abandoned

image_pdfimage_print

Wasserwerke

Deze voormalige rioolwaterzuiveringsinstallatie is een geklasseerd industrieel gebouw in het Duitse industriestadje Krefeld. Het gebouw werd ontworpen door architect George “Jörg” Bruggaier en wordt beschouwd als een architectonisch belangrijk voorbeeld van de Jugendstil. De fabriek, gebouwd tussen 1908 en 1910 werd gebruikt om het rioolwater van de hele stad Krefeld te zuiveren. Het is een van de laatst overgebleven zuiveringsinstallaties uit de begindagen van de stedelijke zuiveringssystemen in Duitsland. Tot 1962 werd de zuiveringsinstallatie gebruikt in de oorspronkelijke staat afvalwater. Vanaf dan tot 1996 werd ze – door de installatie van vijzels – nog uitsluitend voortgezet als pompstation. In 1996 werd het geheel vervangen door een aangrenzend nieuw gemaal. Naast de grote hal (hoofdgebouw), met onder meer twee rioolkanalen, een overloopkanaal en de halkraan, vind men er tevens het kalkgemaal (machinekamer) en het woonhuis van de bedrijfsleider (woonoppervlakte ca. 74 m² – gebouwd in 1921/1922 volgens de plannen van de architect Anton Rumpen). Het oorspronkelijke sluizenhuis, is vanwege riooltechnische redenen nog steeds in het bezit van het gemeentebedrijf Krefeld en dient vandaag als toegang tot de regenwateroverstroming.

Het oude zuiveringsstation werd gekocht door 4 vrienden, die er een nieuwe bestemming aan willen geven, met respect voor het historische en architecturale karakter van het pand. Om vandalen buiten te houden, werd het pand recentelijk beveiligd met camera’s en bewegingsmelders en kan het alleen nog legaal bezocht worden…

 

 

Factory G

In een eerdere reportage liet ik je al kennis maken met het mooie Factory H, het jongere broertje van deze Factory G. Van de vier silogebouwen die hier te vinden zijn, is deze ongetwijfeld de mooiste en ook de meest interessante. Het is het oudste van de cluster en werd in 1895 gebouwd als een van de vroegste realisaties van Frans van Dijk, een Antwerpse architect, die later zijn stempel zou drukken op de architectuur in de stad.

Factory G is een graanmagazijn met een dubbele functie: stockage en beluchting. Het gebouw werd voorzien van twee kopgevels met twee torens, waarin via ‘jakobsladders’ (een verticaal transportsysteem met een omlopende band waarop een aaneengesloten reeks bakjes is gemonteerd) het graan omhoog getransporteerd werd. Eenmaal boven werd het graan via lopende banden naar de 144 verticale silo’s (karen) in het middengedeelte van het gebouw geleid. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog liep het gebouw aanzienlijke schade op. De herstelling ervan was een goede gelegenheid om een nieuwe en grotere distributieverdieping op te trekken. In deze open ruimte kwamen drie dubbele portaalbruggen van gewapend beton in functie van het horizontale transport. De silogebouwen werden in heel Europa bewonderd en geroemd omwille van de revolutionaire wijze waarop ze graan konden sorteren, behandelen en stockeren.

 

 

Trafilatura

Deze draadtrekkerij werd in 1951 opgericht als dochteronderneming van het staalbedrijf van Gustave Boël, dat zowel plaatstaal als walsdraad produceerde. Voor de oprichting van dit dochterbedrijf werd de walsdraad verkocht aan onafhankelijke draadtrekkerijen in binnen- en buitenland. De nieuwe onderneming stelde zich tot doel de traditionele draadproducten zoals blanke draad, verzinkte draad, draadnagels, prikkeldraad en afsluitingen te fabriceren en te ontwikkelen. De Europese draadmarkt kende een sterke groei en dit creëerde bijkomende exportmogelijkheden. In de daarop volgende jaren werd bouwstaal het grootste afzetproduct van de fabriek.

Geleidelijk aan veranderde de productie van geribde draad en bouwstaalmatten tot blinkende draad voor verchromen en vernikkelen. Er werd tevens geïnvesteerd in gloeiovens voor de productie van koudstuikdraad. Een overname in 1999 door een Zwitsers-Italiaanse groep, die eerder in aan- en verkoop gespecialiseerd was dan in productie, was het begin van het einde voor deze fabriek. Er volgen nog overnames en samenwerkingsverbanden, maar deze fabriek blijft functioneren als een afdeling van de staalfabriek waaruit ze ontstaan is. Na de sluiting van de staalfabriek begin 2013 gaan de zaken snel achteruit. In het najaar van 2018 valt na 67 jaar het doek over de draadtrekkerij.

 

 

Bleu Power Plant

Deze indrukwekkende energiecentrale maakt deel uit van een groter geheel, geconcentreerd rond een hoogovenbedrijf. Uit de staalproductie van de hoogoven ontstaat hoogovengas als nevenproduct. Dit gas kan in een ketel onder hoge druk/temperatuur (125 bar/560 °C) in combinatie met nafta en aardgas verbrand worden. De hierbij geproduceerde stoom wordt gebruikt om elektrische stroom op te wekken met behulp van condenserende stoomturbines. De centrale bestaat uit twee aan elkaar gekoppelde gebouwen. In het achterliggende gebouw bevinden zich de boilers, waarin de stoom wordt opgewekt. Die stoom wordt vervolgens via een complex systeem van buizen getransporteerd naar het aanpalende gebouw waarin zich de turbines bevinden. In het boilerhuis, dat duidelijk verouderd is, is het verval zeer duidelijk zichtbaar. De turbinezaal is beter bewaard gebleven, wellicht omdat het gebouw nog steeds sterk beveiligd wordt. In de turbinezaal bevinden zich verschillende types turbines, met een vermogen variërend van 6,5 MW tot 75 MW. De oudste turbines zijn klassieke Ingersoll Rand turbines en een oude Oerlikon turbine; de nieuwere zijn vooral ACEC turbines en de grootste en nieuwste turbine is de blauwe turbine waar de locatie naar vernoemd werd. Dat is een Escher Wyss turbine. Om deze turbine aan te drijven, werd er een annex aan het boilerhuis gebouwd, met een eigen stoomketel die deze turbine kon aandrijven. Het geheel wordt aangestuurd vanuit de spectaculaire controlekamer.

 

 

Cooling Tower ‘Petite Maison’

Bij een elektriciteitscentrale hoort bijna traditioneel ook een koeltoren. Deze koeltoren hoort bij de Blue Power Plant, die zich aan de overzijde van de straat bevindt. Het is een kleiner model dan Cooling Tower IM, het exemplaar dat bij Power Plant IM behoort, maar de werking ervan is precies dezelfde. Alleen heeft deze een mysterieus klein huisje (petite maison) in het midden, waarvan niemand lijkt te weten wat de bedoeling ervan is. Het huisje is helemaal leeg en bevat dus geen enkele indicatie over de reden van zijn aanwezigheid op die plaats. Dat mysterie draagt ongetwijfeld bij aan de charme van de constructie. Een constructie die overigens niet zo makkelijk te betreden is. De buitentrap naar de toegangsdeur werd al enkele jaren geleden weggehaald. Wie de binnenzijde van de koeltoren en het mysterieuze kleine huisje wil bewonderen, heeft geen andere keuze dan te klimmen…

 

 

Chapelle de la Rose

Eind 13de eeuw werd in opdracht van een adellijke dame die hier woonde een “hospice” opgetrokken, die tegelijkertijd dienst deed als ziekenhuis en als klooster voor de zusters Augustinessen, die voor de verzorging van de zieken instonden. Behoudens een korte onderbreking ten tijde van de Franse Revolutie bleven ze dit doen tot het begin van de jaren 1980. Het ziekenhuis was inmiddels omgevormd tot een rust- en verzorgingstehuis. Na het vertrek van de zusters werd het rusthuis overgenomen door de plaatselijke overheid.

Pronkstuk van het klooster was deze laatgotische kapel, opgericht in het begin van de 17de eeuw, die lange tijd een bedevaartsoord vormde voor de genezing van intestinale aandoeningen. Bij een brand begin jaren 2000 werd een deel van het klooster vernield, maar de kapel bleef gelukkig gespaard. De kapel bestaat in zijn huidige toestand uit twee delen: de originele kapel, opgetrokken in laatgotische stijl uit baksteen en blauwe hardsteen. Een aanbouw in neoklassieke stijl, die dateert van halverwege de 19de eeuw, vormde een fysieke verbinding tussen de bestaande kapel en het ziekenhuis, om de patiënten de kans te geven de erediensten vanaf het balkon bij te wonen. Aan de achterkant van de kapel, aan de linkerkant, ziet men nog steeds de oude refter, eveneens opgetrokken in baksteen en blauwe steen met een prachtige vintage gevel uit het begin van de 17de eeuw. 

 

De gehele site werd in 2006 opgenomen op de beschermlijst van het Waals erfgoed en wordt momenteel omgevormd tot een nieuw gemeenschapscentrum. De kapel, die in 2011 gedesacraliseerd werd, zal omgevormd worden tot een bibliotheek, met aandacht en respect voor het historische en architecturale karakter.

 

 

Usine S

Schapenwol bevat veel onzuiverheden, zoals lanoline (wolvet) en suint (zweetwol). Van oudsher werd het wolwassen direct in de rivier gedaan door middel van alkalische en hete baden in kuipen en speciale machines. De lanoline, die onoplosbaar is in water, kon hiermee echter niet afgescheiden worden. In deze aan het begin van de 20ste eeuw opgerichte fabriek werd een nieuw, uit de Verenigde Stated overgewaaid procédé toegepast, dat bestond uit de behandeling van de vetwol met nafta of petroleumbenzine. Dit absoluut neutrale product tast de vezel van de wol immers niet aan en laat hem alleen het percentage vet achter dat nodig is om zijn natuurlijke soepelheid en elasticiteit te behouden. De nafta wordt naderhand door middel van verdamping uit de overgebleven wol verwijderd. Een ander interessant resultaat van de “solventage” was recuperatie van het uit de wol onttrokken vet: pure, volledig zuivere lanoline. Een van de verschillende toepassingen van uit wol onttrokken lanoline, was de vervaardiging van farmaceutische zeep en lanoline voor het onderhoud van huiden en vellen, maar het kan ook worden gebruikt bij de bereiding van oliën. vet, was, zalven, consistente vetten, enzovoort.

 

 

Mission to Mars

In een uithoek van een bijna 14 hectare groot kloosterpark bevinden zich deze bijzondere “koepelkassen”. Het kloosterpark zelf werd voor de eerste keer genoemd rond 1805. Het werd in die tijd aangelegd in de vorm van een Engelse tuin. Tot 2005 was het park in privébezit, waarna het werd gekocht door de stad, dat het als een openbare voorziening ter beschikking stelde van het publiek. Deze prachtige voormalige kloostertuin was jarenlang verloederd, omdat de nonnen alleen de meest noodzakelijke taken konden uitvoeren. Met de overname door de stad werd het park uit zijn slaap gewekt en werd de meer dan 200 jaar oude privétuin omgetoverd tot een park voor de bevolking. De vijvers werden ontgift, het kreupelhout werd uit het park verwijderd en alles werd schoongemaakt. Inmiddels werd het geheel opgenomen op de lijst van te beschermen erfgoed.

