, maar toen die niet gevonden werd, legde het bedrijf de boeken neer, waardoor de laatste 15 werknemers op straat kwamen te staan.

 

Anderhalf jaar na ons eerste bezoek hier, gingen we nog eens een kijkje nemen toen we toevallig langs reden. Ondertussen bracht de bekende graffiti kunstenaar Pete One (die al in eerdere reeksen aan bod kwam) een bezoek aan de gebouwen en liet er in zijn gekende stijl een aantal prachtige staaltjes van zijn kunnen na. Kijk maar even mee…

 

 

Eric’s Engine Room

De eigenaars en uitbaters van dit bedrijfje waren oorspronkelijk actief in de vlasverwerkingssector. Toen de vraag naar vlas na de Tweede Wereldoorlog stagneerde, moest men uitkijken naar nieuwe activiteiten. Eind jaren 1950 werd dit bedrijf als zusterbedrijf opgericht. Het nieuwe bedrijf legde zich toe op het vervaardigen van mazouttanks, silo’s en tandwielen. Later werden de activiteiten van beide bedrijven nog verder uitgebreid en moest men uitwijken naar een grotere locatie. Die werd gevonden op een nabijgelegen industrieterrein. Na de verhuis naar het nieuwe industriële complex begin jaren 1990 kwam deze locatie leeg te staan. De locatie onderging een prachtig natuurlijk verval en bleef tot vandaag gespaard van dieven en vandalen…

 

 

Orange Factory

In deze fabriek werden de afvalstoffen van een nabijgelegen hoogoven verwerkt, meer specifiek werd er synthetisch grafiet geproduceerd uit het afval van de cokes die in de hoogoven gebruikt werden. Vanwege de relatieve zachtheid van het materiaal en de (zelf)smerende eigenschappen, wordt het in de elektrotechniek gebruikt in sleepcontacten, onder meer in elektromotoren (als koolborstels), in stroomafnemers en in potentiometers. Een andere toepassing is het gebruik als elektrodemateriaal in elektrochemische cellen, bijvoorbeeld bij de isolatie van aluminium uit bauxiet, of in elektrolyse van waterige oplossingen. Hoewel de milieuvergunning voor deze uitbating nog loopt tot 2025 werden de activiteiten al een hele tijd geleden stilgelegd. Door de malaise in de staalindustrie, waarbij de ene na de andere hoogoven werd stilgelegd, raakten immers ook alle geassocieerde bedrijven in de problemen…

 

 

Valve Garden

Op weg naar een verlaten industriële site probeerden we een kortere weg te vinden om ons doel te bereiken en stootten daarbij op dit gebouwtje met daarachter een hoop tanks, buizen en vooral kranen… Aangezien we ons midden tussen de staalindustrieën bevonden, is het redelijk veilig om aan te nemen dat ook deze Valve Garden iets met die staalindustrie te maken heeft gehad, maar ik zou niet bij benadering kunnen vertellen waartoe dit allemaal ooit gediend heeft. Ik was alleszins aangenaam verrast door de prachtige combinatie van het koude staal, de roest en het verval en dan de zachte kleuren die de herfst er overheen gestrooid heeft en hoop dat de foto’s dat kunnen overbrengen…

 

 

 

