Month: maart 2018

image_pdfimage_print

Haberdashery

Dit textielbedrijf hield zich voornamelijk bezig met het weven van stoffen om meubelen te bekleden. Over het ontstaan van deze weverij valt zo goed als niets te achterhalen. Uit volks- en nijverheidstellingen blijkt alleszins dat het dorp tot het einde van de 19de eeuw nog voornamelijk op landbouw gericht was. Stilaan ziet men echter een aanzet tot textielverwerking ontstaan, voornamelijk onder de vorm van “huisnijverheid”. Het duurt nog tot na de Eerste Wereldoorlog voor men echt kan spreken van een georganiseerde textielindustrie.

Afgaande op de bouwstijl lijkt het aannemelijk dat dit bedrijf pas na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht. De textielindustrie nam toen een hoge vlucht. Wat alleszins zeker is, is dat het bedrijf een tiental jaar geleden in slechte papieren kwam. Er werd naarstig naar een overnemer gezocht, maar toen die niet gevonden werd, legde het bedrijf de boeken neer, waardoor de laatste 15 werknemers op straat kwamen te staan.

 

 

Anderhalf jaar na ons eerste bezoek hier, gingen we nog eens een kijkje nemen toen we toevallig langs reden. Ondertussen bracht de bekende graffiti kunstenaar Pete One (die al in eerdere reeksen aan bod kwam) een bezoek aan de gebouwen en liet er in zijn gekende stijl een aantal prachtige staaltjes van zijn kunnen na. Kijk maar even mee…

 

 

Eric’s Engine Room

De eigenaars en uitbaters van dit bedrijfje waren oorspronkelijk actief in de vlasverwerkingssector. Toen de vraag naar vlas na de Tweede Wereldoorlog stagneerde, moest men uitkijken naar nieuwe activiteiten. Eind jaren 1950 werd dit bedrijf als zusterbedrijf opgericht. Het nieuwe bedrijf legde zich toe op het vervaardigen van mazouttanks, silo’s en tandwielen. Later werden de activiteiten van beide bedrijven nog verder uitgebreid en moest men uitwijken naar een grotere locatie. Die werd gevonden op een nabijgelegen industrieterrein.

Na de verhuis naar het nieuwe industriële complex begin jaren 1990 kwam deze locatie leeg te staan. De locatie onderging een prachtig natuurlijk verval en bleef tot het einde gespaard van dieven en vandalen… In de loop van 2019 ontruimde men het terrein grotendeels. De meeste gebouwen gingen onder de sloophamer. Gezien de ligging van het terrein, lijkt het logische dat men er nieuwe woningen op zal bouwen.

 

 

Lost Patriot

Een post-apocalyptisch tafereel, deze inderhaast achtergelaten Leopard tanks en Volvo trucks op een militair domein… Er is zo goed als geen informatie te vinden over dit terrein. Da’s niet zo verwonderlijk, want het is geen verlaten terrein. Pas na mijn bezoek kwam ik te weten dat het terrein nog regelmatig gebruikt wordt voor militaire oefeningen.

 

 

Death Disco

Oorspronkelijk ontstaan in de jaren 1990, was Death Disco jarenlang een begrip bij de feestvierders uit de omgeving. In 2011 nam de huidige eigenaar, die zelf al jaren in de dancing werkte, de zaak over. Hij herdoopte de danstempel en hoopte ze nieuw leven in te kunnen blazen. Door het duurder wordende leven en de dalende koopkracht van jongeren, ging het echter vrij snel bergafwaarts met de danstempel en al gauw begonnen de schulden zich op te stapelen. Tel daar bij het onbegrip van de georganiseerde gangsterbende SABAM en het resultaat laat zich raden…

Iets minder dan een jaar geleden zag de uitbater geen andere uitweg meer dan de boeken neer te leggen. Sindsdien is de zaak in handen van een curator. Aangezien er zo goed als geen lichtinval was, was fotograferen op deze locatie een hele uitdaging. Meer dan deze 5 beelden heb ik er niet kunnen uithalen…

 

 

Chateau Cendrillon

In een park met veel opmerkelijke bomen bouwde baron Louis Siraut zijn Château de la Bruyère. Het neoklassieke gebouw werd opgericht in 1860 en de familie Siraut bewoonde het kasteel tot 1984. Wellicht omwille van de stijgende kosten die gepaard gaan met het onderhoud van een kasteel met park, verliet de familie het kasteel. Het bleef jarenlang leeg staan en verkommeren, tot het in 1999 gekocht werd door bakker Raymond Beck.