In 1987 werden deze spectaculaire koepelkassen opgericht. De koepels dienden daar als kassen om langdurig werklozen in de periode 1988-2004 in een opleidingskwekerij opnieuw perspectief op integratie op de arbeidsmarkt te bieden. Het ontwerp is terug te voeren naar de Amerikaanse ingenieur en filosoof Richard Buckminster Fuller. Hij experimenteerde voor NASA om de meest energetisch-synergetische vorm te vinden. Zijn paviljoen “Biosphère”, ontworpen voor de EXPO 1967 in Montreal, een enorme 62 meter hoge geodetische koepel werd wereldwijd bewonderd. Deze kassen zijn in feite verfijnde geometrische vormen, zogenaamde geodetische koepels. Het oppervlak bestaat uit een reeks alternerende hexagonale en vijfhoekige oppervlakken. Goed samengesteld, resulteren ze in bolvormige, zelfdragende gebouwen. Ze kunnen eindeloos met elkaar worden verbonden. Er werden 24 van dergelijke kassen gebouwd en gegroepeerd in verschillende “kogelfamilies”. De koepels zijn niet alleen zeer intelligente gebouwen, omdat ze zonder ondersteuning kunnen, ze trotseren ook optimaal weer en wind. De stad, als nieuwe eigenaar van het omliggende park, werkt momenteel in overleg met de particuliere eigenaar van de koepelkassen om het project opnieuw te openen als leerlocatie.

 

 

Bureau Central

Dit enorme pand behoorde toe aan het hoogovenbedrijf, dat meerdere vestigingen had in de streek. Over de geschiedenis van het gebouw zelf valt weinig informatie te rapen. Het oorspronkelijke gebouw werd opgericht in het laatste kwart van de 18de eeuw en kende enkele substantieve wijzigingen en uitbreidingen in de loop van de 19de en 20steeeuw. Het gebouw huisvestte het centrale bestuur en de administratie van het hoogovenbedrijf. Begin jaren 1980 werd het inmiddels verouderde gebouw verlaten en sedertdien is het verval er met rasse schreden vooruitgegaan, niettegenstaande de klassering ervan als erfgoed in 1987. Vooral de centrale hall met overwelfde lichtkoepel heeft sterk te lijden gehad van de elementen, die er vrij spel hebben. Het imposante gebouw, met lange, eindeloos lijkende gangen en diffuse lichtinval is een gedroomde locatie voor fotografen met een voorkeur voor verlaten en vervallen gebouwen. Op het domein bevond zich oorspronkelijk ook het kasteel van de adellijke familie die eigenaar was van het bedrijf, maar dat werd enkele jaren geleden al gesloopt. Het ziet er naar uit dat dit mooie kantoorgebouw hetzelfde lot zal ondergaan, als er niet snel werk gemaakt wordt van de renovatie ervan…

 

 

Mine des Grimpeurs

Dit mijnbedrijf, zoals vele in deze regio, maakte deel uit van het imperium van een adellijke familie, die vooral actief was in de staalindustrie. Die zelfde familie ontmoetten we al in een eerdere reeks over het administratief gebouw dat het centrale bestuur van het bedrijf huisvestte: Bureau Central.

Het eerste stuk steenkool in deze vestiging werd in juni 1856 gedolven, in een schacht op twee kilometer afstand van wat later het familie-hoofdkwartier zou worden wat de ontginning van steenkool betreft. Na deze ontdekking, stelde de raadgevend ingenieur van het bedrijf voor nieuwe onderzoeken in het gebied naar het zuiden uit te voeren om operaties uit te breiden, die tot dan omwille van de landsgrens beperkt waren tot het noorden. Verschillende schachten werden vervolgens gegraven tussen 1862 en 1889. De geproduceerde kolen werden voornamelijk gebruikt om de staalfabrieken van de familie af ​​te stoken. Na de Tweede Wereldoorlog werd de productie in minder dan tien jaar verdrievoudigd. In 1946 was het bedrijf verbonden aan een openbaar bedrijf, als onderdeel van het nationalisatieproces van alle Franse kolenmijnen. Na 1960 werd de steenkoolindustrie echter hard getroffen. Het bedrijf moderniseerde noodgedwongen en investeringen gingen door tot 1986. De hoofdzetel stopte met activiteiten in 1986, maar een deel van de infrastructuur van de site bleef tot 1989 worden gebruikt voor andere schachten in dezelfde concessie die nog in bedrijf waren. De laatste put werd gesloten in 2001.

 

Pottery

De reputatie van het aardewerk dat hier geproduceerd werd is haast legendarisch. In de loop van de twee eeuwen dat dit familiebedrijf bestond, heeft het wereldwijd een schare trouwe bewonderaars gegenereerd. Het aanbod bestond uit allerlei stukken aardewerk, zoals serviesgoed, vazen en bloempotten, maar ook kunstobjecten, fresco’s en zelfs kachels. De fabriek werd opgericht in 1790, maar kampte aanvankelijk met grote problemen, waaronder moeilijkheden met de aanvoer van grondstoffen, maar ook vijandigheid en wantrouwen van de bevolking. Bovendien was de concurrentie van vooral Engelse producenten groot. Rond de eeuwwisseling werd de fabriek overgenomen door een inventieve jonge Duitser, die door het introduceren van nieuwe decoratietechnieken en het gebruik van de fijnste grondstoffen het tij al snel wist te keren. Napoleon werd een van de beste klanten, waardoor de orders al snel binnen stroomden en uitbreiding van het bedrijf zich opdrong. De huidige fabriek, waaronder ook deze opslagplaats voor mallen, dateert van deze periode van expansie tussen 1850 en 1860. Tijdens de glorieperiode bood het bedrijf werk aan ruim 3200 werknemers. Einde jaren 1970 markeerde een keerpunt. Het bedrijf was inmiddels overgenomen door een andere familie, die de productie van serviesgoed staakte om zich toe te spitsen op de productie van tegels voor wanden en vloeren. Begin jaren 2000 is het zakencijfer sterk gedaald en zijn er nog een 100-tal werknemers over die het bedrijf in leven proberen te houden. Nauwelijks 5 jaar later gaat het bedrijf alsnog in liquidatie. Kort erna spreekt de rechter het faillissement uit en valt het doek definitief over twee eeuwen industriële geschiedenis…

 

 

Tangerine Dream

Tja, wat kan ik hierover vertellen? Een oude, afgetakelde Volkswagen Kever in een al even oude en afgetakelde garage ergens in the middle of nowhere. Hoeveel foto’s kan je daar van maken? Wel, blijkbaar toch een achttal…

 

 

Ciné Théatre Varia

Ciné Théatre Varia (in de volksmond Ciné Varia) is een atypisch gebouw in de Belgische betongeschiedenis, een overblijfsel uit de gouden eeuw van de stille cinema. De Luikse architect Eugène Claes (1886-1947) ontwierp het gebouw in 1911, geïnspireerd door industriële tentoonstellingen en internationale evenementen, die tegelijkertijd plaatsvinden in de grote Belgische steden. Hij kiest resoluut voor de Art Nouveau, die op dat moment floreert in heel Europa. Hij gebruikt beton als decoratieve elementen voor de gevel, bestaande uit balken en kolommen met baksteenvulling en versierd met cementdecoraties. Echter, het auditorium, met een capaciteit van 1.100 toeschouwers is ontworpen in staal, Art Nouveau-stijl met een metalen frame om het geheel te bekronen. Uit brandveiligheidsoverwegingen bij het vertonen van films, wat toen gebeurde door middel van een procédé met brandbare hars (vandaar de naam “film flamme”), moest het ontwerp te elfder ure worden aangepast en werd het beton doorgetrokken naar het volledige ontwerp van het theater. De bouw werd voltooid in 1913, maar pas ingehuldigd in 1917. De Varia kan met trots terugblikken op beroemdheden zoals Bourvil, Adamo, Fernandel en Johny Halliday, die tijdens de gouden jaren 1950 en ’60 het podium bevolkten. In de jaren 1980 ging het echter zienderogen achteruit voor het eens zo populaire theater. Mede omwille van bezorgdheid omtrent de stabiliteit van het gebouw, valt het doek voor de Varia definitief in 1986. De gevel van het gebouw werd in 1992 geklasseerd als monument en staat momenteel ook nog steeds in de steigers voor renovatie. Voor de rest van het gebouw ziet de toekomst er minder rooskleurig uit. Dat deel is immers niet geklasseerd en schattingen voor de renovatie ervan lopen op tot maar liefst 5 miljoen euro… 

 

 

Prison H7

Prison H7 was het ‘cachot’ van een militair complex in een Belgische grootstad. De gebouwen werden opgericht in eclectische stijl tussen 1890 en 1905, op basis van een ontwerp door de architecten de Noyette en Geerling. De kazerne neemt alles bij elkaar een oppervlakte van ruim 2 hectaren in beslag en kon zo’n 1300 militairen kazerneren. Op 1 oktober 1907 nam het 2 Linie Regiment zijn intrek in de kazerne. Tijdens de beide wereldoorlogen werd de kazerne bezet door Duitse troepen. Na de bevrijding keerde het 2de Linie Regiment niet terug naar zijn kazerne. Vanaf 1955 werd de kazerne bemand door het Centrum van de Gezondheidsdienst. Het Opleidingscentrum verzorgde de opleiding van de officieren en de brancardiers van de Gezondheidsdienst. Naar aanleiding van herstructureringen van de krijgsmacht werden enkele gebouwen verkocht aan de stad, die er sinds 2007 het Hoger Instituut voor Schone Kunsten in onderbracht. Andere delen van de kazerne zijn nog steeds eigendom van het Belgisch leger. Half maart 2019 begonnen de reconversiewerken die van de kazerne een duurzame stadsbuurt moeten maken, waar wonen, werken en recreatie elkaar ontmoeten.

 

 

Bernina’s Brother

Na een grote brand, die aan het einde van de 17de eeuw bijna 600 houten huizen verwoestte in het centrum van de stad, was dit prachtige herenhuis een van de zeldzame eerste stenen burgerlijke gebouwen van de stad. Het gebouw werd opgetrokken in Lodewijk XVI-stijl, een eerder sobere en symmetrische stijl, gekenmerkt door classicistische versieringen, zoals hier de houten dakkapellen en het driehoekige fronton. In de 19e eeuw vestigden de toenmalige eigenaars een katoenfabriek op de site, die dankzij een verstandig beheer en tijdige modernisering tijdens de Industriële revolutie uitgroeide tot een succesvol bedrijf. In het begin van de 20ste eeuw worden de gebouwen verkocht en herbestemd tot een vak- en ambachtschool die al snel van groot belang bleek te zijn voor de ontwikkeling van de textielindustrie van de stad. In 2008 trekken de laatste leerlingen weg uit deze historische gebouwen. Inmiddels werd het gehele complex verkocht aan een projectontwikkelaar, die er met respect voor de historische gebouwen een nieuw woonproject zal realiseren. Deze werken zijn momenteel volop aan de gang.