Skeleton Factory

Skeleton Factory was van oorsprong een drukkerij/uitgeverij. Het bedrijf ontstond al rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw in een nabijgelegen stad, maar de activiteiten werden pas omstreeks 1935 overgebracht naar deze locatie, waar in eerste instantie het buitenverblijf van de familie gevestigd was. De eigenaar van de drukkerij kocht in 1930 een paviljoen dat dienst had gedaan op de wereldtentoonstelling in Luik en liet het achter zijn buitenverblijf heropbouwen. Hierin werd in 1935 de drukkerij ondergebracht. In de daarop volgende jaren zou het bedrijf zich ontwikkelen tot het complex dat men op heden kent. In de drukkerij werden oorspronkelijk voornamelijk prentkaarten gedrukt, die vooral afdrukken waren van foto’s die de eigenaar (zelf een fotograaf) maakte van onder meer de Belgische kust. Enkele jaren voor zijn overlijden verschoof de focus van postkaarten, waarvan de succesperiode voorbij was, naar voornamelijk etiketten. Zijn zoon, die al als drukker werkzaam was in het bedrijf, nam na zijn overlijden de drukkerij over en veranderden de werkzaamheden in de drukkerij en er werd overgeschakeld op industrieel drukwerk. Tussen 1948 en 1976 werd de drukkerij meermaals overgenomen door Amerikaanse multinationals, maar aangezien er nooit geïnvesteerd werd ging het zakencijfer zienderogen achteruit. In 2004 werden de boeken neergelegd en verloren de 46 resterende werknemers hun baan…

De leegstaande fabriekshal is momenteel vooral bekend om de prachtige staaltjes graffitikunst van streetart artiesten Klaas Van der Linden (de skeletten) en ROA (de beestjes).

 


 

Usine Barbelée

Deze gigantische industriële site lijkt meerdere bedrijven te huisvesten. Het oudste en naar mijn persoonlijke smaak mooiste gedeelte was van oorsprong een van de steenkoolmijnen die de nabijgelegen staalfabrieken van brandstof moest voorzien. In de oudste gebouwen op het terrein zijn nog de sorteer- en wasinstallaties voor de steenkool te herkennen. Eén van deze oude gebouwen – duidelijk door brand geteisterd – herbergt een schat aan prachtige roest en verval. Een ander en groter deel van de site lijkt een stuk recenter en wijst eerder op een chemische bedrijvigheid. Dit deel van de site is duidelijk nog niet zo lang geleden verlaten. Het is een locatie met een vrij hoge risicofactor, gelet op de overvloedig aanwezige scheermesdraad en de immer alerte security, die constant aanwezig is op het terrein. Ik heb deze locatie inmiddels 3 keer bezocht (waarvan 1 keer een volledige dag) en heb nog steeds niet alles gezien… Een zéér indrukwekkende site alleszins, die men gerust meerdere keren kan bezoeken.

 


 

Control Room S Revisited

Ruim een jaar geleden bezocht ik deze oude staalwalserij voor het eerst. Toen leek het nog alsof de productie elk moment hervat kon worden. De elektriciteit werkte er nog en het constante gezoem van generatoren was steeds hoorbaar. Een jaar later is het duidelijk dat het hervatten van de productie uitgesloten is… De meeste machines en werktuigen werden er weggehaald en een groot stuk van het oudste gedeelte van de fabriek is inmiddels gesloopt. Gelukkig bleef er toch nog genoeg over om ons enkele uurtjes te vermaken. We kregen deze keer zelfs een mooi bewaard gebleven controlekamer te zien, die tijdens ons eerste bezoek verborgen was gebleven…

Klik hier voor de reportage van het eerste bezoek.

 

 

Salle Compresseurs

In de mijnbouw is een goede ventilatie van de mijnschacht onontbeerlijk. Niet alleen om de mijnwerkers van voldoende zuurstof te voorzien, maar ook om eventuele schadelijke gassen (mijngas en methaan) af te voeren en het gesteente te verkoelen om in de mijn tot een draaglijk werkklimaat te komen. Elke mijn beschikte daarom over een “salle compresseurs”, een zaal met compressors die door middel van perslucht het ventilatiesysteem aandreven. De voorkeur werd meestal gegeven aan een systeem waarbij een ventilator met zuigende effect de kwalijke gassen langs een speciaal daartoe bestemde schacht uit de mijn zoog, daarbij een onderdruk creëerde, zodat via een andere schacht verse lucht in de mijn werd gezogen. Er werden altijd voldoende compressoren voorzien, zodat ingeval van pannes andere compressoren meteen de taak konden overnemen. De “salle compresseurs” was niet voor niets het best bewaakte en best onderhouden gebouw van een mijnbedrijf. Het leven van vele mijnwerkers hing immers af van de goede werking van deze machines.