Becks’ studies aan de academie voor schone kunsten in Bergen hielpen hem bij zijn taak van vakman-renovator. Hij transformeerde het inmiddels sterk verloederde kasteel tot een luxueus hotel met 10 kamers en noemde het “Hotel Chateau de la Cense au Bois”. Het hotel baadde in een decor van Napoleon III-meubels, Sèvres-porselein en fijne kasjmier tapijten. De tien kamers werden allemaal versierd met oude voorwerpen die hij verzamelde. De eetkamer, ingericht in Marie-Antoinette-stijl, gestoffeerd in blauwgrijs was een lust voor het oog.

Raymond Beck, die zijn sporen verdiende als meester-bakker in Jurbise, trok de bejubelde chef kok Pierre-Yves Gosse aan om in zijn luxehotel een restaurant op te richten. Het restaurant werd “L’Osciètre Gris” (naar de gelijknamige kaviaar van de grijze steur) genoemd. Het restaurant vergaarde al snel naam en faam als één van de beste restaurants van Henegouwen.

Toch was het luxueuze project geen lang leven beschoren. In 2005 gingen zowel het hotel als het restaurant failliet. Beck en Gosse gingen elk hun eigen weg. Pierre-Yves Gosse overleed in april 2019. het kasteel van baron Siraut viel eens te meer prooi aan verval.

 

 

 

Orange Factory

In deze fabriek werden de afvalstoffen van een nabijgelegen hoogoven verwerkt. Meer specifiek produceerde men er synthetisch grafiet uit het afval van de cokes uit de hoogoven. Vanwege de relatieve zachtheid van het materiaal en de (zelf)smerende eigenschappen, wordt het in de elektrotechniek gebruikt in sleepcontacten. Men treft het onder meer aan in elektromotoren (als koolborstels), in stroomafnemers en in potentiometers.

Een andere toepassing is het gebruik als elektrode-materiaal in elektrochemische cellen. Denk bijvoorbeeld bij de isolatie van aluminium uit bauxiet, of in elektrolyse van waterige oplossingen. Hoewel de milieuvergunning voor deze uitbating nog loopt tot 2025 werden de activiteiten al een hele tijd geleden stilgelegd. Door de malaise in de staalindustrie werd de ene na de andere hoogoven stilgelegd. Daardoor raakten ook alle geassocieerde bedrijven in de problemen…

 

 

Charbonnage du Renard

De Charbonnage du Renard is een voormalig steenkoolbedrijf in de Belgische regio Luik. Aanvankelijk bescheiden, werd de maatschappij door haar opeenvolgende aanwinsten tijdens de negentiende en twintigste eeuw een van de machtigste en grootste steenkoolbedrijven in de regio.

De eerste bekende koolmijnexploitatie in het gebied dateert van het einde van de 16de eeuw. De mijn kwam echter pas echt tot ontwikkeling omstreeks 1825. Door systematische uitbreidingen bereikte de concessie toen een totale oppervlakte van op 208 ha. Het jaarlijkse productierecord werd bereikt tegen einde jaren 1930, met 620 000 ton steenkool, gedolven over een jaar met een personeelsbezetting van ongeveer 2.100 man. De jaarlijkse productie daalt tot 244.000 ton tijdens WOII. De laatste uitbreidingen vinden plaats in 1939, waarmee de concessie van het bedrijf ongeveer 900 hectare groot was. Het belangrijkste operationele centrum van het steenkoolbedrijf werd gesloten in 1967. Twee jaar later werd ook de steenkoolwinning in deze zetel stopgezet.

Het enige nog resterende gebouw, is het “douchegebouw”, waar de mijnwerkers zich konden omkleden en douchen na het werk. Het gebouw bevat ook een beperkt administratief gedeelte, de ziekenboeg en de loonhal. Na de sluiting van de mijn werd het gebouw in gebruik genomen door een garagist. In de loonhal en de kelders van het gebouw staan nog tientallen autowrakken, voornamelijk van het merk Ford. In de zomer van 2011 ontstond er enige beroering, toen bekend gemaakt werd dat een projectontwikkelaar het terrein wou verkavelen om er 100 woningen op te richten. Aangezien de bodem sterk vervuild is met zware metalen (lood en kwik), liep het project spaak op de volstrekt ontoereikende maatregelen die voorgesteld werden om de bodem te saneren…

 

 

 

Scroll Up