 

 

Brauerei Ibing

Friedrich en Richard Ibing werden geboren als de jongste zonen van een befaamd lakenmakersgeslacht, dat al ruim 200 in de textielindustrie actief was. De achteruitgang van deze industrie was echter al duidelijk in de 19e eeuw. De ambachtelijke bedrijven konden de concurrentie met de industrieel vervaardigde Engelse stoffen niet langer aan. Het is dus niet verwonderlijk dat men naar andere vormen van werkgelegenheid begon uit te kijken. In mei 1863 verwierven de broers Friedrich en Richard Ibing twee percelen van een voormalige steengroeve, waar ze hun activiteiten ontplooiden. Na zeven jaar moest het bedrijf worden uitgebreid, maar op deze locatie was dit niet mogelijk. In april 1870 werd een gebied van bijna 10.000 vierkante meter verworven, waarop een ruim nieuw gebouw werd opgericht. De brouwerij Ibing behoorde vanaf het begin tot de leidende Mülheim-brouwerijen. Ook buiten de grenzen van genoot de brouwerij bekendheid. Op de Wereldtentoonstelling in 1889 in Parijs kreeg het bier van de Ibing-brouwerij zelfs een gouden medaille. In 1892 overleed Friedrich Ibing op 58-jarige leeftijd aan een beroerte. Hugo Ibing, de oudste van de twee zonen van Friedrich Ibing, trad op 23-jarige leeftijd aan als gevolmachtigde in het beheer van de brouwerij en leidde bij zijn oom de business met veel succes. De brouwerij had aan het begin van de 20e eeuw een jaarlijkse brouwcapaciteit van 60.000 tot 65.000 hectoliter. Het aantal werknemers steeg van 30 in 1900 tot 62 in 1908. Erich Ibing, de laatste nazaat van de stichters, leidde de brouwerij slechts een korte tijd. In 1955 verkocht de familie Ibing het bedrijf. Ondanks alle garanties dat het niet de bedoeling was om de brouwerij te sluiten, werden in februari 1968, vijf jaar na het 100-jarig jubileum van de brouwerij, de fabriekspoorten voor altijd gesloten. Al meer dan 50 jaar werd het complex overgelaten aan het verval en zijn nu alleen nog de ruïnes zichtbaar.

 

 

Dead End Church

Over deze parochiekerk is weinig informatie te vinden. Het ontwerp van de kerk is van de hand van architect Hermann Wielers. De eerste steen werd gelegd in 1901 en de kerk werd ingewijd in 1904. Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep ze aanzienlijke schade op en waren grondige herstelwerken noodzakelijk. Dit gebeurde onder de auspiciën van architekt Günter Settnik. Het is niet duidelijk wanneer de kerk in onbruik raakte. Op een bepaald moment werden er herstelwerken aangevat, maar het is duidelijk dat deze werken reeds geruime tijd zijn stilgevallen.

 

 

Zeche W

Aan het begin van de 20ste eeuw verwierf de Pruisische Staat een aantal grote velden in het noordelijke Ruhrgebied. AG Recklinghausen, waarvan het meerderheidsbelang in handen was van de staat, begon vanaf 1902 met het boren van de eerste putten. In 1910 ging de mijn in bedrijf. In 1912 werd bovendien een cokesfabriek in gebruik genomen. De mijn ontwikkelde zich economisch veelbelovend. Al in 1920 werd de limiet van 1 miljoen ton jaarproductie overschreden. Aan het einde van de jaren 1920 werd de mijn een eerste maal overgenomen en kwam zo in volle eigendom van Hibernia AG. Er volgden tal van uitbreidingen en moderniseringen aan het mijnbedrijf. 

De voortdurende oorlogsvoering zorgde ervoor dat het werk halverwege WOII tot stilstand kwam. Na de Tweede Wereldoorlog begon Hibernia AG met een uitgebreid moderniseringsprogramma, hetgeen in 1956 leidde tot de bouw van deze nieuwe centrale transportschacht, uitgerust met 2 volautomatische transporteurs. De betonnen hijstoren, gebouwd in 1960, werd in gebruik genomen in 1961. De uitgebreide rationaliseringsmaatregelen leidden tot een jaarlijkse productie ​​van meer dan 3 miljoen ton. Vanaf het einde van de jaren 1960 volgden er opnieuw enkele overnames en fusioneringen. Eind 2008 werd de kolenmijn gesloten met het ophalen van de laatste steenkool. De mijn is tot op de dag van vandaag volledig bewaard gebleven en werd door zelfs tot monument uitgeroepen.

 

 

Charlie’s Chapel

Deze eenbeukige, bakstenen kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën werd gebouwd in 1883 in neogotische stijl. Ze bevindt zich op het kasteeldomein van Chateau Jumanji en fungeerde als buurtkapel en vertrekpunt van de wijkprocessie. Het kapelletje bevat een driezijdig koor met beschilderd houten altaar met polychroom beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Achter het ijzeren afsluithek bevindt zich een schip met zitbankjes. Aan de wanden; witgeschilderde heiligenbeelden op barokke consoles met engelenfiguurtjes onder meer van de Heilige Jozef, Heilige Antonius en Heilige Margaretha. Hoewel het geklasseerd erfgoed is, verkeert het kapelletje in bijzonder lamentabele staat en zijn er ernstige scheuren in de muren en meerdere verzakkingen waarneembaar. Sinds de kapel werd opengebroken, is de toestand er alleen maar zienderogen op achteruit gegaan. Verscheidene beelden sneuvelden door vandalisme. In het kader van de renovatiewerken aan het kasteeltje, werd ook de kapel kort na dit bezoek weer grondig dichtgemaakt.

 

 

Pete’s Academy

De in 1982 in Ronse geboren graffiti-kunstenaar Pete One is al lang geen onbekende meer in de Belgische urbex-scene. In de westhoek waren in het verleden al tal van werken van zijn hand te bewonderen in verscheidene verlaten panden. “Pete’s School”, de oude, en inmiddels gesloopte verpleegsterschool in Ronse is wellicht één van de bekendste. Ook het inmiddels gerenoveerde “Petite Echelle”, een voormalige weverij en “Pete’s Hotel”, een eens luxueuze horecazaak zijn bekende “Pete One” ateliers.

In deze “Pete’s Academy”, een voormalig lager schooltje, treffen we ook weer enkele pareltjes aan in de herkenbare stijl van Pete One. Zoals steeds haalde hij ook voor deze werken zijn inspiratie in de Amerikaans popcultuur, met onder meer beelden van Kurt Cobain (Nirvana) en Chris Cornell (Soundgarden).

 

 

Usine Gonzo

Usine Gonzo maakt deel uit van een traditionele vlasroterij. De roterij werd opgericht aan het einde van de 19de eeuw en werd stelselmatig uitgebreid tot  de huidige site. De hele site wordt beschouwd als waardevol erfgoed, niet alleen vanwege de strategische ligging, maar ook omdat ze een van de best bewaarde roterijen van haar soort is. Er zijn typische rootputten, de stoommachines met bijhorende schoorsteen, een paar vlasschuren en een zwingelarij. De machinekamer bevat onder meer stoomketels en een uitzonderlijke stoommachine, de enige in zijn soort die nog in België te vinden is. De ketels werden aangestookt met ‘lermen’, de houtachtige kernen van de vlasstengels die tijdens het productieproces van de vlasvezels afgescheiden werden. De stookkosten konden hierdoor bijna tot nul herleid worden. Ook in deze roterij werd deze brandstof tot in de late jaren 1970 gebruikt. Eind jaren 1970 raakte het bedrijf in onbruik, maar het zou nog ruim 25 jaar duren vooraleer het geheel als industrieel erfgoed beschermd werd.

 

 

Filature Panier

Over deze verlaten fabriekssite kon ik niets meer achterhalen dan dat het een voormalige weverij is en dat ze later nog gebruikt werd door een bedrijf dat zich specialiseerde in het produceren van medisch verband. Sinds 2007 werden de fabrieksgebouwen verlaten en wacht het terrein op een herbestemming. Aangezien het hier niet gaat om waardevol industrieel erfgoed, is de kans groot dat het geheel gesloopt wordt om plaats te ruimen voor nieuwbouw woonprojecten…

 

 

Holy Nurse

Omstreeks 1850 kreeg de stad te kampen met miserabele hygiënische omstandigheden, ten gevolge van ondervoeding, slechte huisvesting en een gebrek aan zuiver drinkwater. Deze omstandigheden veroorzaakten allerlei ziektes, niet in het minst de cholera-epidemie die er in de helft van de 19de eeuw uitbrak. De stad koos voor een systematische aanpak van de problematiek om de stad te saneren. De bouw van dit ziekenhuis was daar een onderdeel van. Holy Nurse is het restant van dit stedelijk hospitaal. Het terrein waarop het gasthuis werd gebouwd, maakt in de 15de eeuw deel uit van het toenmalige paleis van Marghareta van York en werd in de 17de eeuw overgelaten aan de Jezuïeten. Architect Charles Drossaert kreeg de opdracht om het nieuwe ziekenhuis te bouwen. Hij koos voor een sober bakstenen gebouw met neoclassicistische inslag. De hoofdtoegang wordt geaccentueerd door een ruim voorplein dat oorspronkelijk via een ijzeren hekwerk van de straat afgesloten was. Centraal in de hoofdvleugel bevindt zich de gasthuiskapel. De kapel is een eclectisch bouwwerk met een zenitaal bovenlicht. Het bevat onder meer een barokaltaar met marmerschilderingen en een 17de-eeuwse kopie van de kruisafneming van A. Van Dyck. Op het doksaal staat een fraai orgel uit de 17de eeuw. Ten slotte beschikt de gasthuiskapel ook over een 17de-eeuwse biechtstoel.

 

Limestone Factory

De kalkovens markeren een keerpunt in de industriële geschiedenis van deze gemeente. Halverwege de 16de eeuw was er volgens de parochieregisters al sprake van een zekere industriële uitbating van de steengroeven. Midden jaren 1850 bouwde de gemeente een eerste oven. Bijna 25 jaar later werd een tweede oven gebouwd in opdracht van de exploitant van de eerste oven. Sinds 1890 wordt het bedrijf door dezelfde familie geëxploiteerd.  In samenwerking met een andere familie wordt een derde kalkoven gebouwd. Tegen de jaren 1920 werken deze drie ovens op volle capaciteit. Ze worden pas vijftig jaar later stopgezet. Een deel van de oude gebouwen is verlaten. Deze gebouwen behoren bij de oude smederij, waarin tegenwoordig een museum is ondergebracht.

