charbonnage

image_pdfimage_print

Black Gold

Aan het begin van de twintigste eeuw werden in dit gebied op verschillende plaatsen proefboringen uitgevoerd. Al snel bleek een rijkelijke aanwezigheid van steenkool in de bodem. Enkele jaren later werd er een concessie verleend voor de ontginning van een gebied van ruim 5000 hectare. Mede door de Eerste Wereldoorlog duurde het nog tot begin jaren 1920 vooraleer er effectief steenkool werd gedolven. Tijdens het piekjaar, halverwege de jaren 1950, haalden 6.800 mijnwerkers bijna 800.000 ton steenkool naar boven. In de loop van de uitbating werd er in totaal bijna 80 miljoen ton steenkool gedolven. Hoewel slechts een klein deel van de steenkoollagen werd ontgonnen, staakte de mijn haar activiteiten einde jaren 1980.

In dit gebouw, de kolenzeverij en -wasserij werd de belangrijkste bovengrondse mijnactiviteit uitgevoerd: het triëren van de kolen van het steenpuin en het wassen van de kolen voor de verkoop. Het gebouw werd opgericht begin jaren 1920 en werd meermaals uitgebreid, tot het een dagcapaciteit had van 7.500 ton. De tien verdiepingen tellende, monolitische kolenwasserij is één van de weinige bewaarde exemplaren in West-Europa. Ze werd om die reden beschermd als monument. Dit wordt echter betwist door de eigenaar, die al meerdere pogingen ondernam om een vergunning te krijgen om het gebouw te slopen, hetgeen hem tot nu toe gelukkig nog niet gelukt is…

 

 

Zeche N4

In het steenkoolbekken in het Duitse Ruhrgebied zijn tal van Zeches te vinden. Veel van deze Zeches werden inmiddels afgebroken, maar deze is vrijwel volledig intact gebleven. Hij staat dan ook op de lijst van te bewaren industrieel erfgoed. Dit was de 4de schacht van een groter mijnbedrijf. De graafwerken begonnen er in 1959, maar het duurde nog 4 jaar voor de eerste steenkool werd gedolven.

Eind 2001 werd de ontginning er stilgelegd. De mijn is nagenoeg volledig bewaard gebleven en is vooral een bezoek waard vanwege de uit 1962 daterende schachtbok, die aanzienlijk is in termen van ontwikkelingsgeschiedenis. De schachthal en het hijshuis vormen een functionele eenheid met het hijsframe en zijn het bewaren waard. Het schachtsysteem van deze Zeche is een van de meest opvallende schachtsystemen in het Rijnland vanwege het historische belang van de bewaarde steigers en de typische architectuur van de schachtgebouwen.

Bekijk ook de reeks over de schachten 1 en 2 van hetzelfde mijnbedrijf: Zeche N1

 

Mine des Grimpeurs

Dit mijnbedrijf maakte deel uit van het imperium van een adellijke familie, die vooral actief was in de staalindustrie. Die zelfde familie ontmoetten we al in een eerdere reeks over het administratief gebouw dat het centrale bestuur van het bedrijf huisvestte: Bureau Central.

Het eerste stuk steenkool in deze vestiging werd in juni 1856 gedolven. De schacht bevond zich op twee kilometer afstand van wat later het familie-hoofdkwartier zou worden. Ten minste, wat de ontginning van steenkool betreft. Na deze ontdekking, stelde de raadgevend ingenieur om ook voor het gebied naar het zuiden te onderzoeken in. Tot dan was het werkterrein omwille van de landsgrens beperkt tot het noorden. Tussen 1862 en 1889 werden er verschillende nieuwe schachten gegraven.

De kolen werden voornamelijk gebruikt om de staalfabrieken van de familie af ​​te stoken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie in minder dan tien jaar verdrievoudigd. In 1946 was het bedrijf verbonden aan het nationalisatieproces van alle Franse kolenmijnen.

Na 1960 werd de steenkoolindustrie echter hard getroffen. Het bedrijf moderniseerde noodgedwongen en investeringen gingen door tot 1986. De hoofdzetel stopte met activiteiten in 1986, maar een deel van de infrastructuur van de site bleef tot 1989 in gebruik voor andere schachten die nog in bedrijf waren. De laatste put werd gesloten in 2001.

 

Charbonnage FT

Naar Belgische normen was deze Charbonnage FT een eerder bescheiden steenkoolmijn, die ook vrij kort werd uitgebaat. In deze regio werd al steenkool gedolven vanaf 1755. Het Frans-Belgische bedrijf dat de mijn exploiteerde werd opgericht in 1865. Het delven in deze mijn gebeurde in ontelbare gaanderijen, die op relatief lage diepten gegraven werden. Er werd steenkool naar boven gehaald van 1875 tot 1935.

In 1920 stierven twaalf mijnwerkers ten gevolge van een gasexplosie onderaan de mijn. Vanaf dit moment begint de activiteit van de mijn ook af te nemen, tot in 1929 slecht een enkele zetel nog steeds steenkool naar boven haalt. Uiteindelijk sluit de mijn definitief in 1935. Aan het begin van de 21ste eeuw werden de schachtbokken gesloopt en bleven alleen de oude gebouwen bestaan.