 


 

Brewery Loco

In ware familiesaga-stijl ontstond deze brouwerij omstreeks 1900, toen de stichters ervan de ouderlijke brouwerij verlieten omwille van onenigheid tussen schoonmoeder en schoondochter. Ze kochten de oorspronkelijk kleine boerderij aan wat toen de rand van het dorp was. De brouwerij bleef sindsdien in familiebezit. Er werd oorspronkelijk voornamelijk pilsbier gebrouwen, maar tijdens de derde generatie bierbrouwers werd er gaandeweg overgestapt naar het brouwen van bieren met hoge gisting, waaronder een Gueuze, enkele fruitbieren en verschillende kasteelbieren.

Grote delen van het brouwerijcomplex werden inmiddels gesloopt om plaats te ruimen voor een nieuwbouwproject. Het oudste gedeelte van de brouwerij was op het moment van mijn bezoek nog net toegankelijk; Het bevat een brouwzaal met daarin nog twee van de drie brouwketels en hogerop in het gebouw een “mouteest” met zinken bekleding: een zogenaamd koelschip voor de productie van zelfgistend bier. Deze bevindt zich onder het zadeldak en heeft een eigen luchtverversingssysteem. Ondertussen zal wellicht ook dit gebouw gesloopt zijn…

 

 

Lost Coffins

Deze voormalige opslagplaats van een meubelimporteur werd in 2014 geteisterd door een brand in de leegstaande kantoorruimten. Hoewel de opslagruimte zelf gevrijwaard kon worden, besloot de uitbater niettemin om de opgeslagen retourgoederen elders onder te brengen. Nog slechts enkele achtergebleven stukken herinneren aan de vroegere functie van de loods. De meest opvallende van die stukken zijn enkele nonchalant achtergelaten rieten doodskisten. Rieten doodskisten zijn in deze contreien (nog) niet echt ingeburgerd, maar zijn een volwaardig en biologisch verantwoord alternatief voor de houten variant. Buiten deze enkele achtergelaten doodskisten heeft deze locatie verder niet veel te bieden…

 


 

Exidus

Dit verlaten bedrijfsgebouw bevindt zich op een industriële site die nog in bedrijf is. Het gebouw maakte waarschijnlijk deel uit van een bedrijf dat eerder op de site gevestigd was. Op de zolder waren nog archieven aanwezig die teruggaan tot het interbellum, lang dus voor het huidige bedrijf zich hier vestigde. Het gebouw was waarschijnlijk een administratief gebouw, waarin onder meer de archieven en de bedrijfsboekhouding bewaard werden. Het oudste en meest vervallen deel van het gebouw was alleszins voorbehouden voor de bedrijfsgeneesheer en zijn dienst, te oordelen naar de aanwezigheid van een medisch kantoor, een laboratorium en drie kleedcabines. Het gebouw vertoont een prachtig natuurlijk verval dat nergens verstoord wordt door inbraaksporen of vandalisme van welke aard dan ook.

 


 

Pete’s Shop

Deze voormalige weverij, opgericht in 1882, werd in de loop van de geschiedenis meermaals overgenomen. Gedurende bijna 90 jaar zou het een mechanische weverij blijven. Door de opkomst van nieuwere technieken moest het bedrijf in 1970 de deuren sluiten. Van 1970 tot 1997 werd er een meubelzaak in uitgebaat. Sinds 1997 staan de bedrijfsgebouwen leeg. In urbexmiddens staat de locatie onder meerdere namen bekend. Pete’s Shop, Pete’s Factory, Usine Petite Echelle en Factory 2601. Omwille van de kenmerkende graffitikunstwerken van Pete One, wordt de naam Pete’s Factory het meest frequent gebruikt. Hoewel de bedrijfssite werd aangemerkt als bouwkundig erfgoed, kwam het nooit tot een werkelijke bescherming. Recentelijk werd dan ook beslist om de gebouwen te slopen en de terreinen bouwrijp te maken voor een nieuw woonproject. Op het ogenblik van ons bezoek waren de sloopwerken al aan de gang…