 

 

Four de C.

Deze staalfabriek werd in 1853 gesticht. Toen de eigenaar omwille van de hoge financiële eisen voor de aanleg van een spoorlijn aan de rand van het faillissement stond, werd hij gered met de financiële hulp van een accountant binnen zijn bedrijf. Na de dood van de stichter in 1880 heeft hij het bedrijf nagelaten aan die accountant, die onder zijn naam het bedrijf groot maakte. Tegen 1897 had het bedrijf 1200 werknemers in dienst. Tegen 1913 beschikte het bedrijf over twee hoogovens, twee batterijen van 41 cokesovens; twee staalfabrieken, walserijen, smederijen, werkplaatsen enz. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek ontmanteld en gesloopt, maar vanaf 1919 werd ze heropgebouwd met nieuwe hoogovens en cokesovens met een productiecapaciteit van 200,00 ton ijzer per jaar. Tijdens het interbellum zouden er nog meer uitbreidingen aan de fabriek plaatsvinden. Het bedrijf bloeide tot in de jaren 1970, maar werd vanaf dan, net zoals andere staalindustrieën getroffen door de staalcrisis. Het aantal werknemers werd herleid tot één derde. Het bedrijf kende vanaf dan een opeenvolging van overnames en fusies. De huidige eigenaar, een Russische partner van de laatste overnemer, produceert er sinds 2016 warm en koudgewalst staal.

 

 

Institut de Pathologie

Door de toenemende studentenbevolking in de late jaren 1870 en de bij wet opgelegde verplichting om over voldoende ruimten voor practica en laboratoria te beschikken, voldeden de her en der verspreide gebouwen waar geneeskunde onderricht werd niet langer en diende zich de noodzaak aan om nieuwe, aangepaste gebouwen op te richten. Achter het reeds bestaande gasthuis werd door de universiteit een domein met tuin aangekocht van een adellijke familie. Dank zij een schenking van de ultramontaanse bisschop van Luik kon nog datzelfde jaar worden gestart met de opmaak van de plannen. Voor het ontwerp werd beroep gedaan op een jonge hoogleraar verbonden aan de Faculteit Toegepaste Wetenschappen. Kort daarop werd de bouwaanvraag door de stad goedgekeurd en nog geen jaar later, in 1877, werd het instituut met veel luister ingehuldigd. Het instituut werd opgetrokken in neogotische stijl en omvatte een auditorium voor 200 studenten met aanleunend een dissectiezaal en was via het binnengebied rechtstreeks verbonden met het meer noordoostelijk gelegen gasthuis. In de loop der jaren werd het complex nog uitgebreid met auditoria, laboratoria en dissectiezalen. Sinds enkele jaren staat het gebouw grotendeels leeg. Het pathologisch instituut is tot op heden nog deels in gebruik.

 

 

Blue Christ Church

Deze neogotische parochiekerk werd gebouwd in het begin van de jaren 1880. De bakstenen constructie werd opgericht onder de vorm van een kruisbasiliek (een kruiskerk die is opgezet als basiliek, hetgeen betekent dat het kerkgebouw zijbeuken heeft die lager zijn dan de middenbeuk en dat de middenbeuk boven de zijbeuken is voorzien van een rij vensters). Ook het interieur van de kerk was neogotisch en bevatte onder meer een 16de eeuws hardstenen doopvont in gotische stijl. Van de oorspronkelijke pracht en praal is vandaag nog maar weinig overgebleven. Pogingen om de kerk te restaureren draaiden op niets uit. In 2015 werden nog de orgelpijpen van het kostbare 16de eeuwse orgel afgezaagd om de verkopen als oud ijzer…

 

 

Courthouse

Nadat aan het einde van de Eerste Wereldoorlog het oude gerechtshof volledig afbrandde, diende zich de noodzaak aan om een nieuw gerechtshof te bouwen. Het duurde nog tot halverwege de jaren 1920 voor er concrete plannen kwamen voor de nieuwbouw. Het stadsbestuur schreef een wedstrijd uit, waarbij de Brusselse architect Jerôme Vermeersch als winnaar uit de bus kwam. In 1934 mag Vermeersch starten met de bouw van het gerechtshof, maar omwille van financiële overwegingen moet hij het ontwerp wel “soberder” uitvoeren dan oorspronkelijk voorzien was. De geplande hoektoren wordt kleiner uitgevoerd en voorzien van een peervormige spits. Voor het interieur koos Vermeersch resoluut voor de art decostijl. Het gebouw wordt voltooid en in gebruik genomen in 1936. Het gerechtshof werd na verloop van tijd te klein en nadat het in 2008 geklasseerd werd als monument, werd er begonnen aan de bouw van een nieuw gerechtshof op een andere locatie. In 2011 werd het oude gerechtshof verlaten. Inmiddels werd het verkocht aan een projectontwikkelaar, die er – rekening houdend met de erfgoedwaarde – een nieuw woonproject in zal realiseren.

 

 

Chateau Lumière

Chateau Lumière werd tussen 1900 en 1903 gebouwd door de familie Burrus, die haar fortuin had gemaakt in de tabaksindustrie. De familie Burrus onderscheidde zich op tal van vlakken, waaronder niet in het minst de liefdadige werken ten voordele van de gemeenschap waarin zij leefden, zoals de bouw van een voetbalstadion, een zwembad en tehuizen voor ouderen. De werknemers van de tabaksfabriek kregen veel meer “voordelen” dan de wet in die tijd oplegde, zoals verzekering en pensioen.

Het chateau werd ontworpen door de Straatsburgse architecten Gottfried Julius Berninger and Gustave Henri Krafft in de neobarokke stijl, die aan het einde van de 19de en begin 20ste eeuw populair is in Frankrijk. De neobarok, net zoals de barok, typeert zich door het rijke en weelderige materiaalgebruik, de symmetrie en het veelvuldig gebruik van versieringen en complexe patronen, die onder meer zichtbaar zijn in de smeedijzeren hekwerken rond het domein en de smeedijzeren trapleuningen.

Kort na het voltooien van het chateau overlijdt de bouwheer en neemt diens zoon Maurice Burrus zijn intrek in het gebouw. Tijdens de Eerste Wereldoorlog weigerde Maurice Burrus de Duitse troepen te voorzien van tabak en moest hij op de vlucht naar Zwitserland.  Het chateau werd in beslag genomen om onderdak te bieden aan Duitse officieren. Na de oorlog neemt de inmiddels als oorlogsheld gedecoreerde Maurice de leiding over van de tabaksfabriek en groeit in toenemende mate uit tot een invloedrijke figuur op industrieel, financieel en politiek vlak. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog moest hij vluchten, dit keer naar zijn eigendom in de Pyreneeën. Ook dit keer werd zijn chateau opgevorderd door het Duitse leger en werd het omgevormd tot een trainingscentrum voor gewonde Duitse officieren. Na WO II trok hij zich terug in Genève. Chateau Lumière werd in eerste instantie verkocht aan een religieuze orde, maar werd later verkocht aan een private eigenaar. In 1993 werd het chateau beschermd als monument, maar aangezien het onbewoond was, werd het al snel het voorwerp van vernielingen door vandalen. Tegenwoordig blijft er nog maar bitter weinig over van het ooit zo luisterrijke chateau…

 

 

Chateau Vignes Vertes

Het kasteel, waarvan de architect niet bekend is, werd gebouwd omstreeks 1830 op de plaats waar zich voordien een versterkte vesting bevond. Die vesting werd afgebroken, maar de slotgrachten bleven in eerste instantie bewaard. Later werden ook de slotgrachten gedempt om er tuinen aan te leggen. Het in neo-klassieke stijl opgetrokken kasteel, met tal van verwijzingen naar de Italiaanse architectuur, heeft een H-vormige plattegrond: een centraal gedeelte, met aan weerszijden een dwarsvleugel die er op aansluit. Het opmerkelijke interieur weerspiegelt de overgang van de neoklassieke geest naar eclecticisme onder de juli-monarchie. Verscheidene kamers werden ingericht met Parijse meubels en gordijnen uit 1830, met een nep-hout en faux-marmer decor, beschilderde plafonds van het Pompeius of antieke type. Muren bedekt met behang uit het huis Dufour. Het geheel werd beschermd als erfgoed in 2000.

 

 

Therme Bleu

Al in de Gallo-Romeinse tijd was hier een spa. Dankzij een roman waarin de schoonheid van een herderin wordt toegeschreven aan de kwaliteit van de wateren van dit dorp, komt het stadje plots in het middelpunt van de belangstelling. In 1845 wordt dit prachtige kuuroord geopend. Het heeft een uitstekende reputatie tot het einde van de 19de eeuw, maar stort rond de eeuwwisseling zonder duidelijke reden in. Bijna 100 jaar later wordt op dezelfde plek geprobeerd om het eens beroemde bronwater te bottelen en te verkopen als een topproduct, gericht op de rijke klantenkring van luxe hotels en restaurants van het Arabische schiereiland. Het project blijkt echter een commercieel falen te zijn en het bedrijf sluit uiteindelijk in 2014…

 

 

Chateau des Fantômes

Aan de poorten van de Bourgogne, midden in het Pays de Bresse, op de top van deze beboste heuvel, torent het statige Chateau des Fantômes boven de vallei uit. De grondvesten van het kasteel gaan al terug tot de tweede helft van de 13de eeuw, maar het is pas bij de overgang naar de 15de eeuw dat van het geheel een versterkte vesting wordt gemaakt. In de 19de eeuw worden er nog verbouwingen en uitbreidingen uitgevoerd aan het kasteel, maar sinds de jaren 1990 werd het kasteel verlaten en raakte het snel in verval. De familie die vandaag eigenaar is van het goed, lijkt niet geneigd te zijn om het gebouw tegen verder verval te beschermen. Dit prachtige sprookjesachtige kasteel zou wel eens hetzelfde lot kunnen ondergaan als het inmiddels verdwenen Chateau Miranda…

 

 

 

Val Benoit

De universiteitssite van Val Benoit is een architecturaal geheel in modernistische stijl, dat zijn naam dankt aan het feit dat op deze plaats ooit een abdij van de orde der cisterciënzers gevestigd was, die er gesticht werd in de 13de eeuw. Ingevolge de Luikse Revolutie werd ze gedeeltelijk gesloopt. Gedurende te Tweede Wereldoorlog werd wat er nog van overbleef verwoest door bombardementen. Tussen 1930 en 1965 ontwikkelde de universiteit van Luik, op zoek naar uitbreidingsmogelijkheden voor de toename aan studenten, er een aantal faculteiten, waaronder dit instituut voor toegepaste chemie en metallurgie. Het gebouw werd in 1937 in aanwezigheid van Leopold III ingehuldigd. Vanaf 1967 week de universiteit stelselmatig uit naar de nieuwe, centrale site in Sart-Tilman. Vanaf 2006 werd de campus Val Benoit volledig verlaten. Sinds 2013 zijn er werken aan de gang om de volledige campus te rehabiliteren. Een deel zal door bedrijven worden ingenomen en een ander deel zal omgevormd worden tot studentenkamers.