Vandaag, na bijna 85 jaar leegstand, verkeren ze in bijzonder slechte staat. De gewestelijke overheid onderneemt heeft de voorbije jaren de nodige stappen ondernomen om de site, die te kampen heeft met zware verontreiging, te saneren. De werken zullen eerstdaags beginnen…

 

 

Charbonnage du Renard

De Charbonnage du Renard is een voormalig steenkoolbedrijf in de Belgische regio Luik. Aanvankelijk bescheiden, werd de maatschappij door haar opeenvolgende aanwinsten tijdens de negentiende en twintigste eeuw een van de machtigste en grootste steenkoolbedrijven in de regio.

De eerste bekende koolmijnexploitatie in het gebied dateert van het einde van de 16de eeuw. De mijn kwam echter pas echt tot ontwikkeling omstreeks 1825. Door systematische uitbreidingen bereikte de concessie toen een totale oppervlakte van op 208 ha. Het jaarlijkse productierecord werd bereikt tegen einde jaren 1930, met 620 000 ton steenkool, gedolven over een jaar met een personeelsbezetting van ongeveer 2.100 man. De jaarlijkse productie daalt tot 244.000 ton tijdens WOII. De laatste uitbreidingen vinden plaats in 1939, waarmee de concessie van het bedrijf ongeveer 900 hectare groot was. Het belangrijkste operationele centrum van het steenkoolbedrijf werd gesloten in 1967. Twee jaar later werd ook de steenkoolwinning in deze zetel stopgezet.

Het enige nog resterende gebouw, is het “douchegebouw”, waar de mijnwerkers zich konden omkleden en douchen na het werk. Het gebouw bevat ook een beperkt administratief gedeelte, de ziekenboeg en de loonhal. Na de sluiting van de mijn werd het gebouw in gebruik genomen door een garagist. In de loonhal en de kelders van het gebouw staan nog tientallen autowrakken, voornamelijk van het merk Ford. In de zomer van 2011 ontstond er enige beroering, toen bekend gemaakt werd dat een projectontwikkelaar het terrein wou verkavelen om er 100 woningen op te richten. Aangezien de bodem sterk vervuild is met zware metalen (lood en kwik), liep het project spaak op de volstrekt ontoereikende maatregelen die voorgesteld werden om de bodem te saneren…

 

 

 

Usine Barbelée

Deze gigantische industriële site lijkt meerdere bedrijven te huisvesten. Het oudste en naar mijn persoonlijke smaak mooiste gedeelte was van oorsprong een van de cokesfabrieken die de nabijgelegen staalfabrieken van brandstof moest voorzien. In de oudste gebouwen op het terrein zijn nog de cokesovens te herkennen.

Eén van deze oude gebouwen – duidelijk door brand geteisterd – herbergt een schat aan prachtige roest en verval. Een ander en groter deel van de site lijkt een stuk recenter en wijst eerder op een chemische bedrijvigheid. Dit deel van de site is duidelijk nog niet zo lang geleden verlaten. Het is een locatie met een vrij hoge risicofactor. De overvloedig aanwezige scheermesdraad is al een duidelijk hint. De immer alerte security is bovendie constant aanwezig op het terrein.

Ik heb deze locatie inmiddels 3 keer bezocht (waarvan 1 keer een volledige dag) en heb nog steeds niet alles gezien… Een zéér indrukwekkende site alleszins, die men gerust meerdere keren kan bezoeken.

 

 

House of Escher

Om de opgedolven steenkolen te ontdoen van verontreiniging, zoals stukken steen, werd een systeem ontwikkeld om de steenkool te “wassen”. In een steenkoolwasserij werden de gedolven kolen in een installatie gebracht, waarin zich aan de onderzijde een rooster bevond. Langs daar voegde men water toe in pulserende bewegingen. Op de roosters lagen brokken veldspaat. Door de pulserende bewegingen (deinwasmachine) bewoog de steenkool over het bed van veldspaat. Het zwaardere gesteente zakte op en door het bed heen en kwam op de roosters terecht.

Deze steenkoolwasserij werd gebouwd in het midden van de jaren 1950. Ze bleef bijna 20 jaar in dienst voor de omliggende steenkoolmijnen. Het gebouw werd inmiddels als monument geklasseerd. Het kreeg aan de buitenzijde een opknapbeurt, omdat er plannen bestonden om er een publiek gebouw van te maken. Na een investering van 13 miljoen euro, vielen de werken echter stil, omdat er geen ruimte meer was in de begroting. Er bestaat nu de intentie om de binnenkant van het gebouw te declasseren, zodat het op de private markt kan verkocht worden…

Als je in dit gebouw binnenkomt, zie je vrijwel meteen waarom het de naam ‘House of Escher’ meekreeg. Het gebouw bevat een wirwar aan betonnen trapjes die overal en nergens naartoe lijken te lopen. De associatie met de wereldberoemde litho van graficus M. C. Escher “Klimmen en Dalen” (1960) is snel gemaakt.