 

 

House of Escher

Om de opgedolven steenkolen te ontdoen van verontreiniging, zoals stukken steen, werd een systeem ontwikkeld om de steenkool te “wassen”. In een steenkoolwasserij werden de gedolven kolen in een installatie gebracht, waarin zich aan de onderzijde een rooster bevond, waarlangs water in pulserende bewegingen werd toegevoerd. Op de roosters lagen brokken veldspaat. Door de pulserende bewegingen (deinwasmachine) bewoog de steenkool over het bed van veldspaat, terwijl het zwaardere gesteente op en door het bed heen zakte en op de roosters terechtkwam.

Deze steenkoolwasserij werd gebouwd in het midden van de jaren ’50 en zou bijna 20 jaar in dienst blijven voor de omliggende steenkoolmijnen. Het inmiddels als monument geklasseerde gebouw kreeg aan de buitenzijde een opknapbeurt, omdat er plannen bestonden om er een publiek gebouw van te maken. Na een investering van 13 miljoen euro, vielen de werken echter stil, omdat er geen ruimte meer was in de begroting. Er bestaat nu de intentie om de binnenkant van het gebouw te declasseren, zodat het op de private markt kan verkocht worden…

Als je in dit gebouw binnenkomt, zie je vrijwel meteen waarom het de naam ‘House of Escher’ meekreeg. Het gebouw bevat een wirwar aan betonnen trapjes die overal en nergens naartoe lijken te lopen. De associatie met de wereldberoemde litho van graficus M. C. Escher “Klimmen en Dalen” (1960) is snel gemaakt.

 “Klimmen en Dalen” door Maurits Cornelius Escher (1960)

“Klimmen en Dalen” is gebaseerd op de “Penrose-trap”, een optische illusie en een onmogelijk voorwerp bedacht door de Britse wis- en natuurkundige Roger Penrose in 1958.

 “Impossible Staircase” door Roger Penrose (1958)

Op de trap lijk je een rondje omhoog (of omlaag) te kunnen lopen en dan kom je weer op dezelfde traptrede terecht. In drie dimensies is het dus een onmogelijke figuur, die is ontstaan door in de tweedimensionale tekening te spelen met het perspectief.

 

 

Equinox

Deze ruimtetuig-achtige constructie is in feite een ‘gashouder’. Een gashouder (ook wel eens ‘gazometer’ genoemd) is een grote voorraadtank waarin natuurlijk gas of stadsgas onder bijna atmosferische druk en onder omgevingstemperatuur wordt opgeslagen. In de eerste helft van de twintigste eeuw was zo’n gashouder een gangbaar bouwwerk. Gashouders waren doorgaans cilindervormig en waren gemaakt van ijzer. Het volume van de tank past kan aangepast worden aan de hoeveelheid opgeslagen gas in de tank. Na de introductie van aardgas raakte het gebruik van de gashouders in onbruik en werden ze meestal enkel nog gebruikt om de druk van het gas in leidingen te balanceren. De druk wordt geregeld en bewaard door een container die telescopisch op en neer kan bewegen. Binnenin de tank wordt het gas ‘verzegeld’ door een systeem van communicerende vaten, rustend in een watertank, waarin het water zorgt voor een ‘zegel’, zodat het aanwezige gas niet kan ontsnappen.

 

 

Cooling Tower IM

Deze koeltoren maakte deel uit van een verlaten elektriciteitscentrale in het zuiden van België. Het binnenkomende hete water van de centrale werd gekoeld door de wind die langs de onderzijde van de toren werd aangevoerd. De opgewarmde lucht ontsnapt als stoom langs de bovenzijde van de toren. In deze toren kon tot 1,8 miljoen liter water per minuut koelen.