 

 

Police Academy

Police Academy, zo genoemd omwille van de ligging ervan achter de kantoren van de lokale politiezone, is een afdeling van het Heilig-Hartcollege van Heist-op-den-Berg. De 1,44 ha grote site bevindt zich op het hoogste punt van de gemeente, achter het klooster van de Zusters Annonciaden, die de school in 1919 stichtten. Het schoolcomplex werd er opgericht in de jaren 1940. Het complex werd verkocht aan een projectontwikkelaar, die er 4,7 miljoen euro voor neertelde, om er plaats re ruimen voor de bouw van 85 nieuwbouwappartementen. De sloopwerken werden aangevat eind 2018…

 

 

Crypte L

Al in 1870 ontstond het plan voor de aanleg van dit netwerk van ondergrondse grafgalerijen. Voor de bedenker van het plan was het niet alleen een prestigeproject, maar bood het meteen ook een hygiënische oplossing voor het plaatsgebrek op de begraafplaatsen in en rond de grote stad. Grafgalerijen waren op dat moment nog een nieuwigheid in Noord-Europa. Zes jaar later werd begonnen met de bouw van de galerijen. De eerste galerij was 31 meter lang en werd in 1878 in gebruik genomen. Dat jaar werden meteen nog zes nieuwe galerijen gebouwd en pas rond 1890 werd het eerste gangenstelsel afgesloten. Het meest recente deel werd beëindigd in 1935. Het oudste deel is in neoklassieke stijl opgetrokken, de laatste galerijen in art-decostijl. De ondergrondse gangen, waarvan de langste zich uitstrekt over een lengte van driehonderd meter, zijn alles bij elkaar meer dan een kilometer lang en bieden ruimte aan meer dan vierduizend grafnissen. De meest in het oog springende ondergrondse grafnissen, hebben een bovengronds gekoppeld grafmonument. De pracht en praal tonen aan dat deze ondergrondse grafkelders vooral bestemd waren voor de rijke en machtige families in de stad. Vele bekende figuren vonden er een laatste rustplaats… Het geheel werd de afgelopen gerestaureerd, na jarenlange verwaarlozing.

 


 

Slaughterhouse

Dit voormalige stedelijke slachthuis werd in de jaren 1960 opgericht, maar werd einde jaren 1990 verkocht aan een private ondernemer. De aanvoer van varkens in vrachtwagens, zowel overdag als ’s nachts, en de vaak niet te harden geurhinder veroorzaakten een hoop wrevel bij de buurtbewoners. Uiteindelijk werd met de stad overeengekomen dat de activiteiten er eind 2015 zouden worden stopgezet. Omwille van protesten omtrent de nieuwe locatie, liep de stopzetting van de activiteiten vertraging op en werden er nog varkens geslacht tot eind 2016. Sinds begin 2017 werd de site verlaten in afwachting van de sloop en de komst van een nieuwbouwproject.

Een groot deel van de charme van urban exploring bestaat erin dat je op verlaten plekken komt en je fantasie de vrije loop kan laten over hoe er daar vroeger geleefd en gewerkt werd. Bij deze locatie was dat een behoorlijk confronterende ervaring… De confrontatie met het feit dat wij als mens niet meer waarde hechten aan een levend wezen dan het zonder veel plichtplegingen reduceren ervan tot een louter consumptieartikel. Een kille, donkere en troosteloze plek, die om die reden een diepe indruk op me gemaakt heeft…

 

 

ECVB

De industriële ontwikkeling van Gent is in belangrijke mate schatplichtig aan de uit Everberg afkomstige baron Floris van Loo, die vanaf het einde van de 19de eeuw pogingen ondernam om de regio te elektrificeren. Die pogingen resulteerden in 1911 in de oprichting van de “Centrales Electrique des Flandres et du Brabant” (Elektrische Centralen van Vlaanderen en Brabant). Nauwelijks twee jaar later werd van start gegaan met de bouw van de thermische centrale Langerbrugge, op de westelijke oever van het kanaal Gent-Terneuzen. Deze energiecentrale vormde de grondslag voor de industriële ontwikkeling van de zone. Architect Eugène Dhuicque ontwierp het gebouw in een decoratieve baksteenstijl. De centrale werd aan het begin van WOI in gebruik genomen, maar liep aan het einde van de oorlog zware schade op. Niet zozeer aan de gebouwen, dan wel aan de installaties. De centrale zou zich in de loop van de 20ste eeuw verder ontwikkelen en uitbreiden. Vanaf het einde van de jaren ’80 werd de productie stelselmatig afgebouwd, tot ze in 2010 volledig werd stilgelegd. Er werd nog een tijd lang een “Museum Energeia” uitgebaat in de oudste gebouwen, maar in 2000 besliste Electrabel (de opvolger van ECVB) om niet langer in het museum te investeren. Het complex werd beschermd als industrieel erfgoed in 1999. Het oorspronkelijke beschermingsbesluit werd door de Raad van State tenietgedaan in 2009, maar werd hernomen in 2013. die bescherming weerhield koperdieven er niet van om met grote hoeveelheden koper aan de haal te gaan en een enorme ravage achter te laten. Ondertussen zijn de oudste delen van het complex gereduceerd tot een leeg omhulsel, waarin alleen nog een oude stoomturbine van de ‘Société Rateau’ en de ‘Ateliers de Construction la Meuse’ achterbleef…

 

 

Town Mansion

Het imposante Town Mansion werd gebouwd in 1912 in opdracht van de zoon van een Duitse ondernemer, die sinds het midden van de 19de eeuw in Antwerpen gevestigd was en er een van de oprichters was van wat later de transatlantische rederij Red Star Line zou worden. De oorspronkelijke bouwheer bewoonde het herenhuis, met zijn vrouw en twee zonen, tot zijn overlijden in 1937. Het herenhuis in eclectische stijl met neo-Lodewijk XVI-inslag behoort tot het latere oeuvre van de architect, die tijdens de eerste decennia van zijn loopbaan een groot aantal voorname burgerhuizen in eclectische en neo-Vlaamse Renaissance-stijl bouwde in Antwerpen, maar zich later toespitste op industriële architectuur. Na de dood van de oorspronkelijke bewoner, werd het goed verkocht aan een groot gezin, verwant aan een belangrijke reder in de binnenschipvaart. Uit zijn periode stammen tal van aanpassingen en verfraaiingen aan het huis, zoals de de figuratieve glas-in-loodramen , de lambrisering en het goudleer in de achterste salon en in de grote salon de kamerbrede figuratieve fries met klassieke thema’s en taferelen die verwijzen naar zijn handelsactiviteiten in de scheepvaart. Na de dood van de heer des huizes in 1961 bleef zijn weduwe nog tot 1963 wonen in het herenhuis, waarna het pand in handen kwam van de Belgische Staat. Het waardevolle meubilair van dit gebouw, dat vaak onlosmakelijk verbonden is met de muurvaste decoratie (wandtapijten, ingewerkt in de lambriseringen, schilderingen op de schoorsteenmantels, en zo meer) is eigendom van het provinciebestuur en wordt al jarenlang bewaard in depot. Het was de bedoeling er de officiële residentie van de gouverneur in onder te brengen, doch gezien grote renovatiekosten die de herbestemming zou meebrengen is dit nooit gebeurd. Sinds het begin van de jaren 1990 staat het gebouw leeg, met verscheidene kraken tot gevolg. In het voorjaar van 2018 werd het goed verkocht aan een private eigenaar, die zelf anoniem wenst te blijven. 

 

 

Cimenterie

Verscholen ‘in plain sight’ ligt deze 15.000 m² grote industriële site al sinds het begin van de jaren 1960 te wachten op een nieuwe bestemming. De voormalige cementfabriek werd er opgericht in 1883 op de plaats waar al sinds 1881 kalk gewonnen werd uit de naastgelegen groeve. In eerste instantie werd er alleen kalk geproduceerd. Later werden de activiteiten uitgebreid met de productie van het kunstmatige Portlandcement. De fabriek werd uitgerust met traditionele ovens en verticale metalen ovens verdeeld over een dozijn atypische industriële bouwwerken. Het meest opvallende en tevens meest indrukwekkende van die constructies is ongetwijfeld de 40 meter hoge toren, die nog de roestige overblijfselen van de machinerie bevat. Het zuidelijke deel van de site, met de oude kalksteengroeve, werd inmiddels van het geheel afgesplitst. Medio jaren 1950 werd dit deel onder water gezet. Het wordt vandaag gebruikt door een duikclub. Er kan tot een diepte van 40 meter gedoken worden. Het terrein werd in 2013 gesaneerd. Een projectontwikkelaar zou er lofts onderbrengen in de bestaande gebouwen, maar deze plannen werden nooit uitgevoerd. Inmiddels heeft de natuur zich terug meester gemaakt van de site, die al sinds jaar en dag een geliefde locatie vormt voor urban explorers en fotografen.

 


 

Piscine Mai

In de jaren 1970 vatte de Franse overheid het plan op om de zwemsport toegankelijk te maken voor alle Fransen. Het project, dat liep tot het begin van de jaren 1980, kreeg de naam “1000 piscines” mee en bood gemeenten de mogelijkheid om tegen een bescheiden kostprijs een standaard zwembad te bouwen. Er werden verscheidene types ontworpen, maar het type “tournesol” oogstte het meeste bijval. Er werden er in totaal 183 gebouwd, waarvan 26 in het noorden van Frankrijk. Vandaag is zowat de helft van de tournesol-baden gesloten of vernield. Anderen zijn gerehabiliteerd, soms op een verrassende manier. Bij de ingang van dit oude gemeentelijke zwembad valt al meteen de algehele teloorgang op: stukgeslagen ramen, afgescheurde patrijspoorten, lelijke grafitti en geen spoor meer van de typerende gele PVC-kleedcabines, die mee de glorie van de piscines tournesols maakten.