 “Klimmen en Dalen” door Maurits Cornelius Escher (1960)

“Klimmen en Dalen” is gebaseerd op de “Penrose-trap”, een optische illusie en een onmogelijk voorwerp bedacht door de Britse wis- en natuurkundige Roger Penrose in 1958.

 “Impossible Staircase” door Roger Penrose (1958)

Op de trap lijk je een rondje omhoog (of omlaag) te kunnen lopen en dan kom je weer op dezelfde traptrede terecht. In drie dimensies is het dus een onmogelijke figuur, die is ontstaan door in de tweedimensionale tekening te spelen met het perspectief.

 

 

Zeche AdH

Deze steenkoolmijn werd in 1977 in bedrijf gesteld. Zowel de bouwstijl als de inrichting van Zeche AdH dateren duidelijk van de jaren ’70. Het steenkoolbedrijf zou enkele keren door andere bedrijven overgenomen worden, voor het in 1999 definitief buiten werking werd gesteld. De mijnschacht zelf is zes bij zes meter breed en gaat ruim 1100 meter diep onder de grond. Samen met de nabijgelegen tweede mijnschacht van hetzelfde bedrijf werd er jaarlijks 3 miljoen ton steenkool naar boven gehaald. In 2015 werd de schacht opgevuld met 37.000 m³ beton. De gebouwen zullen eerstdaags gesloopt worden en het gebied zal opnieuw een natuurbestemming krijgen.

Ook hier zien we weer de typerende “mandjes”, die dienden als lockers voor de mijnwerkers. Na het omkleden, borgen ze er hun persoonlijke spullen in op, waarna het mandje met een ketting tot tegen het plafond van de zaal werd getrokken. De ketting werd vervolgens vastgemaakt aan een genummerd metalen gestel. De persoonlijke bezittingen van de mijnwerkers waren op deze manier veilig voor eventuele gauwdieven. Bovendien was het voor de mijnopzichters een extra controle om te zien wie er zich (nog) in de mijn bevond.

 

 

Zeche DT

Zeche DT (ook wel Zeche P), een van de vele koolmijnen in het Duitse Ruhrgebied. De werkzaamheden rond deze steenkoolmijn gingen al begin jaren ’40 van start, maar liepen vertraging op omwille van de Tweede Wereldoorlog. De delfwerken zouden pas ruimschoots na de oorlog, tegen het einde van de jaren ’40 van start gaan. Bijna 70 jaar lang delfde men er naar steenkool, tot de mijn in december 2008 definitief de deuren sloot.

De “mandjes” dienden als lockers voor de mijnwerkers. Na het omkleden, borgen ze er hun persoonlijke spullen in op, waarna het mandje met een ketting tot tegen het plafond van de zaal werd getrokken. De ketting werd vervolgens vastgemaakt aan een genummerd metalen gestel. De persoonlijke bezittingen van de mijnwerkers waren op deze manier veilig voor eventuele gauwdieven. Bovendien was het voor de mijnopzichters een extra controle om te zien wie er zich (nog) in de mijn bevond.

Mijn eerste kennismaking met de beruchte “mandjes” was in deze mijn. Omwille van een bezoek aan een andere locatie eerder op de dag, werd het jammer genoeg slechts een kort bezoekje…

 

 

Hasard Cheratte

Mijn kijk op deze sinds 1977 verlaten steenkoolmijn. De Steenkolenmijn van Hasard (Frans: Charbonnage du Hasard de Cheratte) behoeft weinig introductie. Er zijn niet veel urbexlocaties die over een eigen Wikipediapagina beschikken, maar deze is er eentje van. Het betreft de belangrijkste mijn van de “Société anonyme des Charbonnages du Hasard”. Ze omvatte vier mijnschachten en is vernoemd naar de gelijknamige deelgemeente van de Luikse stad Visé, waar ze gelegen is.

De uitbating van de mijnsite begon omstreeks 1850. Na een ongeval in 1877, ten gevolge van een overstroming sloot de mijn om pas dertig jaar later, in 1907, heropend te worden. Ze zou vanaf dan nog tot 1977 in bedrijf te blijven.

Na de sluiting werden enkele delen van de mijn, waaronder de kolenwasserij gesloopt. Men kwam gelukkig al snel tot het besef dat de bijzondere architectuur, met name de neo-middeleeuwse architectuur van de gebouwen rond schacht 1 het preserveren waard waren. Schacht 1 werd als monument geklasseerd en kwam in handen van een andere eigenaar, die de mijn zo compleet mogelijk wilde bewaren. Hij overleed echter voor hij zijn plannen kon realiseren, waarna de mijn in handen van de gemeente kwam. Sanering van het terrein en de sloop van een aantal gebouwen is begonnen in februari 2017. Alleen schacht 1 met alle gebouwen die ermee verbonden zijn, en de brug over de weg, worden gespaard en gerestaureerd.

Ondanks de overvloedig aanwezige graffiti en het vele vandalisme, vond ik deze site toch zeker een bezoek waard!

 

 

Scroll Up