De koepel in polyester tegels, ontwikkeld door de ingenieur Thémis Constantinidis, bestaat uit 36 ​​metalen bogen, waaronder 12 intrekbare, waardoor tijdens de zomer het zwembad onder een hoek van 120° kon worden opengemaakt. Een boog op twee wordt doorboord met 7 patrijspoorten, wat bijdraagt ​​aan het futuristische uiterlijk van het ontwerp. Dit vliegende schotelvormige zwembad zal ongetwijfeld duizenden Franse schoolkinderen hebben gecharmeerd…

In een poging het lelijke effect van de grafitti te minimaliseren, heb ik deze reeks in zwart/wit bewerkt…

 


 

Chateau des Livres

Dit “chateau” is niet de bekendste bezienswaardigheid in de omgeving. Een paar honderd meter verderop is er immers een bekende middeleeuwse waterburcht, waar veel over geschreven is, maar van de achtergrond van dit gebouw kon ik hoegenaamd niets terugvinden. Het is dan ook niet echt een “chateau”, maar eerder een landhuis. Het lijkt er op dat het een tot vakantieverblijf omgebouwde herenhoeve is. De meest in het oog springende ruimte in het gebouw, is een zitkamer annex bibliotheek die opvallend hemelsblauw werd geschilderd. Het is omwille van deze ruimte dat velen er de naam “Chateau Bleu” aan gaven. Mij persoonlijk viel eerder de massale aanwezigheid van boeken op. Er is geen kamer in het gebouw, waar je geen boeken vindt. Boeken over de meest uiteenlopende onderwerpen, van klassieke literatuur, over kunst en wetenschappen, tot meer technische boeken. Ik verkies daarom de naam “Chateau des Livres”. Hoewel het chateau er op het eerste zicht nog redelijk intact uit lijkt te zien, heeft het verval zich er al flink ingezet. Het is duidelijk dat hier al jaren niemand meer geweest is, buiten de vele urban explorers dan…
 


 

Alien Church

Het dorpje waarin deze bijzondere kerk zich bevindt, werd tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig verwoest en zou in eerste instantie niet opnieuw opgebouwd worden. Dank zij de vasthoudendheid van de inwoners, die er een hechte gemeenschap vormden, kwamen de autoriteiten terug op deze beslissing en werd de wederopbouw van het dorpje alsnog mogelijk gemaakt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het dorpje echter opnieuw getroffen door het noodlot… Toch werd ook deze keer werk gemaakt van de wederopbouw. De kerk werd ontworpen door architect MQ. Het gebouw werd volledig opgetrokken in gewapend beton en heeft geen zichtbare muren, maar lijkt te bestaan uit den dakconstructie die doorloopt tot op de grond. Zowat de hele constructie werd doorboord door vierkante openingen, die bekleed werden met glas-in-lood-ramen in groene en paarse tinten, hetgeen een bijzondere en kleurrijke lichtinval oplevert…

 

 

Chapelle de Bresillac

Chapelle de Bresillac is de kapel van een college, gebouwd in 1887 op de plek van het oorspronkelijke heiligdom, waar volgens de overlevering in augustus 470 op miraculeuze wijze een bron ontsprong om de dorst te lessen van de heilige Geneviève en haar compagnon Celine, die daar tijdens hun reis verpozing zochten. In 1177 werd er rondom de bron een priorij van kanunniken van Sint Augustinus gesticht, die in 1637 werd overgenomen door de Oratorianen, die er het college stichtten. De 19de eeuwse kapel heeft een langwerpig plan, afgesloten door een veelhoekig koor. Vooral de adembenemende glas-in-lood-ramen, die onder meer het wedervaren van de heilige Geneviève en de heilige Celine uitbeelden, springen onmiddellijk in het oog. De kapel zelf bevindt zich op het tweede niveau van het gebouw. Toen het college in 2012 de deuren sloot, raakte uiteraard ook de kapel in onbruik.

 


 

Bibliopolis

Deze prachtige bibliotheek, die de naam Bibliopolis kreeg, is de schoolbibliotheek van een college dat in de eerste helft van de 17de eeuw werd opgericht. Het college was van katholieke signatuur en omvatte een kleuterschool, een lagere school, een hogeschool en een middelbare school. Oorspronkelijk was de onderwijsinstelling gereserveerd voor jongens, maar in de jaren 1980 werd ze opengesteld voor gemengd onderwijs en ontving vanaf dan zowel jongens als meisjes, in internaten, halfpension en dagschool. De bibliotheek zelf werd pas in de eerste helft van de 20ste eeuw aangebouwd en bevatte enkele merkwaardige stukken, waaronder een origineel exemplaar van de encyclopedie van Diderot et d’Alembert. Na jarenlange aanhoudende financiële problemen, moest het college in 2012 noodgedwongen de deuren sluiten. Het geheel raakte al snel in verval en in het bijzonder de bibliotheek werd slachtoffer van diefstallen en vandalisme. Waardevolle exemplaren van boeken verdwenen of werden vernield. Een plan om de school te heropenen werd in 2016 gestaakt, waarna het verval zienderogen toenam.

 


 

Chateau Verdure

Over dit charmante kasteeltje, gelegen in de chique buitenwijken van een wereldstad, valt niets van geschiedenis of achtergrond te achterhalen. Aan de slechte staat van het gebouw te zien, staat het al vele jaren leeg. Op de verdieping raak je nog net tot bovenaan de prachtige marmeren trap, maar de rest is al ingestort, of staat op het punt om dat te doen. Te gevaarlijk alleszins om er nog enigszins veilig rond te kunnen lopen. Jammer genoeg is het kasteeltje niet gespaard gebleven van vandalisme. Grafitti spuitende idioten hebben er lelijk huisgehouden. Toch nog bijzonder mooi om te zien, met name de inkomhal met de marmeren trap en de ontbindende piano.

 

 

Manoir du Colimaçon Blanc

In de kadastrale archieven is er voor het eerst melding van het chateau in 1897, wanneer in opdracht van een Parijse wijnhandelaar een “tweede huis” op het domein wordt opgericht. De verbouwing en uitbreiding tot het huidige chateau zou echter pas plaatsvinden in de jaren 1920 door de nieuwe eigenaar, die het domein in 1913 gekocht had. Hij gaf architect Marcel Oudin de opdracht om te vormen tot een chateau in art nouveau-stijl, de stijl waarvoor deze architect befaamd was. De constructie bestaat uit voornamelijk beton en baksteen. In de jaren 1970 werd het landgoed met het kasteel gekocht door een Iraanse zakenman, die het interieur liet restaureren. Hij bewoonde het kasteelt slechts gedurende drie jaar, vooraleer hij naar de Verenigde Staten verhuisde. Uit contacten tussen de burgemeester en de eigenaar van het goed in 1999 bleek dat deze laatste niet de intentie had om het goed opnieuw te bewonen, noch om het te verkopen. Het chateau begon al snel te vervallen, meer nog eens het ten prooi viel aan dieven en vandalen. Buiten de karakteristieke witte wenteltrap (colimaçon blanc), welke in feite de personeelstrap was, valt er nog maar bitter weinig te fotograferen.

 

 

Terre Rouge

Terre Rouge, genoemd naar de rode kleur van de ijzerhoudende grond, was een van de grote spelers in de ijzerertsindustrie in Luxemburg en zelfs in Europa. De geschiedenis van de site neemt een aanvang omstreeks 1870 met de bouw van de “Usine Brasseur”, waar de twee eerste hoogovens gebouwd werden onder auspiciën van de “Société Anonyme des Hauts-fourneaux Luxembourgeois”. Op de site werd door 10 verschillende mijnbedrijven ijzererts ontgonnen, eerst bovengronds, later uit ondergrondse galerijen. In 1937 werd het bedrijf opgeslokt door ARBED (Aciéries Réunies de Burbach-Eich-Dudelange). Nog later werd het bedrijf overgenomen door de groep ArcelorMittal. In de jaren 1950 ontdekte men dat de gassen, die vrijkwamen bij het smelten van ijzer tijdens de staalproductie, konden worden gebruikt om elektriciteit te produceren. De Centrale Thermique werd daarom in 1951 gebouwd om deze revolutionaire techniek te exploiteren. In de jaren 1970 zag Luxemburg de staalindustrie krimpen en de hoogovens in de hele regio begonnen te sluiten. Een dag nadat de laatste hoogoven in 1977 werd stilgelegd, werd ook de hele fabriek gesloten. De hoogovens werden inmiddels afgebroken. Tegenwoordig zijn alleen de ijzerertssilo’s en het lege gebouw van de krachtcentrale er nog, verlaten en ernstig in verval.

 

 

Bouncing Off the Satellites

Het grondstation voor ruimtecommunicatie werd in 1972 opgericht en leverde de verbindingen tussen het nationale telefoonnetwerk en de ruimte. Het station is gebouwd door Bell Telephone, met als doel België in staat te stellen de Intelsat-apparatuur te gebruiken, waarvan het toen een van de elf lidstaten was. Het station ligt in het hart van een domein van 123 hectare en heeft verschillende grote satellietschotels om satellietsignalen op te nemen. De eerste antenne werd in 1972 ingewijd door Koning Boudewijn. In de loop der jaren werden verschillende satellietschotels toegevoegd met diameters van 18 tot 30 meter en hoogtes tussen 22 en 35 meter. Het vlaggenschip van de Belgische telecommunicatie trok elk jaar duizenden bezoekers. In 2007 en 2008 werd het satellietevenement overgelaten aan een Indiase onderneming, die haar activiteiten voornamelijk op het Afrikaanse continent concentreerde. De Indiase groep werd echter in 2012 failliet verklaard. Door de veroudering van het materiaal werd het opnieuw opstarten van de activiteit onmogelijk. De site met de schotelantennes werd gekocht door een zakenman uit Luik, die eerder grote hoeveelheden ongebruikt land van de site had gekocht. Hij zal een groots sociaal project realiseren waarin de schotelantennes als attractie blijven bestaan.

 

 

HF4

Dit hoogovenbedrijf, dat beeldbepalend is voor de stad Charleroi, ontstond in 1836, tijdens de hoogtijdagen van de Europese staalindustrie. Zoals alle andere staalbedrijven in de regio, maakte ook deze hoogoven het voorwerp uit van tal van overnames en fusies, die zich voornamelijk tijdens de jaren 1960 en ’70 afspeelden. Het bleef steeds een bloeiende onderneming, competitief op wereldschaal, tot de overname door de groep Duferco in 2001 het begin van het einde inluidde… De site werd vanaf dan uitgebaat onder de naam Carsid. Na een brand in 2007 werd de oven tijdelijk gedoofd om de nodige herstellingswerken uit te voeren. Tegelijkertijd werd de capaciteit opgekrikt en werden er een aantal investeringen op het vlak van milieu gedaan. Nu zou de installatie weer voor tien jaar operationeel zijn. Nauwelijks een jaar later werd de hoogoven opnieuw gedoofd, omwille van “slechte vooruitzichten”. Door de economische crisis en de teruglopende vraag naar staal, was de uitbating van het hoogovenbedrijf niet langer rendabel. Een “tijdelijke” sluiting en de zoektocht naar een overnemer zou soelaas moeten brengen. Na ruim drie jaar onzekerheid en economische werkloosheid viel het doek echter definitief voor de hoogoven. Aangezien HF4 één van de best bewaarde hoogovens in Europa is, streeft de Waalse overheid ernaar om de oven te behouden als industrieel patrimonium. Hoewel hiertoe inmiddels een ministerieel besluit werd gepubliceerd, vorderen de sloopwerken op de site gestaag…

 

 

Wet Dogs Plant

Soms vraag je je af hoe locaties aan hun naam komen. Waarom iemand deze oude krachtcentrale met de naam “Wet Dogs Plant” bedacht, is me een raadsel. De hoogoven, waar deze krachtcentrale deel van uitmaakte, lag al van 2008 stil, maar het nieuws van de definitieve sluiting kwam er pas in 2012. De bedrijvigheid op deze site ging van start in 1836. Zoals wel vaker gebeurt in de staalindustrie volgden er in de loop van de geschiedenis van de fabriek verscheidene fusies en overnames, tot de fabriek in 2001 uiteindelijk in Italiaanse handen kwam. Deze Italiaanse groep stopte in 2008 echter met de productie van primair staal. Er werd nog naar een overnemer gezocht, maar die werd niet gevonden. In 2012 viel het doek definitief over de fabriek. In de oude krachtcentrale werd gerecupereerd wat nog bruikbaar was, maar te oordelen naar de dikke laag stof die alles bedekt, werd er sedertdien nog maar weinig verplaatst…

 

 

Owl School

Het minste wat men van deze Owl School kan zeggen, is dat ze een woelige geschiedenis heeft gekend. Het was de eerste Vlaamse normaalschool, opgericht in 1816 onder het bewind van Konin Willem I. Ze werd opgericht als “Rijkskweekschool” (een opleidingsinstituut voor onderwijzers), om het Nederlandstalig onderwijs naar een hoger kwaliteitsniveau te tillen. Er studeerden niet alleen Vlamingen, maar ook “kwekelingen” uit andere delen van Nederland, Wallonië en Luxemburg. De school kende een grote bloei. Na de Belgische Omwenteling werd ze overgenomen door de katholieke kerk, die er de onderwijzersopleiding verder zette. De school speelde een cruciale rol in de verdediging van het rijksonderwijs. Hoewel ze na de onderwijswet van 1842 terug een “rijksnormaalschool” werd, bleef de leiding in handen van priesters, omdat het in de praktijk geen sinecure bleek om degelijk opgeleide directeurs te vinden buiten de katholieke kerk. 

De oorspronkelijke schoolgebouwen werden tijdens de Eerste Wereldoorlog grotendeels verwoest. Dank zij de royale vergoedingen van de Duitse oorlogsschade zag men de kans om nieuwe, moderne gebouwen op te richten. De meeste huidige gebouwen dateren dan ook van 1926. Na de Tweede Wereldoorlog werd het aanbod uitgebreid naar een middelbare afdeling (opleiding tot regent). De school kende een grote bloei, maar zag niettemin een terugval na de schoolhervorming van 1970. In 2012 kwam er een einde aan het 195-jarig bestaan van de Rijksnormaalschool. De voornaamste reden was de verouderde infrastructuur. De stad ging op zoek naar een andere invulling van de site, met het opzet zoveel mogelijk van de historische gebouwen te bewaren. Een herbestemmingsproject zal de voormalige school omvormen naar een mix van functies: wonen, werken en kleinhandel. Vanaf januari 2019 zullen de werken van start gaan…

 

 

Chateau Pentagon

Op de mooie vleugelpiano na, was dit prachtige chateau zo goed als volledig leeg. Hier en daar nog mooie details, zoals de badkamer en de trappen. Het gebouw heeft duidelijk een opfrisbeurt nodig, maar van ernstig verval is er duidelijk (nog) geen sprake. Het kasteeltje kreeg de naam Chateau Pentagon omwille van de bijzondere plattegrond van het gebouw. Over de geschiedenis ervan heb ik jammer genoeg niets kunnen terugvinden…

 

 

Paper Cutter

Dit vliegtuig, vrij onbekend voor het grote publiek, werd gebouwd in de Hurel-Dubois-fabrieken van Meudon. Er werden slechts 8 exemplaren van gebouwd. Met de specifieke low-speed vluchtkarakteristieken, de stabiliteit en het lange bereik, is het toestel speciaal gebouwd voor het National Geographic Institute. Dit specifieke vliegtuig, uitgerust met verticale en schuine camera’s, werd gebruikt om Noord-Afrika en de overzeese gebieden in kaart te brengen. Cartografen en fotografen profiteerden ten volle van de grote stabiliteit van het vliegtuig tijdens de vlucht. Het toestel staat nu al geruime tijd aan de grond. Een groep enthousiastelingen zet zich momenteel in om het vliegtuig te restaureren en weer luchtwaardig te maken. Slechts twee exemplaren van dit vliegtuig, met een bijzonder lange overspanning (46 meter), die de bijnaam “paper cutter” kreeg en waarvan het specifieke geluid bijzonder herkenbaar is voor Wright Cyclone-stermotoren, zijn nog steeds operationeel.

 

 

Manoir Saint-George

Bij een korte stop, tussen twee locaties in, aan een supermarkt in een klein, slaperig Frans stadje werd onze aandacht plots getrokken door een met onkruid overwoekerd domein met in het midden ervan een vervallen landhuis. Even een blokje om gewandeld en we vonden al snel een opening in de omheining. De manoir bleek zo goed als leeg te zijn, maar had wel een bijzonder mooi natuurlijk verval en quasi geen vandalisme. En dat geheel overgoten met een stralend Frans zomerzonnetje. Precies zoals we dat graag zien! Over de geschiedenis van dit verlaten landhuis heb ik tot nu toe niets kunnen achterhalen…

 

 

Piscine Bel Air

Onder urban explorers is deze plaats vooral populair vanwege het prachtige zwembad, dat een zekere Griekse uitstraling heeft. Het lukte me jammer genoeg niet om de precieze geschiedenis van deze plaats te achterhalen, maar het lijkt erop dat het een soort privé-club was. Naast het zwembad, was de hele kelder ingericht als een kleine bar annex disco. De rest van het huis, vanaf het grondniveau omhoog, was stevig vergrendeld. We vonden ook een mooie tuin, met twee overwoekerde autowrakken erin en een mooie, kleine waterpartij … Al met al een leuk bezoek.

 

 

Powerplant IM

In urbexmiddens worden Powerplant IM en Cooling Tower IM vaak als twee afzonderlijke locaties beschouwd. Oorspronkelijk vormden ze uiteraard één geheel. De voormalige elektriciteitscentrale van Monceau-sur-Sambre werd gebouwd in 1921. De machinegebouwen werden langs de linkeroever van de Samber gebouwd en de koeltoren, inmiddels ook bekend als filmlocatie van ‘De Premier’ langs de rechteroever. De elektriciteitscentrale draaide initieel op gepulveriseerde steenkool. Naarmate de vraag naar energie steeg en het vermogen stelselmatig werd opgedreven, werd ze vanaf de jaren 1970 ook aangedreven door aardgas. Eind jaren ’70 was deze centrale de voornaamste leverancier van elektriciteit in de regio Charleroi. De centrale, die inmiddels een vermogen van 92 MegaWatt had bereikt, bleek evenwel ook een belangrijke vervuiler te zijn, verantwoordelijk voor maar liefst een tiende van de uitstoot van koolstofdioxide in België. Het nieuws werd gevolgd door hevige protesten van Greenpeace, waarop de centrale in 2007 werd stilgelegd. Sinds enkele jaren wordt de centrale stelselmatig ontmanteld. De gebouwen bleven inmiddels niet gespaard van dieven en vandalen. Vandaag biedt het geheel nog slechts een trieste aanblik en herinnert het nog vaag aan de eens machtige energieproducent…

 

 

Heavy Metal (revisit)

Mijn eerste bezoek aan deze staalgigant dateert alweer van meer dan twee jaar geleden. Ik was zodanig onder de indruk van deze enorme fabriek, dat ik er letterlijk met open mond rondliep… De voorbije twee jaar hebben koperdieven hier vreselijk veel schade aangericht door de bedrading te ontmantelen om het koper er uit te halen. Ze hebben inmiddels wel tonnen koper en andere metalen gestolen… Ze waren trouwens nog steeds bezig toen we er deze keer waren! Gelukkig hebben ze ons niet te veel lastig gevallen. Ze waren zelfs galant genoeg om uit onze schots te blijven. 🙂 Ondanks alle schade is deze verlaten staalfabriek nog steeds met stip de meest indrukwekkende industriële site die ik tot nu toe heb gezien. Als je net zoveel van roest en stof houdt als ik, zal je dit geweldig vinden!

 

 

Charbonnage FT

Naar Belgische normen was deze Charbonnage FT een eerder bescheiden steenkoolmijn, die ook vrij kort werd uitgebaat. In deze regio werd al steenkool gedolven vanaf 1755 Het Frans-Belgische bedrijf dat de mijn exploiteerde werd opgericht in 1865. Het delven in deze mijn gebeurde in ontelbare gaanderijen, die op relatief lage diepten gegraven werden. Er werd steenkool naar boven gehaald van 1875 tot 1935. In 1920 stierven twaalf mijnwerkers ten gevolge van een gasexplosie onderaan de mijn. Vanaf dit moment begint de activiteit van de mijn ook af te nemen, tot in 1929 slecht een enkele zetel nog steeds steenkool naar boven haalt. Uiteindelijk sluit de mijn definitief in 1935. Aan het begin van de 21ste eeuw werden de schachtbokken gesloopt en bleven alleen de oude gebouwen bestaan. Vandaag, na bijna 85 jaar leegstand, verkeren ze in bijzonder slechte staat. De gewestelijke overheid onderneemt heeft de voorbije jaren de nodige stappen ondernomen om de site, die te kampen heeft met zware verontreiging, te saneren. De werken zullen eerstdaags beginnen…

 

 

Eglise des Causes Désespérés

De “kerk van de wanhopige gevallen” is een bijzonder toepasselijk gekozen naam voor deze gedesaffecteerde kerk. Het voor deze kleine gemeenschap eens zo belangrijke gebouw bevindt zich in een wel zeer lamentabele toestand. Niet voor niets werd ze door de brandweer ontoegankelijk verklaard. Je hebt er het gevoel dat je op ieder gegeven moment wat willekeurige brokstukken op je hoofd zou kunnen krijgen. Al sinds 2010 gaan er geruchten dat ze zou gesloopt worden, maar medio 2018 staat ze er nog steeds te verkommeren. De kerk werd in Romaanse stijl gebouwd in 1921 voor de steeds toenemende mijnwerkerspopulatie, voornamelijk afkomstig uit Vlaanderen.

 


 

Black Cokes

Deze cokesfabriek werd begin jaren 1950 opgericht om de hoogovens in de omgeving van cokes te voorzien. De cokes worden geproduceerd uit de droge destillatie van steenkool, die in een zuurstofvrije omgeving indirect verwarmd wordt tot ongeveer 1000 graden en ontdaan wordt de ongewenste restproducten (waterstofgas, methaan, benzeen en teer). Cokes wordt voornamelijk ingezet om ijzererts in een hoogoven te reduceren tot ruw ijzer. De fabriek besloeg een oppervlakte van 17 ha. En werd in 1981 nog met een extra ovenbatterij uitgebreid tot een totaal van 122 ovens. De productiecapaciteit bedroeg toen 750 kton/jaar. Tijdens de jaren 1990 werden er nog vernieuwingen uitgevoerd aan de ovens, maar na de overname in 2001 wenste de nieuwe uitbater niet meer te investeren in de noodzakelijke aanpassingen om vele klachten omtrent milieuvervuiling te ondervangen. Begin 2008 werd de laatste oven stilgelegd en sloot de cokesfabriek. In 2014 begon men met de sloop van de installaties. Daarna is voorzien in de sanering van de zwaar vervuilde bodem.

 

 

Green World

Deze grote boerderij is een van de bouwwerken in een park rond een kasteel, en omvat onder meer het huis van de conciërge. Het bevindt zich in het kasteeldomein, ten noordoosten van het kasteel. De boerderij bestaat uit verankerde bakstenen gebouwen onder zadeldaken (decoratieve rode en zwarte Vlaamse tegels), opgesteld rondom een ​​binnenplaats. De boerderij dateert grotendeels van het vierde kwart van de 19e eeuw. De zuidvleugel wordt gevormd door een prachtige serre en volière, nu overwoekerd door onkruid, wat aanleiding gaf tot het pseudoniem ‘Green World’. De kapel die werd toegevoegd aan de noordvleugel is veel recenter.

De laatste foto is een binnenaanzicht van de afzonderlijke kapel in het bos ten zuiden van de boerderij. Dit was oorspronkelijk de ijskelder. Het gebouwtje dateert eveneens van het vierde kwart van de 19e eeuw en werd begin jaren negentig opgericht als boskapel. Het achthoekige paviljoen van baksteen en knoestig hout staat op een sokkel van lokale ijzerzandsteen. Het bepleisterde interieur bevat gerecycleerde neogotische hoogreliëfs van een West-Vlaamse abdij. De glas-in-loodramen werden gerecupereerd uit een niet-gespecificeerde afgebroken Waalse kerk.

 

 

Old Iron

Ergens temidden van de Waalse graanvelden staan twee onooglijke schuurtjes, waarvan je geen moment zou vermoeden dat ze een schat aan prachtige klassieke auto’s herbergen… Ik trof er onder meer een oude Mercedes Benz 200 van einde jaren 1960, een “Baader Meinhof Wagen” (BMW 2002 ti) van begin jaren 1970 en een originele Mini Cooper aan. Het absolute pronkstuk van de collectie (voor mijn persoonlijke smaak) is echter toch wel de Citroën C4 van 1930. Ook de Renault Juvaquatre van 1939 en de Chevrolet Styleline Deluxe van begin jaren 1950 zijn bijzondere en opvallende stukken…  Wat de geschiedenis van deze wagens is en waarom ze in deze godverlaten schuurtjes staan op te roesten, is een volkomen raadsel. Volgens de geruchten zouden ze eigendom zijn van de uitbater van de nabijgelegen garage/tankstation. Misschien (hopelijk) heeft hij nog plannen om deze klassiekers te restaureren…

 


 

Brains Tower

Door de toenemende vraag naar cokes in de staalindustrie en de daaruit voortvloeiende stijgende prijzen, ging men op zoek naar een meer kostenefficiënte techniek. Deze werd gevonden door het injecteren van verpulverde steenkool (Pulverized Coal Injection) als vervanger voor de tot dan gebruikte zware olie in het smeltproces. Verpulverde kolen worden in de primaire luchttoevoer gemengd en in de hoogoven geblazen. Het meest opmerkelijke aspect van deze methode is dat het mogelijk is om goedkopere kolen te gebruiken in het systeem en dure cokes te vervangen, waardoor de kosten aanzienlijk worden verlaagd. Het procédé werd ontwikkeld in de 19e eeuw, maar werd pas in de jaren zeventig industrieel geïmplementeerd. In deze hoogoven werd de methode pas ingevoerd halverwege de jaren 1990. In deze fabriek werd tot de sluiting van de nabijgelegen hoogoven in 2008 poederkool geproduceerd.

 

 

Church of Raven

Deze neoromaanse kerk werd ontworpen door een Gentse architect volgens een basilica-plan (hoog middenschip met lagere zijbeuken). Het middenschip heeft een opmerkelijk plat, met houten panelen beklede plafond. Eveneens typerend voor de (neo)romaanse bouwstijl is het koor dat uitmondt in een apsis met een cul-de-four (gewelf in de vorm van een halve koepel). De muren van het middenschip rusten op arcades die afwisselend rusten op sterke pilaren en kolommen met kapitelen. De toren is zijdelings ingeplant tegen de westelijke gevel. De groenige zandsteen van Dolhain legt mee de nadruk op de soberheid en het Romaanse karakter van dit heiligdom, gebouwd tussen 1906 en 1907.

Op een zondagochtend in augustus 2015 moest de brandweer in allerijl uitrukken omdat de hele klokkentoren in lichterlaaie stond. De brand bleek te zijn veroorzaakt door koperdieven, die bezig waren het koper in de bekabeling van de toren te stelen. De kerk stond op dat ogenblik al enkele jaren leeg. Door de ontoegankelijkheid van de toren duurde het verscheidene uren voor de brandweer de vlammen meester was. De schade was aanzienlijk. Aangezien de kerk geen beschermd karakter heeft, lijkt het quasi onvermijdelijk dat ze in de nabije toekomst volledig zal gesloopt worden…

 


 

Wattman

Dit nog steeds actieve tram-depot werd gebouwd in 1915. Van het oorspronkelijke depot is vandaag niet veel meer te zien. In de loop der jaren breidde het uit tot een modern onderhoudsdepot voor al de trams en bussen van de stad. De omvang van het depot blijkt niet alleen uit de oppervlakte die het inneemt. Het was ook een belangrijke speler in de ontwikkeling van de hoogspanningsleidingen. De site heeft de capaciteit om zijn eigen elektriciteit (2400 KW) te produceren om de stroomvoorziening van het net te versterken. Op een zijspoor van het depot staan enkele uitgerangeerde trams, die wellicht nog bewaard blijven voor eventuele onderdelen en wisselstukken voor de trams in het museum dat aan de site verbonden is. De oude trams die hier staan weg te roesten, waren van oorsprong geen nieuw gebouwde trams, maar omgebouwde S-trams. Het ombouwprogramma startte in 1978, maar werd in 1988 gestaakt toen de meeste tramlijnen rond de stad werden opgeheven. Kort erna werden deze trams helemaal uit reizigersdienst gehaald.

 


 

ROA’s Factory

Deze fabrieksruïne is al wat nog rest van de groots opgevatte katoenspinnerij en –weverij die er in de tweede helft van de 19de eeuw werd opgericht. De textielfabriek bleef actief tot aan het faillissement ervan in de jaren 1960. Nadien vestigde zich een kopergieterij op de terreinen en in de gebouwen. De kopergieterij evolueerde naar een metaalverwerkend bedrijf, dat vooral actief werd in het aanleveren van onderdelen voor de auto-industrie. Door de toenemende vraag, barstte het bedrijf al snel uit zijn voegen. In 1997 verhuisde men naar een nieuwe en grotere site en kwamen deze gebouwen definitief leeg te staan. Binnen in de fabriek komen we enkele fraaie staaltjes graffiti-kunst tegen van kunstenaar ROA, die we eerder ook al tegenkwamen in Skeleton Factory. De stad, die nu eigenaar is van de terreinen en gebouwen, plant hier een nieuw woonproject, waarbij zal gepoogd worden de kunstwerkjes van ROA in het geheel te integreren…

 


 

Zeche M

De oorkonde voor de uitbating van deze steenkoolmijn in het Duitse Ruhrgebied, werd uitgereikt in het begin van de jaren 1860, maar het zou nog 40 jaar duren vooraleer er in dit meest oostelijke deel van het bijna 100 km² grote ontginningsgebied voor het eerst testboringen zouden worden uitgevoerd. Vanaf 1912 begon de feitelijk ontginning van Zeche M, waar antraciet gedolven werd. Er werd gedolven op dieptes die varieerden tussen 350 en 850 meter. Tijdens de topjaren werd er jaarlijks 2,5 miljoen ton antraciet gewonnen door ruim 8000 werknemers. Precies 100 jaar na de start van de ontginning werd de mijn stilgelegd. Een groot deel van de gebouwen werd inmiddels gesloopt. Het is niet geheel duidelijk of op termijn alles gesloopt zal worden, of dat dit gebouw met de monumentale inkomhal en de zalen met de typische mandjes behouden blijft… Tijdens ons bezoek werd het gebouw alleszins nog steeds verwarmd.

 


 

Salve Mater Convent

Bij mijn eerste bezoek aan deze voormalige neuro-psychiatrische kliniek Salve Mater, was er slechts één paviljoen toegankelijk. Het neotraditionele hoofdgebouw en de neogotische kapel kwamen recent echter leeg te staan. Het uit rode baksteen opgetrokken hoofdgebouw omvatte oorspronkelijk de administratie en het klooster van de zusters en omvatte verschillende vleugels. In de as van de hoofdingang bevindt zich de kapel van de instelling. Zowel het klooster als de kapel werden zo goed als volledig leeggehaald, allicht met het oog op de renovatie van het geheel. In de kapel is nog de oorspronkelijke biechtstoel te vinden en achter de kapel is de autopsietafel in het mortuarium blijven staan. Desondanks was het al bij al toch nog een leuk bezoek, dat enkele leuke foto’s opleverde.

 


 

Domain M

Domain M werd ooit uitgebaat als bed & breakfast en kon gehuurd worden voor feestjes en recepties. Het gebouw leent er zich uitstekend voor. Mooie rustige ligging en een ruime eigen parking die via het achterliggende straatje bereikbaar is. Enkele jaren geleden werden de activiteiten stopgezet om het gebouw een grondige renovatiebeurt te geven. Waar het misliep is niet geheel duidelijk. Financiële problemen misschien? De renovatiewerken werden alleszins stopgezet en het gebouw bleef er verlaten bij liggen. Het duurde dan ook niet al te lang voor met camera’s bewapende nieuwsgierigen het pand aan een onderzoek kwamen onderwerpen. Kort geleden leek het alsof de renovatiewerken terug op gang zouden getrokken worden, maar even later verscheen het goed op een website voor immobiliën, waar het te koop aangeboden werd. Toen ik er ongeveer twee maanden voor dit bezoek langs kwam, was er alleszins activiteit en brandde er licht. Toen ik er vandaag opnieuw langs kwam, was daar geen teken meer van te bespeuren… Het gebouw werd wel volledig leeggehaald. Een opdoffer voor de “urbexers” die graag meubelen rond sjouwen voor “unieke shots”. Ik vond het leeg alleszins ook nog mooi. Het geeft de gelegenheid om meer te focussen op de details en het verval&